Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AY4771

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
BK-04/01736
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bpm; Besluit van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574AM wekt vertrouwen. Naheffingsaanslag vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

negende enkelvoudige belastingkamer

3 juni 2005

nummer BK-04/01736

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Douane Noord , op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen, met dagtekening 18 november 2003 en met aanslagnummer [nr. 1] of [nr. 2], en de daarbij genomen boetebeschikking.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 mei 2005, gehouden te Den Haag. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld door P, en namens de Inspecteur Q.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- vernietigt de boetebeschikking;

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 136 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Uit de stukken van het geding en hetgeen partijen ter zitting over en weer hebben aangevoerd dan wel niet of onvoldoende weersproken hebben gesteld, merkt het Hof de in de punten 2 tot en met 11 weergegeven feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2. Belanghebbende, woonachtig in Nederland, heeft de douane in een telefonisch onderhoud op 12 december 2001 verzocht, in verband met een door hem in België opgezet bedrijf, om uitreiking van een formulier ten behoeve van het aanvragen van een vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) voor een Belgisch gekentekende auto. Bij brief van diezelfde datum is hem het formulier toegezonden.

3. Bij het door hem volledig ingevulde formulier, dat hij heeft verzonden op 14 februari 2002, heeft belanghebbende de belastingdienst verzocht om een vrijstelling van BPM voor het in Nederland gebruiken van een huurauto, te weten een personenauto van het merk Mercedes en het type 220 CDI Avantgarde, van het bouwjaar 2001 en met het Belgische kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes).

4. Bij brief van 8 maart 2002 deelt de douane belanghebbende het volgende mee:

"Op 12 december 2001 is aan u een aanvraagformulier toegezonden ter bekoming van een vrijstellingsvergunning voor Belasting op Personenauto's en Motorrijwielen (BPM) in het kader van woon/werkverkeer i.g.v. art. 2 (of 3) van het Uitvoeringsbesluit BPM. Tot op heden heb ik van u nog geen reactie vernomen c.q. het volledig ingevulde aanvraagformulier retour mogen ontvangen. Ik beschouw uw verzoek als zijnde niet gedaan en leg het terzijde.

Wellicht ten overvloede maak ik u erop attent dat het voor een inwoner van Nederland niet is toegestaan, in Nederland, een motorrijtuig te bezigen dat voorzien is van een buitenlands kenteken en het motorrijtuig ook in dat land geregistreerd is. Hiermee maakt u zich schuldig aan een strafbaar feit hetgeen inbeslagname van het motorrijtuig en een boete kan betekenen."

5. Inmiddels had belanghebbende uit uitlatingen van de kant van de douane begrepen dat inwilliging van het vrijstellingsverzoek zou afstuiten op het ontbreken van een bewijs van inschrijving van belanghebbendes bedrijf in het Belgische handelsregister.

6. Daar met het afgeven van zo'n bewijs erg veel tijd is gemoeid, heeft belanghebbende ervan afgezien de aanvraagprocedure te vervolgen. In overleg met zijn zaakvoerder heeft hij besloten voor het vervoer in Nederland telkens gebruik te maken van een Nederlands gekentekende huurauto.

7. Op 22 maart 2003 moest belanghebbende voor zijn bedrijf een presentatie geven in Hamburg (Duitsland). Omdat hij toen door omstandigheden (autopech van een collega) niet over de Nederlands gekentekende huurauto kon beschikken, heeft hij voor de reis naar Hamburg gebruik gemaakt van de Mercedes. De avond daarvoor is hij met de Mercedes naar zijn woonplaats in Nederland gereden.

8. Op 22 maart 2003 is door ambtenaren van de douane geconstateerd dat belanghebbende met de Mercedes op de Rijksweg A 50 bij Beekbergen reed.

9. Naar aanleiding van die constatering is de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd. De naheffing beloopt een bedrag van € 9.983 aan BPM. De daarbij bij beschikking opgelegde boete bedraagt € 2.495 (vijfentwintig percent). Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

10. Met het op 28 november 2003 bij de douane ingekomen formulier heeft belanghebbende op de voet van artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 verzocht om een vrijstellingsvergunning voor de BPM met betrekking tot het gebruik van de Mercedes. Bij beschikking van 17 december 2003 is de gevraagde vergunning aan belanghebbende verleend, onder mededeling van de voorwaarde dat de auto enkel wordt gebruikt voor woon-werkverkeer.

11. Bij Besluit van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574M, Vakstudie Nieuws 2003/10.25 (hierna: het Besluit), deelt de staatssecretaris van Financiën het volgende mee:

"3. Buitenlands kenteken

3.1. Inleiding

De aanvang van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto of motorrijwiel door een inwoner van Nederland is een belastbaar feit voor de BPM. Als de belasting niet is voldaan, wordt bij constatering van het gebruik van de weg in beginsel een naheffingsaanslag opgelegd. Er kunnen zich echter verschillende situaties voordoen waarbij de vraag kan rijzen of de heffingsgevolgen van de BPM direct in volle omvang moeten optreden. Ik maak daarbij een onderscheid in een drietal situaties. Ten eerste de buitenlandse huurauto, ten tweede de situatie dat er een vrijstellingsvergunning is verleend (...), en ten derde de overige gevallen. In deze situaties, die hierna worden toegelicht, keur ik goed dat bij een eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg en onder de hierna omschreven voorwaarden de belanghebbende geen naheffingsaanslag wordt opgelegd, maar een 'Informatieformulier buitenlandse kentekens' wordt uitgereikt.

3.2. Buitenlands huurvoertuig

Algemeen

Voor het gebruik in Nederland van een door een Nederlands ingezetene in het buitenland gehuurde personenauto of motorrijwiel is onder voorwaarden een vrijstelling mogelijk. Deze vrijstelling is geregeld in artikel 4, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit BPM. De vrijstelling ziet uitsluitend op buitenlandse huurvoertuigen die in het buitenland zijn verhuurd aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam. Dat betekent dat de vrijstelling niet van toepassing is wanneer het buitenlandse huurvoertuig is verhuurd aan een in het buitenland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, die het ter beschikking stelt aan een Nederlands ingezetene. Buitenlandse huurauto's dan wel - motorrijwielen mogen door een Nederlands ingezetene twee dagen in Nederland worden gebruikt.

Huurvoertuig met op tweede dag eindigend huurcontract

Voor de vrijstelling geldt de voorwaarde dat het huurvoertuig uiterlijk aan het eind van de tweede dag buiten Nederland wordt gebracht dan wel wordt ingeleverd bij een Nederlandse vestiging van de verhuurmaatschappij. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan hoeft voor deze vrijstelling geen contact op te worden genomen met de inspecteur. Voor voertuigen die voor ten hoogste twee opeenvolgende dagen in Nederland worden gebruikt, kan in de praktijk worden volstaan met het op verzoek van de ambtenaar overleggen van het op de tweede dag eindigende huurcontract.

Vervangend huurvoertuig

(...)

Overige huurvoertuigen

Als wordt geconstateerd dat een Nederlands ingezetene die niet op de hoogte is van de geldende regels met betrekking tot een huurvoertuig met buitenlands kenteken gebruik maakt van de weg in Nederland met een dergelijk voertuig, terwijl niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan, geen op de tweede dag eindigend huurcontract wordt overgelegd en evenmin sprake is van een vervangend huurvoertuig als bedoeld in de vorige alinea, worden de regels uitgelegd en wordt een 'Informatieformulier buitenlandse kentekens' uitgereikt. De bestuurder wordt in de gelegenheid gesteld het voertuig weer buiten Nederland te brengen of in te leveren bij een Nederlandse vestiging van het verhuurbedrijf uiterlijk de dag volgend op de constatering. Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene aan wie al eerder een 'Informatieformulier buitenlandse kentekens' is uitgereikt, dan wel degene die uit hoofde van zijn functie of van door hem ontplooide activiteiten op de hoogte is of behoort te zijn met de toepassing van de Wet BPM. Als dus wordt geconstateerd dat een dergelijke persoon in een niet in Nederland geregistreerd huurvoertuig gebruik maakt van de weg in Nederland, terwijl niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan, geen BPM is voldaan, geen op de tweede dag eindigend huurcontract wordt overgelegd en evenmin sprake is van een vervangend voertuig zoals hiervoor bedoeld, wordt aan deze persoon een naheffingsaanslag opgelegd. (...)

(...)

3.4. Overige situaties buitenlands kenteken

Voor overige situaties waarin een inwoner van Nederland met een niet in Nederland geregistreerd voertuig gebruik maakt van de weg in Nederland voorziet de regelgeving niet in een vrijstelling. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebruik van de weg door een Nederlands ingezetene met:

(...)

- een niet in Nederland geregistreerd voertuig van een buitenlandse werkgever of het hoofd van een buitenlandse onderneming, terwijl aan deze persoon geen vergunning is verleend voor een vrijstelling ingevolge artikel 2 of artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM. Voor dergelijke situaties keur ik goed dat, met inachtneming van de hierna te noemen beperkingen, ingeval van eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland aan degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft niet onmiddellijk een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Deze persoon kan in de gelegenheid worden gesteld de personenauto of het motorrijwiel alsnog in Nederland te registreren en de BPM te voldoen dan wel binnen de gestelde termijn een vrijstellingsvergunning aan te vragen of het voertuig weer buiten Nederland te brengen. Hiertoe wordt aan hem een 'Informatieformulier buitenlandse kentekens' uitgereikt. Wanneer een vrijstellingsvergunning wordt aangevraagd en blijkt dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt alsnog de gelegenheid geboden de BPM te voldoen of het voertuig weer buiten Nederland te brengen. Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat aan hem eerder een 'Informatieformulier buitenlandse kentekens' was uitgereikt, bekend was of behoorde te zijn met de toepassing van de Wet BPM. (...)

(...)"

12. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Partijen houdt wat dat betreft in het bijzonder verdeeld het antwoord op de vraag of met het opleggen van de naheffingsaanslag het vertrouwen dat aan de bij het Besluit gegeven aanwijzingen is te ontlenen, is geschonden, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Belanghebbende heeft ook aangevoerd - zo begrijpt het Hof belanghebbendes stellingname - dat de naheffing van BPM in dit geval in strijd is met Europeesrechtelijke regelgeving. Verder heeft belanghebbende zich gekant tegen de boete.

13. Tussen partijen staat vast dat het gebruik van de Nederlandse weg met de Mercedes is aangevangen op 21 maart 2003 en dat de Mercedes op 22 maart 2003 buiten Nederland is gebracht. Artikel 4, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 brengt naar 's Hofs oordeel dan mee dat belanghebbende, zo kan worden gezegd dat de Mercedes is verhuurd aan een natuurlijk persoon, aanspraak kan maken op de in die bepaling opgenomen vrijstelling. Het Besluit (in onderdeel 3.2, onder het kopje "Huurvoertuig met op tweede dag eindigend huurcontract") regelt voor dat geval dat voor die vrijstelling geen contact met de Inspecteur behoeft te worden opgenomen. Zo niet kan worden gezegd dat de Mercedes is verhuurd aan een natuurlijk persoon, hetgeen mogelijk het geval is, staan de aanwijzingen uit het Besluit evenzeer aan de naheffing van BPM in de weg. Een redelijke toepassing van de aanwijzingen, gelet ook op doel en strekking ervan, brengt naar 's Hofs oordeel mee dat bedoeld gegeven, bezien in het licht van die aanwijzingen, een zo gering gewicht heeft dat, daarbij in aanmerking nemende dat belanghebbende - naar hij ter zitting onweersproken heeft gesteld - vóór 21 maart 2003 nooit met de Mercedes in Nederland van de weg gebruik heeft gemaakt, ook in deze specifieke situatie van eerste constatering van het feitelijke gebruik van de weg geen naheffingsaanslag wordt opgelegd.

14. Wat er ook zij van het overwogene in punt 13, belanghebbendes beroep op de in onderdeel 3.2 van het Besluit, onder het kopje "Overige huurvoertuigen", en in onderdeel 3.4 van het Besluit gegeven aanwijzingen vermag in elk geval de naheffingsaanslag aan te tasten. De naheffingsaanslag had niet, althans niet onmiddellijk mogen worden opgelegd, omdat sprake is van een eerste constatering van het feitelijke gebruik van de weg in Nederland met de Mercedes door belanghebbende als degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft, terwijl de Inspecteur naar 's Hofs oordeel onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door belanghebbende, op grond waarvan is te concluderen dat zich hier een in het Besluit omschreven beperking van de goedkeuring voordoet.

15. Daarbij heeft het Hof overwogen dat aan belanghebbende eerder geen "Informatieformulier buitenlandse kentekens" was uitgereikt en dat, gelet ook op het bijzondere karakter van de rit door Nederland en gelet erop dat belanghebbende - naar hij ter zitting onweersproken heeft gesteld - vóór 21 maart 2003 nooit met de Mercedes in Nederland van de weg gebruik heeft gemaakt, onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat belanghebbende uit hoofde van zijn functie of van door hem ontplooide activiteiten dan wel anderszins in redelijkheid wist of behoorde te weten, juist waar het gaat om een gebruik als dat hier aan de orde is, van een verschuldigdheid van BPM. Het Hof heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat naderhand voor de Mercedes een vrijstellingsvergunning is verleend en dat aan het eertijds verlenen van een vergunning voor de Mercedes enkel in de weg zou hebben gestaan dat niet zou zijn voldaan aan de formaliteit van overlegging van een bewijs van inschrijving van belanghebbendes bedrijf in het Belgische handelsregister. Met betrekking tot dat laatste aspect wijst het Hof er overigens op dat belanghebbende kan worden toegegeven dat, gelet op hetgeen het aanvraagformulier daarover vermeldt, redelijkerwijs eraan kan worden getwijfeld of het overleggen van zo'n bewijs wel een aan het verlenen van de vergunning gesteld vereiste is.

16. Het vorenoverwogene voert het Hof tot de slotsom dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. Zijn overige stellingen behoeven geen behandeling.

17. Het beroep van belanghebbende is gegrond. Voor dat geval staat tussen partijen vast dat de uitspraak waarvan beroep, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking moeten worden vernietigd.

18. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij afziet van een vergoeding voor proceskosten.

19. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het door belanghebbende gestorte griffierecht ad € 136 aan hem te worden vergoed.

De uitspraak is vastgesteld door mr. Tromp. De beslissing is op 3 juni 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van Lingen) (Tromp)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog te verstrekken of aan te vullen. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.