Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV0467

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
26-01-2006
Zaaknummer
2200452105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Savanna

Motivering straf en maatregel

De verdachte heeft samen met zijn partner gedurende een aantal maanden de nog zeer jonge dochter van zijn partner, Savanna, terwijl hij mede met de opvoeding en verzorging van Savanna was belast, dusdanig onregelmatig en slecht te eten gegeven, dat zij ernstig ondervoed is geraakt. Bovendien werd Savanna met grote regelmaat in haar slaapkamer en/of een speciaal daarvoor gemaakt strafhokje opgesloten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het niet bij de bewezenverklaarde feiten is gebleven. De onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten gingen bij herhaling gepaard met andere vormen van mishandeling, zoals het onder de koude douche zetten van Savanna en haar een washandje in de mond duwen dat al dan niet met een verband of zwachtel werd vastgezet.

De verdachte heeft op de avond van de dag waarop Savanna is overleden met zijn partner het levenloze lichaam van Savanna omwikkeld met een deken en een douchegordijn, het in een zak gedaan en in de kofferbak van een auto gelegd waarmee zij vervolgens naar Holten zijn gereden.

Het betreft hier zeer ernstige feiten. Savanna was een nog zeer jong en kwetsbaar meisje, een kind dat voor haar geestelijke en lichamelijke welzijn volledig afhankelijk was van haar moeder en de verdachte. Voor Savanna moet het handelen van de verdachte en van haar moeder uiterst pijnlijk, bedreigend en beangstigend zijn geweest, waarbij Savanna erg moet hebben geleden.

Het handelen van de verdachte en zijn partner roept ook in de samenleving gevoelens van verontwaardiging, ontzetting en onbegrip op. Dit soort misdrijven rechtvaardigt daarom een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

(...)

Het hof heeft bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte terbeschikkingstelling -in welke vorm dan ook- moet worden opgelegd, acht geslagen op de ernst van de psychische problematiek van de verdachte. Het hof is tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen c.q. de algemene veiligheid van personen niet genoegzaam gewaarborgd kan worden door uitsluitend een gevangenisstraf op te leggen, maar dat hiertoe de maatregel van terbeschikkingstelling vereist is. Met de deskundigen is het hof van oordeel dat gezien de ernst van verdachte’s stoornis niet kan worden volstaan met terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Hoewel het hof zich realiseert dat de verdachte, gelet op de zogeheten passantenperiode, eerst na verloop van tijd in een TBS-kliniek opgenomen zal kunnen worden, is het hof van oordeel dat dit nadeel niet opweegt tegen het risico van herhaling.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast:

- dat de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld;

- dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eisen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging een passende en geboden reactie vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004521-05

Parketnummer(s): 09-753551-04

Datum uitspraak: 26 januari 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 21 juni 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Mario Cornelis Johannes Maria B[.]

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Haaglanden - Huis van Bewaring Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 januari 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Verweer inzake vordering wijziging tenlastelegging

De raadsman heeft aanvankelijk geen verweer gevoerd tegen de vordering wijziging tenlastelegging van de advocaat-generaal. Het hof heeft die wijziging toegestaan. Daarna heeft de verdediging alsnog bij pleidooi betoogd dat het Openbaar ministerie met die wijziging van de tenlastelegging buiten de rechtsstrijd zou gaan en dat zulks niet is toegestaan.

Het hof stelt vast dat dit verweer niet tijdig is gevoerd en dat het reeds daarom moet worden gepasseerd. Geheel ten overvloede overweegt het hof dat het betoog van de raadsman ter zake geen steun vindt in het recht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 subsidiair (als medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft), onder 2 primair en onder 3 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met afrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Toelichting op de vrijspraak van feit 1 primair en 1 subsidiair

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het medeplegen van doodslag. Volgens de advocaat-generaal hanteerde ook de verdachte regelmatig de "washandmethode" en was hij zich bewust van de mogelijke fatale gevolgen die dit kon hebben. Naar het oordeel van de advocaat-generaal is het daarom slechts een 'toevallige' omstandigheid dat het op 20 september 2004 medeverdachte De J[.] is geweest die een washandje in de mond van Savanna heeft gestopt met een dodelijk gevolg.

Het hof overweegt daaromtrent het navolgende.

In het sectierapport van 28 december 2004 komt de patholoog H.A. Tromp tot de conclusie dat het intreden van de dood zonder meer verklaard kan worden door de combinatie van het gevonden te laag bloedsuikergehalte (ten gevolge van ondervoeding) en de gevonden tekenen van zuurstoftekort, waarbij overigens elk van deze bevindingen op zich zelf eveneens de dood ten gevolge kan hebben. In het rapport van 5 januari 2005 komt R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige, tot de conclusie dat de meest waarschijnlijke verklaring voor het overlijden wordt gevormd door het gecombineerde gebruik van de knevel en het washandje. De ondervoeding had op termijn aanleiding tot overlijden kunnen geven.

Ter terechtzitting van de rechtbank zijn beide deskundigen gehoord. Voornoemde Tromp heeft aldaar verklaard dat zij na lezing van het rapport van genoemde Bilo tot het oordeel is gekomen dat in het gebruik van het washandje met een knevel eerder een doodsoorzaak is gelegen dan in het te lage bloedsuikergehalte ook al is dat laatste wel van invloed geweest op het overlijden. Deskundige Bilo heeft toen verklaard dat het op zich zelf al levensbedreigende gecombineerde gebruik van een washandje en een knevel, afhankelijk van de conditie van het kind gevaar oplevert. In casu, aldus de deskundige, zijn de verkoudheid en de lage bloedsuiker (als gevolg van ondervoeding) complicerende en bijdragende factoren geweest.

Het hof heeft daarenboven gelet op de wijze waarop Savanna op haar kamer is achtergelaten.

Het hof is op grond van een en ander van oordeel dat Savanna, die op de dag van 20 september 2004 in een zeer slechte fysieke conditie verkeerde, is overleden door het gecombineerde gebruik van het washandje en het omwikkelen van het hoofd van Savanna met verband, terwijl zij vervolgens zonder toezicht en volstrekt hulpeloos in deze voor haar levensbedreigende situatie op haar kamer is achtergelaten.

Het is medeverdachte De J[.] geweest die op de fatale ochtend van 20 september 2004 Savanna na eerdere geweldsincidenten die ochtend, een washandje in de mond heeft gestopt en dit met verband heeft vastgezet. Verdachte was bij dit alles niet aanwezig.

Hoewel iemand in juridische zin medepleger kan zijn van feiten zonder dat hij bij de uitvoering ervan lijfelijk aanwezig is, moet er in zo'n geval sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de feitelijke uitvoerder en betrokkene, welke gericht is op dat feit.

Weliswaar heeft de verdachte op andere momenten dan 20 september 2004 Savanna een washand in de mond geduwd en deze al dan niet met een verband of zwachtel vastgezet, en heeft hij een wezenlijk aandeel gehad in de ernstige ondervoeding van Savanna, maar naar het oordeel van het hof kan niet worden gesproken van een bewuste en nauwe samenwerking als hiervoor bedoeld ten aanzien van de handelingen van zijn echtgenote De J[.] op 20 september 2004 die tot de dood van Savanna hebben geleid. Temeer niet, nu zijn echtgenote heeft verklaard dat haar handelingen in belangrijke mate werden ingegeven door haar razernij in het kader van -naar het hof begrijpt- een ernstige ruzie tussen die echtgenote en Savanna (proces-verbaal pp. 161 en pp. 117 t/m 121).

De verdachte dient daarom van het onder 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Gelet op het bovenstaande dient de verdachte ook ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde (medeplichtigheid aan doodslag door na te laten in te grijpen dan wel instanties te informeren) te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, onder 2 primair en onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde het volgende.

Voor het aannemen van zwaar lichamelijk letsel is niet vereist dat het letsel van blijvende aard is. Ook een tijdelijke en herstelbare verstoring van lichamelijke functies kan zwaar lichamelijk letsel opleveren.

De forensisch geneeskundige R.A.C. Bilo concludeert in zijn rapport van 5 januari 2005 ten aanzien van de ondervoeding van Savanna als volgt:

De bevindingen van het NFI bevestigen hetgeen op basis van de groeicurves en de voedingsanamnese is vastgesteld, namelijk dat er sprake was van een structurele ondervoeding gedurende de laatste periode van het leven van Savanna.

Ter terechtzitting in eerste aanleg verklaart deze deskundige ter toelichting als volgt:

Savanna is vanaf 6 juli 2004 tot en met 20 september 2004 heel erg afgevallen. 1500 gram afvallen doe je niet in twee weken. Dit moet een langdurige periode zijn geweest. Het zou een aantal weken of maanden duren voordat het gewicht weer op orde is. Ondervoeding kan tot blijvende schade leiden. Op termijn zou Savanna aan het lage bloedsuikergehalte zijn overleden als niet zou zijn ingegrepen.

De patholoog Tromp heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard als volgt:

Het lage bloedsuikergehalte was levensbedreigend.

Op grond van het bovenstaande is het hof, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, van oordeel dat de toestand van ondervoeding van Savanna in casu als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van een lijk verbergen en wegvoeren met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd

en

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn partner gedurende een aantal maanden de nog zeer jonge dochter van zijn partner, Savanna, terwijl hij mede met de opvoeding en verzorging van Savanna was belast, dusdanig onregelmatig en slecht te eten gegeven, dat zij ernstig ondervoed is geraakt. Bovendien werd Savanna met grote regelmaat in haar slaapkamer en/of een speciaal daarvoor gemaakt strafhokje opgesloten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het niet bij de bewezenverklaarde feiten is gebleven. De onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten gingen bij herhaling gepaard met andere vormen van mishandeling, zoals het onder de koude douche zetten van Savanna en haar een washandje in de mond duwen dat al dan niet met een verband of zwachtel werd vastgezet.

De verdachte heeft op de avond van de dag waarop Savanna is overleden met zijn partner het levenloze lichaam van Savanna omwikkeld met een deken en een douchegordijn, het in een zak gedaan en in de kofferbak van een auto gelegd waarmee zij vervolgens naar Holten zijn gereden.

Het betreft hier zeer ernstige feiten. Savanna was een nog zeer jong en kwetsbaar meisje, een kind dat voor haar geestelijke en lichamelijke welzijn volledig afhankelijk was van haar moeder en de verdachte. Voor Savanna moet het handelen van de verdachte en van haar moeder uiterst pijnlijk, bedreigend en beangstigend zijn geweest, waarbij Savanna erg moet hebben geleden.

Het handelen van de verdachte en zijn partner roept ook in de samenleving gevoelens van verontwaardiging, ontzetting en onbegrip op. Dit soort misdrijven rechtvaardigt daarom een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 2 januari 2006, niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 18 mei 2005, opgemaakt en ondertekend door C.M. van Deutekom, psycholoog en J.M.J.F. Offermans, psychiater.

De deskundigen beschrijven dat bij de verdachte sprake is van een zeer ernstige schizoïde persoonlijkheidsstoornis waarbij afhankelijke kenmerken aanwezig zijn.

Verdachte's ontwikkeling is ernstig gecompliceerd door dyslexie en vooral door zijn sociaal-emotioneel onvermogen hetgeen weer geleid heeft tot sterke insufficiëntiegevoelens. Relationeel komt hij niet zo uit de verf totdat hij medeverdachte De J[.] ontmoet. Vanuit zijn schizoïde beperkingen en zijn angst voor afwijzing door De J[.] kan hij slechts doen wat zij van hem eist, waarbij zijn ontbrekende kritische vermogens geen enkel corrigerend effect kunnen uitoefenen. Hij beschikt niet over de empathische vermogens die het hem mogelijk zouden kunnen maken zich in de belevingswereld van een ander, bijvoorbeeld Savanna, te verplaatsen. Betrokkene is zozeer in de greep van zijn ernstige persoonlijkheidsstoornis dat er sprake is van een grote onvrijheid in zijn handelen, aldus genoemde deskundigen. De deskundigen concluderen dat de verdachte ten tijde van de hem tenlastegelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat deze feiten indien bewezen hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.

Ten aanzien van het herhalingsgevaar stellen de deskundigen dat de verdachte niet uit zichzelf tot feiten als de onderhavige zal komen en hierbij iemand anders nodig zal hebben. Het recidiverisico is primair gerelateerd aan de persoon van zijn medeverdachte De J[.]. Derhalve bestaat er niet een gevaar voor herhaling op korte termijn, maar wel op langere termijn, gezien het feit dat de verdachte de relatie met medeverdachte De J[.] vooralsnog wil voortzetten. Mocht hij uiteindelijk een andere partner tegenkomen, dan is de kans groot dat hij vanuit zijn beperkingen en afhankelijkheid een

dominante partner vindt, naar wie hij zich opnieuw vrijwel volledig ondergeschikt zal opstellen uit angst voor verlating en eenzaamheid, waardoor hij zich tot was in de handen van de ander maakt. Mocht er bij een nieuwe partner naast dominantie tevens sprake zijn van een gestoorde agressieregulatie, dan zal er wederom een risico bestaan voor eventuele kinderen binnen deze relatie.

De deskundigen adviseren daarom de verdachte een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt door hen niet haalbaar geacht omdat de verdachte nauwelijks inzicht in en besef heeft van zijn problematiek, waardoor ook de lijdensdruk en de motivatie voor behandeling slechts gering zijn. Voorts doet de ernst van de problematiek c.q. stoornis veronderstellen dat met een maximale behandelduur van vier jaren niet volstaan kan worden.

Ter terechtzitting van de rechtbank zijn beide deskundigen gehoord. De psychiater Offermans heeft toen verklaard dat het herhalingsrisico niet verwaarloosbaar klein is.

Het hof heeft bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte terbeschikkingstelling -in welke vorm dan ook- moet worden opgelegd, acht geslagen op de ernst van de psychische problematiek van de verdachte. Het hof is tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen c.q. de algemene veiligheid van personen niet genoegzaam gewaarborgd kan worden door uitsluitend een gevangenisstraf op te leggen, maar dat hiertoe de maatregel van terbeschikkingstelling vereist is. Met de deskundigen is het hof van oordeel dat gezien de ernst van verdachte's stoornis niet kan worden volstaan met terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Hoewel het hof zich realiseert dat de verdachte, gelet op de zogeheten passantenperiode, eerst na verloop van tijd in een TBS-kliniek opgenomen zal kunnen worden, is het hof van oordeel dat dit nadeel niet opweegt tegen het risico van herhaling.

Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast:

- dat de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld;

- dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eisen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 47, 57, 151, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, onder 2 primair en onder 3 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Verheij, mr. C.M.P. Flint-Van Noort en mr Djalink, in bijzijn van de griffier mr. P.G. Berkepeis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 januari 2006.