Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:BB0854

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
815-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorafgaand aan HR LJNummer BA5316. Ondanks het feit dat de vader in hoger beroep zijn draagkracht ter discussie heeft gesteld, komt het hof tot de conclusie dat hij de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie kan voldoen. De door de vader gestelde medische beperkingen, alsmede het feit dat zijn partner geen vast maandelijks inkomen heeft, zijn niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 23 november 2005

Rekestnummer : 815-H-05

Rekestnr. rechtbank : 04-7226

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. M.L. Kleyn.

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. F.A.M. Engels,

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 12 juli 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 24 mei 2005.

De moeder heeft op 11 oktober 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 12 augustus 2005 en 12 oktober 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Op 26 oktober 2005 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaak bekend onder rekestnummer 356-H-05. Verschenen zijn: namens de moeder, mr. A.J. van Duijne Strobosch, en namens de vader, zijn procureur. De vader en de moeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De raadslieden van partijen hebben het woord gevoerd.

Zoals ter terechtzitting met de raadslieden van partijen is afgesproken, wordt de inhoud van de stukken, ingediend in de zaak met rekestnummer 356-H-05, als hier herhaald en ingelast beschouwd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

Uit het op 20 november 1991 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn de volgende kinderen geboren:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 1986, verder: [de minderjarige sub 1], en

[de minderjarige sub 2], geboren [in] 1989, verder: [de minderjarige sub 2].

De kinderen verblijven bij de moeder.

Bij het echtscheidingsvonnis van 15 oktober 1991 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage de zaak voor wat betreft de kinderalimentatie aangehouden.

Bij beschikking van 23 maart 1992 heeft de rechtbank de moeder belast met de voogdij over de kinderen en de kinderalimentatie ten laste van de vader voorlopig vastgesteld op ƒ 300,-

(€ 136,13) per maand per kind. De behandeling van de definitieve kinderalimentatie is voor onbepaalde tijd aangehouden, waarbij de meest gerede partij in de gelegenheid is gesteld een behandeling te vragen.

Na 1992 hebben partijen zich tijdelijk verzoend. [In] 1994 is een derde kind van partijen geboren: [de minderjarige sub 3], verder: [de minderjarige sub 3]. In 1996 is aan de hernieuwde relatie een einde gekomen.

Bij beschikking van 21 januari 2003 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage de kinderalimentatie met ingang van 27 augustus 2002 bepaald op € 181,51 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De vader heeft tegen laatstgenoemde beschikking hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 25 februari 2004 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover het de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 1] betreft. Voorts heeft het hof het verzoek van de moeder tot vaststelling van een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 1] – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank van 23 maart 1992 – afgewezen. Voornoemde beschikking is door het hof voor het overige bekrachtigd.

Op 5 oktober 2004 heeft de vader de rechtbank te ’s-Gravenhage verzocht te bepalen dat zijn plicht tot het betalen van kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2004 of met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht is beëindigd. Subsidiair verzoekt de vader de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2004 vast te stellen op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. De moeder heeft geen verweer gevoerd.

Nadien heeft de moeder op 17 december 2004 de rechtbank te ’s-Gravenhage verzocht de door de vader aan haar te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 3] vast te stellen op € 181,51 per maand. De vader heeft verweer gevoerd.

Bij beschikking van 21 december 2004 heeft de rechtbank – met wijziging van de beschikking van 21 januari 2003 – de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 2] met ingang van 25 februari 2004 bepaald op nihil.

De vader heeft tegen laatstgenoemde beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof te ’s-Gravenhage (bekend onder zaaknummer 356-H-05).

Bij de bestreden beschikking van 24 mei 2005 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 3] met ingang van 24 mei 2005 bepaald op € 181,51 per maand.

BEOORDELING

1. In geschil is de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 3].

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige sub 3] vast te stellen op nihil.

3. De moeder heeft het verzoek van de vader gemotiveerd weersproken. Zij heeft verzocht het verzoek van de vader niet ontvankelijk te verklaren, danwel hem dit te ontzeggen onder veroordeling van de vader in de kosten van dit geding.

4. De vader heeft de behoefte van [de minderjarige sub 3] aan een bijdrage in zijn levensonderhoud niet weersproken. De behoefte van [de minderjarige sub 3] staat hiermee vast.

5. De vader heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te voldoen.

6. Bij beschikking van 25 februari 2004 ter zake de kinderalimentatie betreffende [de minderjarige sub 2] heeft dit hof de verdiencapaciteit van de vader vastgesteld op € 1.200,- netto per maand te vermeerderen met vakantiegeld. In onderhavige procedure heeft de vader betoogd dat hij thans leeft van een WW uitkering van circa € 764,- netto per vier weken exclusief vakantiegeld. Het hof acht de vader redelijkerwijs in staat om een inkomen van € 1.200,- netto per maand te verwerven. Gezien de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is op zijn minst een zelfde inkomen als bij zijn vorige werkgever kan genereren hetgeen, mede gelet op de hoge prioriteit van kinderalimentatie, wel van hem kan worden verwacht. Het hof neemt daarbij in overweging dat de vader thans 40 jaar oud is en in het verleden heeft gewerkt onder meer bij [naam werkgever] en in de agrarische sector. De stelling van de vader dat hij medische beperkingen ondervindt om arbeid te verrichten, is door hem niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.

7. Het hof beschouwt de vader als een alleenstaande, nu hij betreffende zijn partner geen bewijsstukken heeft overgelegd. Naar het oordeel van het hof dient deze partner in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, temeer nu de vader in zijn verweerschrift heeft aangegeven dat zijn huidige partner incidenteel werkt voor uitzendbureaus. De stelling van de vader dat het inkomen van zijn huidige partner geen vast maandelijks inkomen betreft, is door hem onvoldoende onderbouwd.

8. De vader heeft nog de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

- € 193,- ter zake huur en

- € 60,- ter zake ziektekosten.

Het hof houdt bij de bepaling van de draagkracht van de vader rekening met voornoemde lasten, nu deze niet door de moeder zijn betwist.

9. Met de door de vader genoemde nog openstaande vorderingen, houdt het hof geen rekening omdat door de vader op deze vorderingen niet wordt afbetaald. Overigens heeft de vader deze vorderingen niet opgenomen in zijn overgelegde draagkrachtberekeningen.

10. Nu partijen niets hebben gesteld ten aanzien van de ingangsdatum, zal het hof hieromtrent aansluiting zoeken bij de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum.

11. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vader in staat kan worden geacht een kinderalimentatie voor [de minderjarige sub 3] te voldoen van € 181,51 per maand met ingang van 24 mei 2005. Het hof houdt daarbij rekening met het feit dat de vader vanaf 5 oktober 2004 gehouden is om tevens een kinderalimentatie te voldoen voor [de minderjarige sub 2]. Het hof verwijst daarbij naar haar beschikking van heden met rekestnummer 356-H-05.

12. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Nievelt, Dusamos en Husson, bijgestaan door mr. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2005.