Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV3322

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-01-2006
Datum publicatie
03-03-2006
Zaaknummer
C04/257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen kennelijk onredelijke opzegging van het dienstverband. Bedrijfseconomische redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 6 januari 2006

Rolnummer: C04/257

Zaaknr. rechtbank: 471912/03

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

VAN DER GIESSEN-DE NOORD N.V.,

gevestigd te Krimpen aan den IJssel,

geïntimeerde,

hierna te noemen: "Van der Giessen-de Noord",

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 30 januari 2004 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 10 december 2003 door de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met productie) heeft [appellant] een grief tegen het vonnis aangevoerd, welke door Van der Giessen-de Noord bij memorie van antwoord is bestreden. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. [appellant] is op 28 januari 1991 dan wel op 1 februari 1991 in dienst getreden bij Van der Giessen-de Noord. Laatstelijk vervulde hij de functie van bedrijfsleider voormontage bij de afdeling productie scheepsbouw.

1.2. Op 12 december 2002 heeft Van der Giessen-de Noord de CWI verzocht toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met 170 werknemers, waaronder [appellant], op te zeggen.

1.3. Op 31 januari 2003 heeft de CWI toestemming verleend de arbeidsverhouding met onder meer [appellant] op te zeggen met inachtneming van de geldende opzegtermijn.

1.4. Bij brief van 31 januari 2003 heeft Van der Giessen-de Noord de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd tegen 31 maart 2003.

1.5. [appellant] heeft Van der Giessen-de Noord vervolgens gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd te verklaren voor recht dat de beëindiging van het dienstverband kennelijk onredelijk is, Van der Giessen-de Noord te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 95.392,08 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag en Van der Giessen-de Noord te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.500,= exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente over de gevorderde bedragen.

1.6. [appellant] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de reden van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, boventalligheid vanwege reorganisatie op economische gronden, een voorgewende reden betreft, dat de gevolgen van de beëindiging onder de gegeven omstandigheden voor [appellant] te ernstig zijn, afgezet tegen het belang van Van der Giessen-de Noord bij beëindiging en dat is opgezegd in strijd met het anciënniteitsbeginsel.

1.7. Bij vonnis van 10 december 2003 heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe dat voldoende is gebleken van de door Van der Giessen-de Noord gestelde economische noodzaak tot reorganisatie en inkrimping. Van strijd met het anciënniteitsbeginsel was volgens de kantonrechter geen sprake. Tevens was niets aangevoerd dat zou kunnen leiden tot het oordeel dat [appellant] een zodanig belang had bij het voortduren van zijn dienstbetrekking dat Van der Giessen-de Noord in redelijkheid niet tot zijn ontslag had mogen besluiten dan wel aan hem een hogere vergoeding had moeten bieden.

2.1. [appellant] komt met één grief op tegen het gehele oordeel van de kantonrechter en legt daarmee het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor.

2.2. Allereerst betwist hij vanwege het ontbreken van ter zake doende financiële gegevens dat de financiële positie van Van der Giessen-de Noord in december 2002 en daarvoor zodanig was dat ontslag onvermijdelijk was. De overgelegde bescheiden zijn naar zijn mening niet toereikend om de bedrijfseconomische noodzaak voor de reorganisatie aan te tonen. In samenhang daarmee heeft hij in eerste aanleg nog aangevoerd dat ook de door Van der Giessen-de Noord bij de CWI overgelegde bescheiden onvoldoende zijn. Balansen, winst- en verliesrekeningen, tussentijdse cijfers en prognosecijfers zouden niet zijn overgelegd terwijl de wel overgelegde bescheiden louter interne cijfers betreffen welke niet zijn goedgekeurd door een accountant. Voorts wijst [appellant] erop dat Van der Giessen-de Noord geen enkel stuk heeft overgelegd afkomstig van de ondernemingsraad.

2.3. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zijn betwisting van de slechte financiële positie van Van der Giessen-de Noord en zijn in dat kader geponeerde stelling dat ter zake doende financiële gegevens zouden ontbreken, onvoldoende onderbouwd. Van der Giessen-de Noord heeft in eerste aanleg onder meer haar Reorganisatienota met een prognose voor de toekomst na de reorganisatie, de door KPMG gewaarmerkte winst- en verliesrekeningen en balansen over 2001 en een deel van 2002 en het advies van de ondernemingsraad overgelegd. Van der Giessen-de Noord heeft deze stukken blijkens haar brief aan de CWI van 12 december 2002 ook aan de CWI overgelegd. [appellant] heeft niet aangegeven op welke onderdelen en omwille van welke redenen de door Van der Giessen-de Noord overgelegde stukken onjuist of onvolledig zouden zijn noch waarom deze stukken ontoereikend zouden zijn om de bedrijfseconomische noodzaak aan te kunnen tonen. De door Van der Giessen-de Noord overlegde stukken zijn naar het oordeel van het hof in beginsel geëigend en voldoende om daaruit de financiële situatie te kunnen afleiden. Uit deze stukken blijkt ook dat de financiële situatie van Van der Giessen-de Noord zeer slecht was. Daarbij komt dat [appellant] de stelling van Van der Giessen-de Noord dat zij sinds december 2000 geen schepen meer heeft verkocht en concurrenten in hetzelfde marktsegment eveneens slechts mondjesmaat opdrachten binnenhaalden, niet heeft betwist. Anders dan [appellant] stelt, zijn de overgelegde stukken niet louter interne stukken. Van der Giessen-de Noord heeft haar organisatie door een extern adviesbureau laten doorlichten en naar aanleiding daarvan een reorganisatieplan opgesteld. Het reorganisatieplan is vervolgens aan de ondernemingsraad voor advies voorgelegd. De ondernemingsraad heeft, na zich te hebben laten voorlichten door accountants, de noodzaak van een reorganisatie in haar advies onderschreven en de financiële positie en het uitblijven van orders zorgwekkend genoemd.

2.4. Ook de stelling van [appellant] dat hem onvoorwaardelijk zou zijn toegezegd dat zijn functie binnen de aangekondigde reorganisatie zou blijven bestaan, faalt. In de door [appellant] overlegde brief van Van der Giessen-de Noord van 14 oktober 2002 wordt [appellant] meegedeeld dat de president-directeur in principe de vier bedrijfsleiders in de nieuwe organisatie wilde handhaven. Weliswaar heeft de president-directeur blijkens deze brief [appellant] gevraagd zich te committeren aan de functie en bijbehorende doelstellingen en heeft [appellant] daarop bevestigend geantwoord, maar uit de brief kan niet méér volgen, dan dat de functie in principe zou worden gehandhaafd. Derhalve kan naar het oordeel van het hof in de brief geen onvoorwaardelijke toezegging van Van der Giessen-de Noord worden gelezen dat het dienstverband met [appellant] niet zou worden opgezegd.

2.5. [appellant] heeft aangevoerd dat Van der Giessen-de Noord het anciënniteitsbeginsel heeft geschonden. Volgens [appellant] blijkt uit het overgelegde personeelsbestand dat een groot aantal collega's korter dan [appellant] in dienst was. Voorts wijst hij erop dat zijn voormalige functie werd opgedeeld in twee nieuwe functies, een functie op zijn niveau die echter niet werd opgenomen in de zogenaamde "vacaturelijst", zodat hij daarop niet kon solliciteren, en een functie als assistent bedrijfsleider die ten onrechte werd gekwalificeerd als een MBO-functie. [appellant] heeft bewijs in het bijzonder door middel van het horen van getuigen aangeboden van zijn stellingen dat de functie van assistent bedrijfsleider geen MBO-functie betrof, dat deze functie uitwisselbaar was met zijn functie en dat er sprake was van passende (alternatieve) arbeid die hem ten onrechte niet is aangeboden.

2.6. [appellant] heeft zijn stelling dat een groot aantal collega's korter dan hij in dienst was, niet onderbouwd. Zo heeft hij niet aangegeven welke collega's hij bedoelt en of de functies die deze collega's uitoefenden uitwisselbaar waren met zijn functie. In reactie op de stellingen van [appellant] omtrent de opsplitsing van zijn functie heeft Van der Giessen-de Noord zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd uiteen gezet dat door de reorganisatie en het tengevolge daarvan aanzienlijk kleiner worden van de productieafdelingen twee van de vier functies van bedrijfsleider zijn komen te vervallen en dat de twee overgebleven bedrijfsleiders eerder dan [appellant] in dienst waren getreden. De voormalige taken van [appellant] zijn toegevoegd aan de taken van de overgebleven bedrijfsleiders. De functie van assistent bedrijfsleider is volgens Van der Giessen-de Noord niet uitwisselbaar met de functie van [appellant] aangezien de assistent bedrijfsleider rapporteert aan en valt onder verantwoordelijkheid van een bedrijfsleider en het hier een functie op MBO-niveau betreft met een aanzienlijk lager salaris dan dat van een bedrijfsleider. [appellant] heeft deze stellingen van Van der Giessen-de Noord onvoldoende gemotiveerd weersproken. Om deze reden wordt het bewijsaanbod van [appellant] gepasseerd.

2.7. [appellant] betoogt dat Van der Giessen-de Noord onvoldoende met zijn belangen rekening heeft gehouden. Zij heeft volgens [appellant] op onjuiste gronden besloten zijn functie te laten vervallen. Uit de brief van 14 oktober 2002 blijkt dat de reorganisatie zodanig ingericht had kunnen worden dat zijn functie behouden bleef. Van der Giessen-de Noord was zich er ook van bewust althans had zich behoren te realiseren dat [appellant] door beëindiging van het dienstverband in grote financiële problemen zou komen. Mede vanwege zijn leeftijd van 40 jaar ten tijde van het ontslag, zou het volgens hem immers niet mogelijk zijn om in zijn branche een ander dienstverband te verwerven, terwijl hij zonder (complete) omscholing ook elders geen dienstverband zou kunnen vinden.

2.8. Het hof acht de beslissing tot het laten vervallen van de functie van [appellant] niet onredelijk. Een dergelijke beslissing valt binnen de vrijheid die een ondernemer toekomt om te kiezen voor een bepaalde wijze van reorganiseren. Het feit dat Van der Giessen-de Noord ook had kunnen kiezen voor een andere opzet van de reorganisatie waarbij de functie van [appellant] wel behouden zou zijn gebleven wil nog niet zeggen dat de beslissing die Van der Giessen-de Noord heeft genomen om de functie van [appellant] te laten vervallen, onjuist zou zijn. Ook wanneer de omstandigheden van [appellant] in aanmerking worden genomen, kan niet worden gesproken van een onredelijke beslissing nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk is een ander dienstverband te verwerven. Het hof acht het heel wel mogelijk dat daarvoor volstaan kan worden met het verleggen van het aandachtsgebied en zich verdiepen in een ander vakgebied. Wanneer omscholing toch noodzakelijk zou zijn, valt niet in te zien waarom dat niet van [appellant] zou kunnen worden gevergd. Aangenomen mag worden dat hij tot omscholing in staat is nu [appellant] een universitaire studie heeft voltooid.

2.9. [appellant] stelt tenslotte dat de verleende vergoeding volstrekt ontoereikend is, te meer nu in de ontslagronde van een jaar later werknemers een bedrag gelijk aan 85% van de kantonrechterformule hebben meegekregen.

2.10. Naar het oordeel van het hof volgt uit het feit dat in een latere ontslagronde een hogere vergoeding is uitgekeerd niet dat de aan [appellant] verleende vergoeding niet billijk zou zijn. De aan [appellant] verleende vergoeding is, naar tussen partijen vaststaat, conform het Sociaal Plan van Van der Giessen-de Noord vastgesteld. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aan hem een hogere vergoeding dan voorzien in het Sociaal Plan zou moeten worden toegekend.

2.11. De slotsom is dat de grief faalt en het vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 10 december 2003 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Van der Giessen-de Noord bepaald op € 241 aan voorschotten en op € 1.631 aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In 't Velt-Meijer, C.G. Beyer-Lazonder en J.E.H.M. Pinckaers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2006 in aanwezigheid van de griffier.