Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AY5146

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
27-07-2006
Zaaknummer
311-M-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA3527, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BA3527
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen echtscheiding afgewezen nu duurzame ontwrichting wordt ontkend. De vrouw wordt alsnog in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren over door de man betwiste inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 9 november 2005

Rekestnummer : 311-M-05

Rekestnr. rechtbank : 405/04

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.L. Kleyn,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. R.Th.R.F. Carli.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 14 maart 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Middelburg van 15 december 2004.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 13 mei 2005 en 20 en 21 september 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 20 september 2005 stukken ingekomen.

Op 28 september 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. R.A.A. Maat, en de man, bijgestaan door mr. J.A.M. Dietvorst, die ter zitting mr. R.Th.R.F. Carli als zijn procureur heeft gesteld. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Bij brief van 30 september 2005 heeft mr. Dietvorst - conform afspraak ter zitting - de bovengenoemde procureurstelling schriftelijk bevestigd.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen, met elkaar gehuwd op 15 augustus 1975, de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is onder meer bepaald dat de vrouw, indien zij op het ogenblik van de inschrijving van de beschikking de woning [adres] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na die inschrijving voort te zetten. Voorts is onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 574,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. De wettelijke indexering voor het jaar 2005 is uitgesloten.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, echter uitsluitend en alleen indien en voorzover de door de man aan haar te betalen alimentatie zal worden bepaald op € 1.200,- per maand of meer, en de overige verzoeken van de vrouw (II tot en met V) alsnog worden toegewezen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren, met veroordeling van de man in de kosten van dit hoger beroep. In eerste aanleg heeft de vrouw onder meer het volgende verzocht:

“I In het huwelijk van partijen de echtscheiding uit te spreken.

II Te bepalen dat de echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] aan de vrouw wordt toegescheiden, althans dat zij bij uitsluiting van de man zal zijn gerechtigd daar te verblijven.

III De man te veroordelen om in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag te betalen van € 4.000,- per maand.

IV Ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap uit te spreken.

V Deze beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren”.

2. In hoger beroep stelt de vrouw dat zij wilde scheiden indien de nevenverzoeken tenminste grotendeels zouden worden toegewezen. Nu de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken en een alimentatie beneden de bijstandsnorm heeft vastgesteld, wenst de vrouw de consequenties van een echtscheiding niet te aanvaarden en is zij feitelijk genoodzaakt gehuwd te blijven. De vrouw stelt als voorwaarde dat aan haar tenminste een alimentatie van € 1.200,- per maand dient te worden toegekend. Zij voert daartoe aan dat de man niet alleen aanzienlijke neveninkomsten heeft uit de autohandel doch daarnaast jarenlang een deel van zijn omzet buiten de boeken heeft gehouden. De vrouw stelt dat het inkomen van de man altijd substantieel hoger is (geweest). De vrouw biedt van een en ander bewijs aan door middel van getuigenverklaringen waaronder de in het beroepschrift genoemde getuigen maar ook haar eigen getuigenverklaring. Meer in het bijzonder beoogt de vrouw te bewijzen dat de man een aanzienlijke handel in Oldtimers had opgezet, in stand hield en houdt, en dat de man daarmee aanzienlijke neveninkomsten gehad moet hebben. Daarenboven beoogt de vrouw aan te tonen dat grote delen van de omzet niet werden verantwoord en dat de man uit dien hoofde een aanzienlijk kapitaal zal hebben opgebouwd of toch in elk geval steeds aanmerkelijk meer zal hebben verdiend dan hij heeft opgegeven. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte haar bewijsaanbod heeft gepasseerd. De vrouw handhaaft haar standpunt dat de man op jaarbasis tenminste € 50.000,- extra inkomsten had en heeft, gezien het uitgavenpatroon van partijen in het verleden.

DE ECHTSCHEIDING

3. In haar inleidende verzoek heeft de vrouw zelf gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Niet gesteld, noch gebleken is dat de vrouw in hoger beroep ten aanzien van de duurzame ontwrichting een ander standpunt heeft ingenomen, doch zij wil het al dan niet uitspreken van de echtscheiding afhankelijk stellen van de hoogte van de door de man aan haar te betalen alimentatie. Nu naar het oordeel van het hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen vaststaat en de man de duurzame ontwrichting niet heeft weersproken, treft het beroep van de vrouw in zoverre geen doel en dient de bestreden beschikking derhalve in zoverre te worden bekrachtigd.

ALIMENTATIE

4. Vaststaat dat de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie (€ 574,- per maand) heeft gebaseerd op de door de man in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening, gedateerd 4 oktober 2004. Blijkens die berekening is de man van de volgende financiële gegevens uitgegaan: een bruto bedrijfsresultaat van € 33.050,-, een eigenwoningforfait van € 1.005,-, aftrekbare rente op een hypothecaire lening van € 6.099,-, de op hem van toepassing zijnde heffingskortingen en de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Voorts heeft de man de volgende maandlasten opgevoerd: € 508,- rente op een hypothecaire lening, € 95,- forfait overige eigenaarslasten, € 103,- premie ziektekostenverzekering en € 251,- premie levensverzekering.

5. De vrouw heeft de draagkrachtberekening van de man niet betwist, doch stelt dat de man op jaarbasis tenminste € 50.000,- aan extra inkomsten had en heeft. De man heeft die stelling uitdrukkelijk betwist. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of, zoals de vrouw stelt, de man aanzienlijke neveninkomsten heeft uit de autohandel die hij niet c.q. onvolledig verantwoordt in zijn jaarstukken, naast het feit dat de man jarenlang een deel van zijn omzet buiten de boeken heeft gehouden. De vrouw heeft aangeboden om haar stelling, dat de man een aanzienlijke handel in oldtimers had opgezet, in stand hield en houdt en dat hij daarmee aanzienlijke neveninkomsten gehad moet hebben, te bewijzen middels getuigenverklaringen van haarzelf en vijf andere getuigen. Het hof zal de vrouw toelaten tot het door haar gedane getuigenbewijs.

6. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken;

alvorens verder te beslissen:

laat de vrouw toe, door middel van een getuigenverhoor, het bewijs te leveren van haar stelling dat de man op jaarbasis tenminste € 50.000,- extra inkomsten had en heeft uit de door hem gedreven autohandel;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in één der zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage, ten overstaan van mr. A.N. Labohm als raadsheer-commissaris, op een door de raadsheer-commissaris te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat de vrouw binnen drie weken na de datum van deze beschikking de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de procureur van de man en aan de griffier dient op te geven en voor oproeping van de getuigen dient zorg te dragen;

bepaalt dat partijen binnen drie weken na de datum van deze beschikking opgave van hun verhinderdata aan de griffier dienen te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van Nievelt en Reinking, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2005.