Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:BB4165

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2005
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
03/1536
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA7560, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7560
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst. Beredderingskosten. Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 496
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 6 december 2005

Rolnummer: 03/1536

Zaak-/rolnr. rb.: 168290 HAZA 01-3292

HET GERECHTSHOF ´S-GRAVENHAGE, vierde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

de vereniging STAEDION,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

appellante,

hierna te noemen: Staedion,

procureur: mr. T.J.J. van Dijk,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap

FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: verzekeraars,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 18 september 2003 is Staedion in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2003, gewezen tussen Staedion als eiseres en verzekeraars als gedaagden. Bij memorie van grieven heeft Staedion, onder overlegging van één productie, drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door verzekeraars bij memorie van antwoord zijn bestreden.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, Staedion door mr. A.J.J.G. Schijns, advocaat te ’s-Gravenhage en verzekeraars door mr. E.J.W.M. van Niekerk, advocaat te Rotterdam.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Nu in hoger beroep niet is opgekomen tegen de feiten zoals in het bestreden vonnis vastgesteld onder 2, gaat ook het hof van die feiten uit.

2. Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Tot het woningenbestand van Staedion behoren onder meer bijna 60 woningen aan de Strausslaan in Den Haag, die voorheen in bezit waren van AWV (één van de rechtsvoorgangers van Staedion). In november 1999 werd bij metingen in die AWV-woningen een asbestverontreiniging aangetroffen die dermate ernstig was dat directe sanering was geboden. Die sanering is vervolgens uitgevoerd. Naar als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken vaststaat, leidde één en ander tot grote maatschappelijke onrust in de betrokken wijk en vormden deze gebeurtenissen aanleiding voor Staedion om, in overleg met de Gemeente ‘s-Gravenhage, ook bij andere woningen die zij in bezit had een risico-inventarisatie uit te doen voeren met betrekking tot asbest. Bij deze risico-inventarisatie zijn onder meer 360 woningen betrokken (de ten processe bedoelde woningen), die behoren tot het woningbezit van Patrimonium (één van de rechtsvoorgangers van Staedion), gelegen aan de Puccinistraat (complex 21), Toscaninistraat, Rossinilaan en Paganinistraat (complex 22), en - wederom - de Strausslaan (complex 18) in Den Haag. Het in asbestonderzoek gespecialiseerde bureau BME Asbestconsult B.V. (hierna: BME) heeft in de drie hiervoor genoemde complexen risico-inventarisaties uitgevoerd conform de Nationale Beoordelingsrichtlijn BRL 5052, een (destijds) algemeen aanvaarde en in brede (asbest-)kring gehanteerde onderzoeksmethode. De betreffende rapporten zijn overgelegd als producties 4, 5 en 6 bij conclusie van repliek. BME heeft bij deze risico-inventarisaties aan de hand van steekproeven asbestbesmetting aangetroffen, waaraan zij prioriteit 1 heeft toegekend, hetgeen wil zeggen: “korte termijn, sanering of emissiebeperkende maatregelen dringend noodzakelijk”. Op basis van dit advies heeft Staedion 309 van de hiervoor bedoelde 360 woningen doen saneren. Staedion stelt zich primair op het standpunt dat zij jegens verzekeraars recht heeft op vergoeding van de kosten van sanering, omdat naar haar mening sprake is van bereddingskosten ter voorkoming van personenschade, althans (verdere) zaakschade. Verzekeraars hebben dit bestreden en hebben op meerdere gronden uitkering geweigerd.

4. Het hof ziet aanleiding de grieven gezamenlijk te behandelen. Zij strekken onder meer ten betoge dat de vraag of de omstandigheden van het geval de door de verzekerde getroffen maatregelen rechtvaardigen, moet worden beoordeeld naar het moment waarop hij tot die maatregelen heeft besloten en dat, indien de verzekerde er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij op dat moment de situatie gevaarlijker heeft ingeschat dan deze (naar achteraf wellicht blijkt) in werkelijkheid is geweest, de verzekeraar haar niet kan tegenwerpen dat de getroffen maatregelen geheel of ten dele een overbodig karakter hebben gehad. Staedion stelt in dit verband kort gezegd het volgende. Na het ter beschikking komen van de onderzoeksresultaten van BME was Staedion op de hoogte van het potentieel zeer ernstige gevaar van asbestbesmetting. Gezien het dringende advies van BME om op korte termijn tot maatregelen over te gaan, diende Staedion ervan uit te gaan dat sprake was van een reële kans op (personen-)schade. Het was dan ook redelijkerwijs verantwoord om (direct) maatregelen te nemen. Hierbij is voorts van belang dat het onderhavige risico zich niet pas verwezenlijkt op het moment dat zich bij een slachtoffer een asbestziekte openbaart, maar al op het moment dat het slachtoffer de asbestdeeltjes binnenkrijgt, aldus Staedion.

5. Het hierboven weergegeven betoog van Staedion treft doel. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Op zichzelf staat tussen partijen niet ter discussie dat zelfs een incidentele blootstelling aan asbest(deeltjes) kan leiden tot een asbestgerelateerde ziekte. In verband met de sanering van de (zwaar) met asbest verontreinigde AWV-woningen, waardoor grote maatschappelijke onrust in de betrokken wijk was ontstaan, heeft Staedion in overleg met de gemeente een drietal risico-inventarisaties met betrekking tot de ten processe bedoelde woningen laten uitvoeren door BME. BME, een gespecialiseerd bureau op het terrein van asbestonderzoek, is na onderzoek conform de algemene erkende methode BRL 5052, tot het advies gekomen dat sanering van deze woningen op korte termijn dringend noodzakelijk was (prioriteit 1). Naar het oordeel van het hof kon Staedion op basis van dit advies en gezien de al ontstane grote maatschappelijke onrust, in redelijkheid tot de beslissing komen tot (directe) sanering over te gaan. Staedion kon en mocht op het moment van het nemen van haar beslissing uitgaan van een reëel gevaar voor de gezondheid van de bewoners van de onderhavige woningen, dat alleen door het treffen van een bijzondere maatregel (te weten directe sanering) kon worden opgeheven. Als eigenaar/verhuurder van een groot aantal woningen rustte op Staedion in dit verband een (dringende) maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht ten opzichte van derden (zowel huurders als overige bewoners) om gezondheidsschade in de woningen te voorkomen. Latere inzichten of ontwikkelingen met betrekking tot het daadwerkelijke gevaar van asbestbesmetting zijn daarbij niet van belang, zelfs niet wanneer uiteindelijk (objectief) vastgesteld zou kunnen worden dat er in werkelijkheid geen (of een verwaarloosbaar) gevaar van besmetting heeft bestaan en de sanering derhalve niet noodzakelijk was. Dit alles betekent dat in dit geval sprake is van bereddingskosten in de zin van artikel 283 K die naar het oordeel van het hof voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Verzekeraars hebben zich er nog expliciet op beroepen en uitvoerig betoogd dat er (nagenoeg) geen gevaar bestond voor de gezondheid, aangezien de door BME in (twee van) de onderhavige woningen aangetroffen concentraties asbestdeeltjes veel dichter bij het VR-niveau (Verwaarloosbaar Risico) liggen dan bij het MTR niveau (Maximaal Toelaatbaar Risico) als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit materialen 1998. Alles beneden het MTR-niveau is in feite een schemergebied, waarbij het zogeheten ALARA-principe geldt (te weten “as low as reasonably achievable”) en waarbij de gemeente een grote vrijheid heeft om al dan niet over te gaan tot een saneringsaanschrijving, aldus verzekeraars (zie onder meer pleitnota eerste aanleg sub 4.6).

7. Dit betoog stuit af op hetgeen in rechtsoverweging 5 is overwogen. In het onderhavige geval is in elk geval sprake van overschrijding van het VR-niveau. Bij gebreke van meer nauwkeurig bepaalde (en algemeen geldende) saneringsnormen, had Staedion, bezien vanuit haar eigen maatschappelijke zorgvuldigheidsplicht als eigenaar/verhuurder van een groot contingent woningen, een zekere beoordelingsruimte om, gelet op alle betrokken belangen, al dan niet tot sanering over te gaan. Staedion kon, als gezegd, op basis van het dringende advies van BME in redelijkheid tot haar beslissing komen. Overigens wijst het hof er op dat het advies van BME niet alleen is gebaseerd op de gemeten concentraties asbestdeeltjes, maar ook op het type asbesthoudend materiaal, de asbestsoort, de oppervlaktestructuur en de conditie van het oppervlak. Indien, zoals hier, bij aansprakelijkheidsverzekering het gezondheidsrisico in het geding is, past de verzekeraar grote terughoudendheid om zijn eigen – als minder ernstig beoordeelde - inschatting (achteraf) van de gevaarssituatie zwaarder te laten wegen dan die van instanties – zoals BME – die op grond van hun specialistische kennis en ervaring moeten worden geacht een goed gefundeerd oordeel te geven.

8. Ook het feit dat Staedion (nog) niet aansprakelijk was gesteld vanwege de asbestproblematiek in de onderhavige woningen, doet aan het voorgaande niet aan af, te minder daar – naar algemeen bekend mag worden verondersteld – de gezondheidsproblemen voortkomend uit een (eventuele) asbestbesmetting zich veelal eerst na verloop van vele jaren openbaren.

9. Het hof acht het, anders dan de rechtbank, niet relevant dat de gemeente (nog) niet tot een aanschrijving of het uitoefenen van andere druk op Staedion was overgegaan, nu (als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken) vast staat dat Staedion al binnen ongeveer zes weken na ontvangst van de eerste onderzoeksresultaten van BME vrijwillig een aanvang heeft gemaakt met de daadwerkelijke sanering van de betrokken woningen. De gemeente behoefde dan ook niet over te gaan tot het uitoefenen van druk (vergelijk toelichting Regeling Bouwbesluit materialen 1998, Staatscourant 1998, nr. 138, p. 7, tweede alinea).

10. Uit een brief d.d. 2 februari 2000 van Staedion aan de bewoners van Strausslaan 201 t/m 611 is, anders dan verzekeraars menen, niet af te leiden dat feitelijk geen sprake was van onmiddellijk dreigend gevaar als bedoeld in artikel 283 K. In het plan van aanpak asbestsanering Strausslaan dat als bijlage bij die brief is gevoegd, is onder meer vermeld dat geen noodzaak bestond direct tot maatregelen over te gaan en dat wat bekend is op basis van wet- en regelgeving tot op heden geen aanleiding vormt om versneld asbest uit het woningbezit te verwijderen, omdat er geen wettelijke verwijderingsplicht is. Die mededelingen doen, naar het oordeel van het hof, evenwel niet af aan de resultaten van de door BME uitgevoerde risico-inventarisaties en het op grond daarvan gegeven dringende saneringsadvies. Het feit dat de resultaten van dit onderzoek in de brief niet zijn weergegeven en dat is benadrukt dat er geen wettelijke verwijderingsplicht is, acht het hof gelet op de al ontstane (grote) onrust onder de bewoners niet onbegrijpelijk. Dit geldt te meer daar het besluit tot sanering al was genomen en het plan van aanpak al gereed was.

11. Volgens verzekeraars had Staedion, indien werkelijk sprake was geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar, de bewoners met onmiddellijke ingang moeten verbieden de woningen nog te betreden. Gelet op hetgeen in r.o. 5 is overwogen, hanteren verzekeraars hiermee, naar het oordeel van het hof, een te beperkte uitleg van het begrip onmiddellijk dreigend gevaar als bedoel in artikel 283 K. Voldoende is dat sprake is van een reëel gevaar voor schade dat slechts door het nemen van een bijzondere maatregel kan worden weggenomen. Zoals in r.o. 5 is overwogen, is het hof van oordeel dat in de omstandigheden van dit geval aan deze maatstaf is voldaan. Het gevaar behoefde derhalve niet dermate dreigend te zijn dat dit nog slechts kon worden afgewend door directe sluiting en ontruiming van de woningen. Anders dan verzekeraars, ziet het hof dan ook geen aanleiding voor een bevel tot overlegging van het gehele Draaiboek asbestverwijdering Staedion van 4 februari 2000. Eventuele historische gegevens met betrekking tot asbestcontaminaties en getroffen maatregelen zijn als zodanig niet van belang. Immers, vast staat dat Staedion eerst tot risico-inventarisatie van de onderhavige woningen is overgegaan naar aanleiding van de constatering van ernstige asbestbesmetting in de AWV-woningen. Er zijn geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat Staedion al vóór die risico-inventarisatie op grond van deugdelijk uitgevoerd, specifiek onderzoek kennis droeg van een reëel gevaar voor de gezondheid in de onderhavige woningen.

12. Volgens verzekeraars had Staedion niet (alleen) op het advies van BME mogen afgaan, omdat de in (slechts) twee woningen (behorend tot complex 18) genomen steekproeven niet representatief waren voor het totale aantal bij de onderhavige sanering betrokken woningen. Ook deze stelling faalt. Bij gebreke van algemeen geldende, concrete normen op het punt van representativiteit, mocht Staedion in redelijkheid afgaan op de representativiteit van het onderzoek zoals dit door BME, een terzake kundig bureau, volgens de (destijds algemeen erkende) methode BRL 5052 is uitgevoerd. Daarnaast heeft BME blijkens de inleiding van haar rapporten met betrekking tot de drie betrokken complexen, ook rekenschap afgelegd van de representativiteit van haar onderzoek, door er telkens op te wijzen dat woningen van verschillende typen zijn onderzocht op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen en dat deze woningen representatief worden geacht voor de aanwezigheid van asbesthoudende materialen in alle woningen van het betreffende type. Verzekeraars hebben die visie niet weerlegd. Hier komt bij dat verzekeraars na melding van de schade en nog voor uitvoering van de sanering een eigen expert, mr. drs. H.A.J. Tevonderen van Mc Larens Toplis, hebben aangewezen, die blijkens de stukken nauw bij de sanering betrokken is geweest (zie onder meer producties 14 en 17 bij akte d.d. 23 januari 2003). Gesteld noch gebleken is dat verzekeraars (of hun expert) hebben aangedrongen op (enig) uitstel van sanering in afwachting van verdere monsternames, hetgeen op hun weg had gelegen. Ook het verweer van verzekeraars dat BME een commercieel belang had bij sanering gaat in dit verband niet op. Het enkele feit dat BME tegen een zekere vergoeding toezicht zou houden op (eventuele) sanering is onvoldoende om in redelijkheid aan te nemen dat Staedion destijds had moeten twijfelen aan de betrouwbaarheid van het advies.

13. Het betoog van verzekeraars dat Staedion de schade niet tijdig bij verzekeraars heeft gemeld, faalt. Vast staat dat melding heeft plaatsgevonden op 3 februari 2000, dat wil zeggen binnen drie weken na ontvangst van de eerste resultaten van de luchtmetingen van BME op 14 januari 2000. Gelet op het feit dat Staedion als verzekerde op grond van de redelijkheid en billijkheid voldoende tijd moet worden gegund om die resultaten (intern) te kunnen beoordelen en bespreken, acht het hof die melding, ook gezien artikel 25 lid 4 en lid 5 van de verzekeringsvoorwaarden (producties 1 en 2 bij conclusie van eis), waarin een periode van drie maanden respectievelijk drie jaar is vermeld, tijdig. In elk geval hebben verzekeraars hun stelling dat zij in hun belangen zijn geschaad doordat de melding niet met bekwame spoed heeft plaatsgevonden, onvoldoende onderbouwd tegen de achtergrond van het feit dat zij - door tussenkomst van de hiervoor genoemde expert – nauw betrokken zijn geweest bij de schadevaststelling en de sanering. Het enkele feit dat Staedion al op 2 februari 2000 aan de bewoners van de Strausslaan (complex 18) een plan van aanpak ter zake van de sanering had gestuurd doet hier niet aan af. Gesteld noch gebleken is immers dat verzekeraars (of hun expert) destijds inhoudelijke bezwaren hadden tegen dit plan dan wel voorstellen hebben gedaan die vanwege het tijdsverloop niet meer konden worden ingewilligd. Een algemeen voorbehoud ten aanzien van dekking volstaat in dit verband niet.

14. Aangezien het hof mitsdien van oordeel is dat sprake is van bereddingskosten in de zin van artikel 283 K, slagen de grieven op dit punt. Nu dit oordeel ziet op het voorkomen van personenschade, behoeft (de subsidiaire) stelling van Staedion dat (tevens) sprake is van bereddingskosten ter afwending van zaakschade, alsmede het daartegen gevoerde verweer, geen behandeling. Het slagen van dit onderdeel van de grieven betekent evenzeer dat de overige verweren van verzekeraars, voor zover nog van belang, alsnog dienen te worden behandeld.

15. Verzekeraars hebben gesteld dat hen een beroep toekomt op de milieuclausule vervat in artikel 22 van de verzekeringsvoorwaarden. Hierin is bepaald dat niet zijn gedekt aanspraken tot vergoeding van schade in verband met verontreiniging en/of aantasting van bodem, lucht of water, tenzij deze verontreiniging en/of aantasting het gevolg is van een plotselinge onzekere gebeurtenis. Verzekeraars voeren daartoe het navolgende aan. De strekking van deze clausule is om schade in verband met verontreiniging van (onder andere) lucht van dekking uit te sluiten, tenzij deze verontreiniging een plotselinge onzekere gebeurtenis vormt, waarvan hier geen sprake is. Het lijdt volgens verzekeraars geen twijfel dat personenschade alleen zou kunnen ontstaan door verontreiniging van de lucht met asbestvezels en vervolgens inademing daarvan. Verzekeraars achten het aannemelijk dat van zodanige verontreiniging reeds sprake moet zijn geweest gedurende lange tijd, vanaf het moment dat de asbestvezels door gebruik van de woningen hebben kunnen vrijkomen, en dat nooit een relatie zal kunnen worden gelegd tussen het moment van gebruik, het loskomen en het mogelijk inademen van een vezel. Bovendien kan inademing van een vezel ook elders dan in één van de woningen hebben plaatsgevonden. Bedoeld is een ruime uitsluitingsgrond. Voldoende is dat er enig verband bestaat met verontreiniging van lucht. Reeds op deze gronden valt personenschade als bedoeld buiten de dekking van de polis, aldus verzekeraars.

Staedion heeft een en ander gemotiveerd weersproken.

16. Het hof is van oordeel dat het bij de uitleg van een contractuele bepaling als deze aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar (aan inzicht) mochten verwachten (hierna ook te noemen: de Haviltex-maatstaf). Bij gebreke van concrete feiten en/of omstandigheden die daarop wijzen, acht het hof het niet aannemelijk dat het beding als vervat in artikel 22 zo ruim moet worden opgevat dat voor uitsluiting van dekking voldoende is dat er enig verband bestaat met verontreiniging van lucht. In het onderhavige geval gaat het om niet-hechtgebonden asbest dat als bouwmateriaal in huurwoningen is verwerkt en dat na vrijkoming in de lucht die zich in die woningen bevindt - bij inademing - een gevaar voor de gezondheid van de bewoners kan opleveren. Een verzekerde als Staedion behoefde, ook wanneer zij door een professionele tussenpersoon werd bijgestaan, bij het sluiten van de verzekering in redelijkheid niet te verwachten dat een dergelijk specifiek geval onder de uitsluiting van dit beding zou vallen, te minder daar bij “verontreiniging van lucht” in het algemeen eerder zal worden gedacht aan luchtverontreiniging die in het buitenmilieu (de atmosfeer) aanwezig is. Het beroep op artikel 22 van de verzekeringsvoorwaarden faalt derhalve.

17. Verzekeraars hebben voorts gesteld dat Staedion niet geacht kan worden aansprakelijk te zijn jegens haar huurders voor personenschade of zaakschade, zodat van gedekte schade in de zin van de polis geen sprake is. Deze stelling wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof valt in redelijkheid aan te nemen dat Staedion, bij gebreke van het treffen van saneringsmaatregelen na het dringende advies van BME, uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk zou zijn geweest jegens de betrokken huurders (en/of de betrokken overige bewoners) in geval van (daadwerkelijke) gezondheidsschade veroorzaakt door asbestbesmetting in de woningen. Deze specifieke aansprakelijkheid in verband met gevaarzetting valt naar haar aard overigens niet onder de primaire (contractuele) prestatieplicht van Staedion als verhuurder jegens haar huurders, te weten het ter beschikking stellen van woonruimte. Tegen deze achtergrond ziet het hof in de omstandigheden van dit geval geen aanknopingspunt om aan te kunnen nemen dat (met toepassing van de Haviltex-maatstaf) hier redelijkerwijs gesproken kan worden van de vervanging van een ondeugdelijke prestatie in de zin van artikel 20 van de verzekeringsvoorwaarden. Overigens hebben verzekeraars hun beroep op deze clausule niet nader gespecificeerd, ondanks verzoek daartoe van Staedion (zie pleitnota eerste aanleg mr. A.R. van de Veen sub 8.3).

18. Anders dan verzekeraars menen, is in redelijkheid ook niet aan te nemen dat een eventueel beroep door Staedion op artikel 9.1 van de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst van Patrimonium (uitgave 31 augustus 1998) ten opzichte van haar huurders doel zou hebben getroffen. Ervan uitgaande dat in de specifieke omstandigheden van dit geval, zoals in de vorige rechtsoverweging is bedoeld, (tevens) sprake zou zijn geweest van een onrechtmatige daad jegens de huurders, zou een beroep op die contractuele bepaling Staedion niet hebben gebaat. Overigens wijst het hof erop dat ook binnen de contractuele huurverhouding(en) een beroep op deze (exoneratie-)clausule in de hiervoor bedoelde specifieke omstandigheden, naar redelijke verwachting, geen kans van slagen zou hebben gehad.

19. Verzekeraars hebben tevens een beroep gedaan op artikel 15 van de verzekeringsvoorwaarden. Volgens verzekeraars is de schade met (uitdrukkelijk) goedvinden van Staedion veroorzaakt, daar Staedion heeft nagelaten maatregelen te treffen terwijl zij bekend was met de risico’s van asbest. Het hof verwerpt dit betoog. Immers, eerst na het dringende advies van BME om tot sanering van de onderhavige woningen over te gaan, kon Staedion redelijkerwijs op de hoogte zijn van de ernst van het onderhavige, specifieke gevaar van asbestbesmetting. Het enkele gegeven dat Staedion (althans Patrimonium) al dertig jaar wist dat er asbest in de woningen was verwerkt, levert geen zodanige bekendheid op, te minder daar het inzicht in de gezondheidsgevaren van (niet hechtgebonden) asbest dat in woningen is verwerkt in het algemeen eerst geleidelijk is ontstaan. Dit blijkt bij voorbeeld uit het feit dat eerst bij de wijziging van de Regeling Bouwbesluit materialen in 1998 in de betreffende regelgeving aandacht aan dit specifieke gevaar is besteed. Er is dan ook evenmin grond voor de stelling dat een beroep op de verzekeringsvoorwaarden door Staedion in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

20. Al het voorgaande leidt ertoe dat de grieven slagen en dat, met vernietiging van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vorderingen van Staedion op grond van de verzekeringsovereenkomst(en) toewijsbaar zijn.

De oorspronkelijk door Staedion gevorderde bedragen zijn door verzekeraars erkend en zullen als zodanig worden toegewezen.

21. De wettelijke rente over de oorspronkelijk gevorderde bedragen is aan Royal Nederland Schadeverzekering N.V. aangezegd tegen 2 juni 2001 en tegen Fortis Corporate Insurance N.V. tegen 27 september 2001. Naar het oordeel van het hof kan de aanzegging tegen de eerst genoemde verzekeraar niet tevens gelden als een aanzegging tegen de laatst genoemde, nu beide verzekeraars zelfstandig een standpunt ter zake van dekking dienen in te nemen en zij daartoe beiden behoren te worden aangeschreven.

22. De aanvullende bedragen, als gevorderd bij akte houdende vermeerdering van eis d.d. 23 januari 2003, betreffen expertisekosten van Hettema en Disselkoen in verband met de uitgevoerde saneringswerkzaamheden. Die kosten zijn genoegzaam onderbouwd (productie 40 bij die akte) en onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zij zullen worden toegewezen als gevorderd, inclusief de daarover verschuldigde wettelijke rente.

23. De gevorderde verklaring voor recht mist zelfstandig belang en zal om die reden worden afgewezen.

24. De buitengerechtelijke incassokosten zijn genoegzaam onderbouwd en verder niet bestreden. Ook deze zullen worden toewezen.

25. Verzekeraars zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de proceskosten in beide instanties. De vordering tot hoofdelijke veroordeling in de proceskosten is onvoldoende onderbouwd, zodat de vordering op dit punt wordt afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als na te melden.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2003 en, opnieuw rechtdoende,

- veroordeelt Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. aan Staedion te voldoen een bedrag van € 187.221,54, te vermeerderen met € 3.584,86 aan buitengerechtelijke incassokosten en met de wettelijke rente over deze beide bedragen vanaf 2 juni 2001 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. aan Staedion te voldoen een bedrag van € 16.686,99, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van 6 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Fortis Corporate Insurance N.V. aan Staedion te voldoen een bedrag van € 124.814,06, te vermeerderen met € 2.389,15 aan buitengerechtelijke incassokosten en met de wettelijke rente over deze beide bedragen vana 27 september 2001 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Fortis Corporate Insurance N.V. aan Staedion te voldoen een bedrag van € 11.124,66, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van 6 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verzekeraars in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van Staedion begroot op € 3.772,59 aan verschotten en € 7.759,62 aan salaris van de procureur;

- veroordeelt verzekeraars in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Staedion begroot op € 4.824,-- aan verschotten en € 9.789,-- aan salaris van de procureur;

- bepaalt dat verzekeraars voormelde bedragen aan proceskosten dienen te betalen binnen drie weken na betekening van dit arrest, bij gebreke waarvan zij na die periode in verzuim zullen zijn en de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zullen zijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, P.M. Verbeek en A.G. Beets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2005 in bijzijn van de griffier.