Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AU9941

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
2200437805
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AZ5717, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ5717
Rechtsgebieden
Strafrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beroep van de raadsman op artikel 6 EVRM in verband met het afwijzen van zijn verzoeken;

(...)

Het hof is van oordeel dat, gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden en mede in aanmerking genomen de ruime mate waarin - de gehele procedure overziende - in het bijzonder de eerste rechter nader onderzoek heeft gefaciliteerd, geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM door het afwijzen van de door de raadsman ingediende verzoeken. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Strafmotivering

De verdachte is op 3 april 2004 naar het huis van zijn vader gegaan waar hij een woordenwisseling met zijn ouders heeft gekregen. Tijdens dat gesprek, dat voor de verdachte kennelijk een teleurstellend verloop had, heeft de verdachte zijn zelfbeheersing verloren en is hij, zoals hij het zelf heeft uitgedrukt, "volkomen door het lint gegaan". Hij heeft hierop zijn ouders naar de grond gebracht, en heeft vervolgens beiden herhaaldelijk geschopt en geslagen. De verdachte heeft vervolgens de alarmcentrale 112 gebeld. Hierna is hij opnieuw teruggegaan naar de keuken waar hij zijn ouders opnieuw heeft geschopt en geslagen, onder andere tegen het hoofd. Na nogmaals met de alarmcentrale gebeld te hebben heeft de verdachte opnieuw geweld tegen zijn ouders gebruikt door hen beiden te slaan en te schoppen tegen hun lichaam en hoofd, totdat zij niet meer bewogen. De slachtoffers zijn enkele weken later aan hun verwondingen overleden.

(...)

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden - ook indien rekening wordt gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte - onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal (ook subsidiair) gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004378-05

Parketnummer: 10-011056-04

Datum uitspraak: 18 januari 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 12 juli 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Johnny B[.]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring "De Schie" te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 januari 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair en onder 2 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het beroep van de raadsman op artikel 6 EVRM

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat het afwijzen door het hof van de door hem ter terechtzitting ingediende verzoeken in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht de getuige [naam] op te roepen daar deze zou kunnen verklaren omtrent het gebeurde op 3 april 2004, te weten in het bijzonder omtrent de toestand waarin zij verdachte buiten de woning aantrof en de duur van verdachtes verblijf buiten de woning. Zulks teneinde aannemelijk te maken, dat tussen het bellen met 112, voor de eerste maal, en de aanhouding van verdachte mishandelingen niet hebben plaatsgevonden.

Het hof heeft dit verzoek ter terechtzitting afgewezen aangezien de noodzaak tot het horen van deze getuige ontbreekt en de verklaring van de getuige Valken niet van belang kan zijn voor enige door het hof te nemen beslissing. Immers, de verdachte heeft zelf tweemaal bij de politie, te weten bij zijn verhoor op 4 april 2004 en bij zijn verhoor op 23 april 2004, aangegeven dat hij, na de alarmcentrale 112 gebeld te hebben, weer is teruggekeerd naar de keuken en daar zijn ouders die op de grond lagen opnieuw verschillende malen tegen hun lichaam heeft geschopt en geslagen. Vervolgens heeft de verdachte, volgens zijn eigen verklaringen, opnieuw naar de alarmcentrale 112 gebeld, is hij daarna wéér teruggekeerd naar de keuken en heeft hij zijn beide ouders opnieuw geslagen. Dat de verdachte bij latere gelegenheden in andere zin heeft verklaard vermag in deze omstandigheid geen verandering te brengen. Evenmin doet daaraan af, ook indien daarbij de tijdstippen waarop verdachte 112 belde mede in aanmerking worden genomen, de waarneming van de getuige Valken dat verdachte op enig moment buiten de woning was, iets zei over het sluiten van de deur en ruitjes van de voordeur van de woning intrapte. Voorts heeft de verdachte zelf vele malen omstandig verklaard omtrent zijn gemoedstoestand ten tijde van de hem verweten gedragingen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman voorts verzocht een tegenonderzoek te gelasten naar de doodsoorzaak van het slachtoffer [1]. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat "naar aanleiding van de bevindingen van de patholoog Kubat in het licht van het wetenschappelijk discours twijfels omtrent de causaliteit (rijzen)". Hij stelt daartoe dat onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheid van reeds aanwezig letsel als doodsoorzaak, daarbij naar voren brengend dat specifieke axonale schade niet zou kunnen worden vastgesteld en de beoordeling door de patholoog-anatoom mitsdien kwestieus is. Daarmee rijst ook de vraag naar de toerekenbaarheid aan het handelen van de verdachte van de dood van zijn moeder die op leeftijd en dementerend was en bovendien met infarcten was geconfronteerd. De verdediging verzoekt derhalve de benoeming van een bij voorkeur Schotse deskundige (één van de auteurs van een publicatie ter zake), primair ter beantwoording van de vraag of het overlijden van het slachtoffer een andere oorzaak dan het door de verdachte op haar uitgeoefende geweld kan hebben. Subsidiair stelt de raadsman dat gedacht zou kunnen worden aan een "close reading" onderzoek door bedoelde Schotse onderzoeker.

Dienaangaande overweegt het hof het navolgende. Zoals gebruikelijk is op het lichaam van het slachtoffer sectie verricht, in dit geval door dr. B. Kubat, arts en patholoog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag. Deze deskundige heeft een uitgebreid verslag van de sectie opgesteld, waarbij als bijlage een gedetailleerd verslag is gevoegd van het neuropathologisch (macroscopisch en microscopisch) onderzoek van de hersenen van het slachtoffer, waarbij overigens oude lacunaire infarcten werden aangetroffen. Dat Dr Kubat specifieke deskundigheid op dit terrein heeft, hetgeen door de verdediging overigens ook niet wordt betwist, leidt het hof af uit de omstandigheid dat deze deskundige (in Duitsland) een specifieke opleiding als neuro-patholoog volgde en binnen het NFI op het gebied van de hersenen als dé deskundige geldt. Deze deskundige is na het uitbrengen van voormeld verslag in eerste aanleg door de rechter-commissaris ten overstaan van de verdediging gehoord over de bevindingen en conclusies. Bij dat verhoor is ook ingegaan op de verstoorde integriteit / continuïteit van de zenuwceluitlopers, het hersenletsel in relatie tot de geweldsinwerking en het totaal afwijkende karakter van letsel ten gevolge van dementie of ouderdom. Desverzocht heeft de rechter-commissaris vervolgens bovendien een door de verdediging bij schrijven van 14 februari 2005 opgegeven deskundige benaderd met het oog op een 'second opinion'. Hoewel deze deskundige als klinisch patholoog met subspecialisme neuropathologie werkzaam is, achtte hij zich niet voldoende toegerust omdat hij géén deskundigheid had op het gebied van de gerechtelijke pathologie en traumatologie. Tot een opdracht is het derhalve niet gekomen; de verdediging heeft nadien (bijv. in de sleutel van artikel 411a Sv) geen verdere verzoeken tot een 'second opinion' gedaan; van een zoektocht naar een deskundige met de vereiste specifieke kwalificaties is het hof evenmin gebleken.

Het hof stelt vast dat de bezwaren van de verdediging kennelijk niet zijn gericht tegen de in de genoemde bijlage bij het sectieverslag neergelegde specifieke bevindingen van dr Kubat ten aanzien van het microscopisch onderzoek, maar tegen de daaraan door dr Kubat verbonden conclusies. Hoewel die conclusies in het verhoor door de rechter-commissaris tegen de achtergrond van de door de verdediging kennelijk geformuleerde hypothesen nader met redenen zijn omkleed, heeft de verdediging elk begin van specificatie van de door haar gestelde 'twijfels' achterwege gelaten, waarbij het hof de herhaalde toezending van een tweetal (algemene) publicaties niet als zodanig aanmerkt. Het had minstgenomen op de weg van de verdediging gelegen de uitgebreide schriftelijke rapportage omtrent de bevindingen van de patholoog-anatoom bij het microscopisch onderzoek van de hersenen van de overledene aan een (andere) deskundige voor te leggen, ten einde haar stelling aannemelijk te maken dat een andere (natuurlijke) oorzaak het overlijden van het slachtoffer kan verklaren. Gelet op dit procesverloop en mede gelet op de algemene ervaringsregel dat (binnen een kort tijdsbestek herhaaldelijk uitgeoefend) grof geweld tegen het hoofd van een (bejaarde) persoon (zeer) aanzienlijke risico's voor fataal hersenletsel meebrengt, is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het gevraagde tegenonderzoek dan wel de second opinion, al dan niet in de vorm van een "close reading" onderzoek, ontbreekt.

Het hof heeft het verzoek op die - toen kort omschreven - gronden afgewezen.

Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een deskundige te benoemen die nader zou kunnen verklaren, zakelijk weergegeven, in hoeverre de verdachte tot zijn handelen is gebracht door psychische overmacht. De raadsman heeft in dat verband aangevoerd dat de beschikbare (PBC) rapportage onvoldoende duidelijkheid verschaft, waar het verdachtes emoties betreft die hem vatbaar deden zijn voor schrik en angst voor externe factoren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De geestesgesteldheid van de verdachte ten tijde van zijn handelen is reeds diepgaand en uitgebreid voorwerp van onderzoek geweest. Met name in de PBC-rapportage komt ondubbelzinnig naar voren aan welke emoties de verdachte alstoen ten prooi is geweest. Bovendien blijkt daaruit dat die emoties in belangrijke mate werden versterkt door verdachtes alcoholgebruik op de dag in kwestie. Voorts heeft de raadsman nagelaten in concreto aan te geven op welke punten, in het licht van welke (eventuele) externe factoren waaraan de verdachte geen weerstand zou hebben kunnen bieden, de verdachte nader zou moeten worden onderzocht. Deze omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het verzoek en de daarin gelegen veronderstelling van eventuele psychische overmacht feitelijke grondslag misten, derhalve heeft het hof het verzoek ter terechtzitting afgewezen. Het hof is van oordeel dat, gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden en mede in aanmerking genomen de ruime mate waarin - de gehele procedure overziende - in het bijzonder de eerste rechter nader onderzoek heeft gefaciliteerd, geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM door het afwijzen van de door de raadsman ingediende verzoeken. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen. De verdachte is op 3 april 2004 naar het huis van zijn vader gegaan waar hij een woordenwisseling met zijn ouders heeft gekregen. Tijdens dat gesprek, dat voor de verdachte kennelijk een teleurstellend verloop had, heeft de verdachte zijn zelfbeheersing verloren en is hij, zoals hij het zelf heeft uitgedrukt, "volkomen door het lint gegaan". Hij heeft hierop zijn ouders naar de grond gebracht, en heeft vervolgens beiden herhaaldelijk geschopt en geslagen. De verdachte heeft vervolgens de alarmcentrale 112 gebeld. Hierna is hij opnieuw teruggegaan naar de keuken waar hij zijn ouders opnieuw heeft geschopt en geslagen, onder andere tegen het hoofd. Na nogmaals met de alarmcentrale gebeld te hebben heeft de verdachte opnieuw geweld tegen zijn ouders gebruikt door hen beiden te slaan en te schoppen tegen hun lichaam en hoofd, totdat zij niet meer bewogen. De slachtoffers zijn enkele weken later aan hun verwondingen overleden.

Het hof is, bovenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat de verdachte, minstgenomen zich door aldus te handelen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de beide slachtoffers, bejaard als zij waren, als gevolg van dat handelen dodelijk zouden worden verwond en daardoor zouden komen te overlijden.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde:

Doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde primair tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede tot terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege, en subsidiair - indien de maatregel van TBS met verpleging niet mocht worden opgelegd - tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gehandeld als hierboven overwogen onder "bewijsvoering". Door aldus te handelen heeft de verdachte de slachtoffers, zijn ouders, van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven beroofd. Het onderhavige delict draagt, mede gelet op de uitermate brute handelwijze van de verdachte en de herhaalde geweldsexplosies, een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter. Slechts een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf past als reactie op een delict als het onderhavige.

Het hof heeft acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht, opgesteld door W. Malkus, psychiater en A.T. Spangenberg, psycholoog, d.d. 21 januari 2005, welk rapport concludeert dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en ontwijkende trekken. Er is sprake van een borderline persoonlijkheidsorganisatie. Als gevolg van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte kunnen, aldus rapporteurs, de tenlastegelegde feiten slechts in verminderde mate aan hem worden toegerekend.

Het hof neemt de conclusies van genoemd rapport terzake de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en maakt deze tot de zijne. Het hof zal die laatste omstandigheid in substantieel matigende zin verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal de advocaat-generaal niet volgen in diens eis voorzover deze betreft de vordering tot terbeschikkingstelling van de verdachte met dwangverpleging, nu voornoemde rapportage daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden - ook indien rekening wordt gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte - onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal (ook subsidiair) gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Aler en Heemskerk, in bijzijn van de griffier mr. Dinjens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 januari 2006.