Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AU9767

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
03-03-2006
Zaaknummer
1153-R-04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie van € 15.000,- per maand. Getuigenverhoor in het kader van het leveren van tegenbewijs. Het hof noemt zelf een getuige die gehoord moet worden (vgl artikel 284,2 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2006, 27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 18 januari 2006

Rekestnummer : 1153-R-04

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 04-384

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.J. van der Wilk,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 24 juni 2005, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof het bezwaar van de man tegen de vermeerdering van verzoek door de vrouw afgewezen en is verder iedere beslissing aangehouden.

Op 9 december 2005 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, advocaat te Rotterdam. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens hem is verschenen mr. R.H.M. Wagemans, advocaat te Maastricht. De vrouw en beide raadslieden hebben het woord gevoerd, de raadsman van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Alimentatie ten behoeve van de vrouw

7. In haar incidentele hoger beroep verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man aan haar een alimentatie van € 15.000,- (bruto) per maand dient te betalen met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (27 januari 2005). Het hof overweegt hierover als volgt.

Behoefte vrouw

8. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de vrouw de behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte aanvullende alimentatie nader onderbouwd. Hij heeft aldaar verklaard dat een alimentatie van € 15.000,- per maand alleszins redelijk is, gelet op de levensstijl van partijen gedurende hun huwelijk. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat partijen tijdens hun huwelijk een bruto jaarinkomen uit arbeid hadden van € 550.000,- en dat zij daarnaast inkomsten hadden uit vermogen (dividenden). Verder heeft de raadsman verklaard dat partijen altijd grote kapitaalpolissen hebben gehad.

9. De raadsman van de man heeft de gestelde en ter zitting nader toegelichte behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte alimentatie niet weersproken. Daarmee staat in de onderhavige procedure derhalve vast dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende alimentatie ten laste van de man van € 15.000,- per maand.

Draagkracht man

10. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de man verklaard dat de man geen draagkracht heeft om aan de vrouw enige alimentatie te betalen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er een drietal gebeurtenissen debet aan is geweest dat van zowel het aanmerkelijk hoge inkomen dat de man in een recent verleden heeft genoten, als het aanzienlijke vermogen waarover hij placht te beschikken, thans niets meer over is.

11. Het hof oordeelt als volgt. De man heeft noch van de namens hem gestelde inkomsten, het aanwezige vermogen en de gedane investeringen, noch van de namens hem gestelde verliezen, schulden en huidige lasten stukken in het geding gebracht. Evenmin heeft hij hierover ter terechtzitting in hoger beroep een nadere toelichting gegeven, aangezien hij aldaar, hoewel hij daartoe wel behoorlijk was opgeroepen, niet is verschenen. Weliswaar verwijst de raadsman van de man in de door hem aan het hof overgelegde pleitnoties naar een grote hoeveelheid producties, het hof noch de vrouw hebben deze producties voorafgaande aan de mondelinge behandeling ontvangen. Ter zitting heeft de raadsman van de man desgevraagd verklaard dat hij ook zelf de producties nog niet in zijn bezit had. Aldus heeft het hof op geen enkele wijze inzicht gekregen in de financiële positie van de man. In de onderhavige procedure dient er dan ook vanuit te worden gegaan dat de man in staat moet worden geacht om in de door de vrouw gestelde aanvullende behoefte te kunnen voorzien.

12. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de man het hof nog verzocht om één of meer deskundigen te benoemen teneinde de juistheid van de stellingen van de man te doen vaststellen. Het hof zal dit verzoek afwijzen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Zoals het hof hiervoor in rechtsoverweging 11 heeft overwogen, heeft de man geen enkel bewijsstuk in het geding gebracht ter adstructie van zijn - vele - stellingen. Ook is de man niet zelf ter terechtzitting in hoger beroep verschenen, noch bij de eerste mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 24 juni 2005, noch bij de tweede mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 9 december 2005. Naar het oordeel van het hof heeft de man ruimschoots de tijd en de gelegenheid gehad om zijn stellingen te onderbouwen door middel van het overleggen van financiële gegevens, rapporten van financieel adviseurs of andere ter zake kundige personen. Nu de man geen - gegronde - redenen heeft aangevoerd waarom hij dit niet heeft gedaan, zal het hof hem daartoe niet alsnog in de gelegenheid stellen door het benoemen van deskundigen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Ontvankelijkheid van de vrouw in haar inleidend verzoek

13. De man stelt primair dat de rechtbank in het kader van de echtscheidingsprocedure ten onrechte mede heeft beslist over de verzochte nietigverklaring van vier tussen partijen gesloten overeenkomsten. Hij voert daartoe aan dat de beoordeling van een dergelijk verzoek een uitgebreid onderzoek vergt dat zich niet verdraagt met artikel 827f Rv. Naar het oordeel van de man had de rechtbank de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk dienen te verklaren in haar verzoek en het daarmee samenhangende verzoek om de man te veroordelen over te gaan tot verrekening moeten afwijzen.

14. Het hof verwerpt deze stelling van de man. Het hof is van oordeel dat de door de vrouw verzochte voorziening in directe relatie staat tot haar inleidende verzoek om partijen te veroordelen met elkaar over te gaan tot verrekening van het op de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek aanwezige vermogen. Dit verzoek valt onder de voorzieningen als bedoeld in artikel 827 lid 1 aanhef en sub b. De rechtbank heeft de vrouw dan ook terecht ontvankelijk geacht in haar inleidend verzoek tot vernietiging dan wel nietigverklaring van de overeenkomst van 29 juni 2001 en de overeenkomsten van 2 april 2003, die partijen hebben gesloten in het kader van het verrekenbeding als opgenomen in de huwelijkse voorwaarden.

Dwaling

15. De man stelt subsidiair dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot vernietiging van de vier overeenkomsten heeft toegewezen. Hij voert daartoe aan dat de vrouw de betreffende overeenkomsten volledig uit vrije wil en volledig geïnformeerd heeft gesloten. Naar de mening van de man is de vrouw niet misleid of onder druk gezet en wist zij waarvoor zij tekende. De man stelt dat de vrouw over de inhoud en de betekenis volledig is voorgelicht door alle betrokkenen. De man stelt meer subsidiair dat de vrouw door de overeenkomsten niet is benadeeld, nu hetgeen daarin tot uitdrukking wordt gebracht - namelijk dat er niets te verrekenen viel omdat er geen overgespaarde inkomsten waren - in overeenstemming was met de werkelijkheid.

16. De vrouw betwist dat zij in 2001 en in 2003 door de notaris, de accountant of door de man is geïnformeerd over de reikwijdte van het verrekenbeding als opgenomen in de huwelijkse voorwaarden, over haar rechten terzake en over de gevolgen van de door haar ter tekening voorgelegde stukken. Onder verwijzing naar de in eerste aanleg door haar gestelde feiten stelt zij dat er sprake is van wilsgebreken in de zin van artikel 3:44 BW, primair bedrog en subsidiair misbruik van omstandigheden. Meer subsidiair is er naar de mening van de vrouw sprake van dwaling in de zin van artikel 6:228 BW. Onder verwijzing naar artikel 1:135 lid 2 BW stelt zij dat dwaling in het onderhavige geval wordt verondersteld nu zij voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld.

17. Het hof laat, gelet op het hierna overwogene, vooralsnog in het midden of sprake is, dan wel kan zijn van bedrog of misbruik van omstandigheden.

18. Het hof overweegt als volgt. In het onderhavige geval hebben partijen op 29 juni 2001 en 2 april 2003 overeenkomsten gesloten waarin zij aan het in hun huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding een nadere, concrete invulling hebben gegeven. Naar het oordeel van het hof dienen de overeenkomsten - naar hun aard - alle te worden aangemerkt als vaststellingsovereenkomsten, nu partijen ze kennelijk met elkaar zijn aangegaan ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt. In beginsel kunnen partijen bij een vaststellingsovereenkomst geen beroep doen op dwaling terzake van hetgeen waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond. Blijkt evenwel een misvatting te bestaan ten aanzien van hetgeen partijen als zeker en onbetwist aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd, dan is een beroep op dwaling mogelijk wel gerechtvaardigd. Hierbij moet onder andere worden gedacht aan het geval van schending van een mededelingsplicht.

19. In het onderhavige geval heeft de vrouw gesteld dat zij heeft gedwaald ten aanzien van de inhoud en de betekenis van de vaststellingsovereenkomsten. Ter ondersteuning van haar stelling heeft de vrouw zich er onder meer op beroepen dat de man, de notaris - die aanwezig is geweest bij het sluiten van de overeenkomst op 29 juni 2001 - en de accountants haar niet, dan wel onjuist hebben voorgelicht. De volgende omstandigheden zijn onvoldoende weersproken door de vrouw gesteld dan wel zijn het hof gebleken:

a. de man is degene geweest die gedurende het huwelijk van partijen alles regelde. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de man namens de vrouw een arbeidsovereenkomst is aangegaan met [naam bedrijf], de onderneming van de man, en dat hij later buiten mede-weten van de vrouw haar dienstverband in 2001 heeft laten beëindigen en haar in dienst heeft genomen van zijn holding [naam], welk dienstverband vervolgens door de vennootschap per medio 2003 eenzijdig is beëindigd;

b. de man is enkele maanden vóór 29 juni 2001 aanwezig geweest bij een juridische presentatie van de huidige advocaat van de vrouw, welke presentatie onder andere de problematiek van het periodiek verrekenbeding omvatte en waarbij gewezen werd op de risico’s van dergelijke bedingen voor ondernemers; c. er was, afgezien van de sub b genoemde omstandigheid, geen directe aanleiding om tot het sluiten van de betreffende overeenkomsten over te gaan;

d. de vrouw is overvallen door de drie overeenkomsten. Zij kreeg de overeenkomsten op de ochtend van 2 april 2003 tijdens een kort ontbijt ter tekening gepresenteerd en heeft zulks op dat moment in goed vertrouwen gedaan;

e. de notaris die aanwezig was bij het opstellen van de eerste overeenkomst op 29 juni 2001 hield op dat moment praktijk in het kantoorpand van [naam bedrijf];

f. bij de overeenkomst van 29 juni 2001 was slechts een zeer summier overzicht gevoegd, uitsluitend betreffende het besteedbaar inkomen van partijen en de uitgaven, en bij de overeenkomsten van 3 april 2003 ontbreekt iedere toelichting;

g. de man beschikte tot voor kort over een vermogen van - volgens zijn raadsman ter zitting - € 150.000.000.

20. Het hof acht het op grond van de hiervoor in rechtsoverweging 18 weergegeven omstandigheden voorshands voldoende aannemelijk dat de vrouw heeft gedwaald ten aanzien van de inhoud en strekking van de tussen partijen gesloten vier overeenkomsten en acht de vrouw dan ook voorshands geslaagd in de bewijslast die conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op haar rust. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen om tegen dit vermoeden tegenbewijs te leveren. De raadsman van de man heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de notaris die betrokken is geweest bij het opstellen van de eerste overeenkomst op 29 juni 2001 eventueel gehoord moet worden, aangezien hij en ook andere adviseurs aan de vrouw de strekking van de overeenkomst hebben uitgelegd. Het hof vat deze verklaring op als een bewijsaanbod. Het hof zal de man dan ook in de gelegenheid stellen om de notaris op te roepen, opdat deze kan verklaren over hetgeen hem uit eigen waarneming bekend is aangaande hetgeen op 29 juni 2001 is voorgevallen. Het hof acht het in de onderhavige zaak geraden om tevens de accountant(s)/financieel adviseur(s) die betrokken zijn geweest bij het opstellen van de overeenkomst van 29 juni 2001 en/of de drie overeenkomsten van 2 april 2003 te horen. De griffier zal, zo de man dat niet wenst, voor oproeping van deze accountant(s)/financieel adviseur(s) zorgdragen. De man zal worden gelast om het hof de daarvoor nodige gegevens te verstrekken.

21. Het hof overweegt nog dat, nu het in het onderhavige geval niet gaat om een verdeling, maar om verrekening, het beroep van de vrouw op artikel 1:135 lid 2 BW (het hof leest: juncto artikel 3:196 lid 2 BW, welk artikel een vermoeden van dwaling behelst) niet op gaat.

22. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang 27 januari 2005 op € 15.000,- per maand, voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

laat de man toe om door middel van het doen horen van getuigen tegenbewijs te leveren tegen het in rechtsoverweging 20 neergelegde vermoeden dat de vrouw bij het ondertekenen van de daar genoemde overeenkomsten heeft gedwaald;

gelast de man om het hof binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een overzicht te doen toekomen van de getuigen, die hij wenst op te roepen om door het hof gehoord te worden, alsmede in elk geval de namen en adressen van de in rechtsoverweging 20 genoemde accountant(s) en/of financieel adviseur(s) met een overzicht van de verhinderdata van de betrokkenen in de maanden februari tot en met mei 2006;

gelast de vrouw om het hof binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een overzicht te doen toekomen van haar verhinderdata in de maanden februari tot en met mei 2006;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Tanja-van den Broek, bijgestaan door mr. Sierksma als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2006.