Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AZ2436

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
17-11-2006
Zaaknummer
124-D-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betekening echtscheidingsbeschikking onjuist. Ontvankelijk in appel. Behoefte ter zitting onderbouwd. Gebrek aan draagkracht niet gestaafd. € 1.250,- alimentatie per maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 oktober 2006

Rekestnummer. : 124-D-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 04-7089

[verzoeker],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. K. Aantjes,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. G.J. Schuurman.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 januari 2006 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Dordrecht van 16 juni 2004, welke beschikking hem bekend is geworden door middel van een schrijven van 14 december 2005 van de advocaat van de vrouw.

De vrouw heeft op 10 april 2006 een verweerschrift ingediend.

Op 26 juli 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C.A.T. Philipsen, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. H.J.C. de Waard. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te Dordrecht.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. Het hof overweegt met betrekking tot de beroepstermijn voor het instellen van hoger beroep als volgt. De man is in eerste aanleg niet verschenen. De termijn van drie maanden voor het instellen van hoger beroep gaat in dat geval lopen vanaf het moment dat de man kennis heeft genomen van de bestreden uitspraak. De vrouw stelt dat de bestreden uitspraak op 4 juli 2004 is betekend en vervolgens bekend is gemaakt in Dagblad [x]. Ter staving van haar stelling heeft zij een kopie van de betekening en de advertentie overgelegd. De man heeft opgemerkt dat het exploot niet overeenkomstig artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is betekend, nu de naam van de advocaat van de man, die zo heeft de man onweersproken gesteld, bekend was bij de wederpartij, daarin niet is vermeld. De man stelt dat hij op 15 december 2005, door middel van een schrijven van de advocaat van de vrouw, voor het eerst kennis heeft genomen van de bestreden beschikking. De vrouw heeft niet bestreden dat de man op deze wijze kennis heeft genomen van de bestreden beschikking. Het hof overweegt als volgt. Uit de advertentie in Dagblad [x] volgt dat is betekend een beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 16 juni 2004, waarbij de echtscheiding tussen hen is uitgesproken en dat een exploot is verkrijgbaar bij de Deurwaarder. Uit het inleidend verzoekschrift volgt dat de echtscheidingsbeschikking op 19 november 2003 tussen partijen is uitgesproken. Uit de bestreden beschikking van 16 juni 2004 volgt dat die slechts betrekking heeft op de partneralimentatie en niet op de echtscheiding zoals vermeld in de advertentie in het Dagblad [x]. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen kleven er aan de betekening zodanige gebreken dat deze niet heeft plaatsgevonden conform de in de wet gestelde vereisten. Het hof is op basis van het vorenstaande van oordeel dat de man tijdig - de termijn liep af op 15 maart 2006 - hoger beroep heeft ingesteld.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

2. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

3. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen.

4. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen, alsmede de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel opnieuw beschikkende, een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen als het hof vermeent te behoren, welke de man dient te voldoen met ingang van 16 juni 2004, dan wel met ingang van een datum als het hof vermeent te behoren. Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5. Het hof overweegt als volgt. In de toelichting op zijn grief voert de man aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren tegen het verzoek van de vrouw in eerste aanleg. De vrouw heeft volgens de man misbruik gemaakt van haar procesbevoegdheid door hem niet volledig op de hoogte te stellen van de alimentatieprocedure. Op grond daarvan stelt de man dat de vrouw alsnog niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar verzoek. Het hof verwerpt dit betoog van de man, nu het hoger beroep er juist toe dient om mogelijke fouten of omissies uit de eerste aanleg te herstellen. De man is naar het oordeel van het hof dan ook niet in zijn belangen geschaad.

6. Voorts stelt de man dat de rechtbank ten onrechte een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw heeft vastgesteld van € 1.250,- per maand. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Bovendien is de man van oordeel dat de vrouw de hoogte van haar behoefte niet aannemelijk heeft gemaakt. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

7. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft ter zitting, desgevraagd, haar behoefte aan een bijdrage ten laste van de man van € 1.250,- per maand onderbouwd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat partijen ten tijde van hun huwelijk in een twee-onder-een-kapwoning woonden, ieder een eigen auto hadden en, vroeger althans, regelmatig op vakantie gingen. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat zij, in de goede jaren van hun huwelijk, een bedrag van € 300,- per maand aan kleding uitgaf, alsmede een gelijk bedrag aan eten en drinken. De man heeft de welstand ten tijde van het huwelijk van partijen, zoals de vrouw die ter zitting heeft weergegeven, niet gemotiveerd weersproken. Tussen partijen staat vast dat de vrouw op dit moment geen inkomen geniet; zij ontvangt geen bijstandsuitkering. De vrouw heeft verklaard dat het, vanwege haar lichamelijke klachten (zij heeft een longaandoening alsmede een reumatische aandoening) en haar leeftijd, zeer moeilijk is passend werk te vinden. De inschrijving bij het CWI heeft niets opgeleverd, aldus de vrouw. De man heeft ter zitting erkend dat het voor de vrouw, gezien haar leeftijd, moeilijk is werk te vinden. Daarbij heeft de man opgemerkt dat de situatie nu anders is dan tijdens het huwelijk. Het hof acht het op basis van het vorenstaande aannemelijk dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage ten laste van de man van € 1.250,- per maand. Aan de stelling van de man dat de vrouw over enig vermogen beschikt, gaat het hof voorbij, nu ook de man zijn deel van de overwaarde van de echtelijke woning heeft ontvangen. Voor zover de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw nog over ander vermogen beschikt, stelt het hof vast dat daarvan niet is gebleken.

8. De man stelt tot slot dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen. De vrouw heeft zijn stelling gemotiveerd betwist.

9. Het hof is van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn draagkracht een partneralimentatie ten behoeve van de vrouw niet toelaat. De man stelt dat hij vroeger een architectenbureau heeft gehad en dat hij daarna, tot 2003, op freelancebasis bij keuken- en badstudio’s heeft gewerkt. Voorts heeft de man gesteld dat hij nadien zonder werk is komen te zitten. Het hof is van oordeel dat de man zijn stellingen ter zake van zijn draagkracht niet aannemelijk heeft gemaakt, nu hij die op geen enkele wijze heeft gestaafd met stukken en de vrouw heeft betwist dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage aan haar te voldoen. De man stelt dat de vrouw altijd de administratie heeft gedaan, waardoor zij alle stukken onder zich heeft. De vrouw heeft betwist dat zij over alle stukken beschikt. Zij stelt dat zij de boekhouding bij de boekhouder heeft gebracht. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat de man voldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie aan de vrouw te voldoen.

10. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

11. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de vrouw is verzocht, de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en zal dit verzoek dan ook afwijzen.

12. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Husson, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2006.