Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AW5786

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2005
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
2200769004
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek naar schiethanden; geuridentificatieproef

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-007690-04

Parketnummer: 12-015159-04

Datum uitspraak: 10 oktober 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 8 december 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[J.]

thans verblijvende in Huis van Bewaring te Grave.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 29 juni 2005 en 26 september 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder

1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 primair, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De officier van justitie heeft het hoger beroep van het openbaar ministerie op 24 mei 2005 ingetrokken.

Verzoek tot aanhouding met betrekking tot de Steenbergen-zaak

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde prof. dr. J.E.R. Frijters in de gelegenheid te stellen rapportage op te maken over de geuridentificatieproef die in de onderhavige Steenbergen-zaak gebruikt is.

Voorts heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde na te laten gaan wat er in de Steenbergen-zaak met de DNA-sporen, met name de biologische sporen van de vloer van de toiletruimte, is gebeurd die wel aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn aangeboden maar niet zijn onderzocht.

Het hof gaat voorbij aan het verzoek tot aanhouding van de raadsman nu de verdediging daarbij gelet op na te melden beslissing ten aanzien van de op de Steenbergen-zaak betrekking hebbende tenlastegelegde feiten geen redelijk belang heeft.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging op grond dat in het vooronderzoek kennelijk in overleg tussen het NFI en de politie de schiethand van de opsporingsambtenaar G.J.M. Kort niet is onderzocht.

Het resultaat van het onderzoek van de schiethanden van verdachte leverde bewijs op van schieten, terwijl bij het onderzoek van de door hem gedragen handschoenen geen schotresten zijn aangetroffen. Door het niet onderzoeken van de schiethanden van Kort kan niet achterhaald worden of de schotresten op de handen van verdachte wellicht een gemengd spoor betreffen. Zo wordt een bewijsmiddel gecreëerd c.q. overeind gehouden, aldus de raadsman. Voorts was onderzoek van de schiethanden van Kort nodig om uit te sluiten dat er sprake is geweest van verwisseling van schiethandensets.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Door het openbaar ministerie zijn met betrekking tot het (technisch) onderzoek naar het schietincident, voor zover hier van belang, onder meer de volgende onderzoeksresultaten in het dossier gevoegd:

- een proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 30 juni 2004 (dossierpagina 90), waarin het afnemen van schiethanden van de verdachte, het veiligstellen van de door de verdachte gedragen handschoenen en het afnemen van schiethanden van politieambtenaar G.J.M. Kort zijn gerelateerd, alsmede de overdracht hiervan aan het onderzoeksteam van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek van de regiopolitie Midden en West Brabant;

- een ambtelijk verslag van de Rijksrecherche Regio Zuid, met betrekking tot het "Schietincident Kruiningen" d.d. 21 juli 2004 en een aanvulling daarop gedateerd 21 september 2004, waarin onder meer is verwoord welke onderzoeksvragen door de Rijksrecherche aan het NFI zijn voorgelegd;

- een deskundigenrapport, opgesteld door het NFI, d.d. 31 augustus 2004, betreffende onder meer schot-restenonderzoek naar aanleiding van voornoemd schietincident in Kruiningen, waarin verslag wordt gedaan van de resultaten van het uitgevoerde "schiethandenonderzoek" met betrekking tot de verdachte; daarbij zijn ook de kennelijk door de verdachte gedragen handschoenen onderzocht. Daarnaast wordt vermeld dat in overleg met de politie geen onderzoek is verricht op de schiethanden van G.J.M. Kort; ook de reden daarvoor is gerelateerd.

Naar het oordeel van het hof is aldus op voldoende inzichtelijke wijze verslag gedaan van het uitgevoerde onderzoek en van de resultaten daarvan, en is onverlet gelaten de mogelijkheid voor de verdediging om na kennisneming van het rapport alsnog om nadere onderzoeken in die zaak te verzoeken, hetgeen niet is geschied.

Wat er overigens zij van de wijze van uitvoering van het onderzoek of van de door het openbaar ministerie daaruit getrokken conclusies, is naar het oordeel van het hof geenszins gebleken van enig doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekortdoen aan diens belangen op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is -overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal- niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde het volgende.

De verdachte heeft (evenals de medeverdachte) iedere betrokkenheid bij de onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten van meet af aan ontkend.

De raadsman heeft aangevoerd dat de, weliswaar positieve, geuridentificatieproef niet kan meewerken aan het bewijs omdat een dergelijke proef in het algemeen als bewijs-middel onbetrouwbaar is en, in dit specifieke geval, bovendien ondeugdelijk is uitgevoerd. De raadsman verwijst hiervoor naar onder meer de publicaties van

prof. dr. J.E.R. Frijters.

Door de advocaat-generaal is -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het bewijs, dat de verdachte die feiten heeft gepleegd, kan worden gevonden in enerzijds de uit het dossier blijkende modus operandi van de daders, die naar het oordeel van de advocaat-generaal "identiek" moet worden geacht aan de modus operandi van de ruim twee weken later gepleegde -en door de verdachte erkende- feiten en anderzijds de ten aanzien van de verdachte (en de medeverdachte) positieve resultaten van een zogenaamde "geuridentificatieproef".

Uit het dossier blijkt dienaangaande -kort samengevat- het volgende.

Bij het onderzoek naar een in Steenbergen gepleegde bankoverval en gijzeling van bankmedewerkers, waarbij een auto van een van de bankmedewerkers kennelijk als vluchtauto is gebruikt, zijn geurdoeken afgenomen van de zittingen van de vluchtauto. Met die geurdoeken is met behulp van politiespeurhonden een geuridentificatieproef gedaan, waarbij volgens het daarover uitgebrachte proces-verbaal door de speurhonden een geurovereenkomst is aangetroffen tussen de uit de auto afgenomen geurdoeken en de lichaamsgeur van de verdachte (en ook van de medeverdachte).

Het hof stelt voorop dat -anders dan in deze zaak door de verdediging is betoogd- resultaten van een met voldoende waarborgen omklede en correct uitgevoerde geuridentificatieproef onder omstandigheden aan het bewijs van strafbare feiten kunnen bijdragen.

Uit de verklaringen van de door het hof ter zitting gehoorde getuige-deskundigen leidt het hof evenwel onder meer -voor zover hier van belang- af dat de aard van de proef (uitvoering door een ingevolge de Regeling politiespeurhonden 1997 en het Keuringsreglement politiespeurhond menselijke geur gecertificeerde speurhond en zijn begeleider) met zich brengt dat rekening moet worden gehouden met een niet te verwaarlozen "fouten-marge", ook indien de proef is uitgevoerd volgens het daartoe speciaal opgemaakte protocol.

Dat betekent dat in het algemeen grote terughoudendheid past bij het gebruiken van resultaten van een geuridentificatieproef voor het bewijs. Naar het oordeel van het hof brengt die terughoudendheid in ieder geval met zich dat van die resultaten slechts gebruik mag worden gemaakt voor het bewijs van de identeit van een dader, indien voor dat laatste ook andere overtuigende bewijsmiddelen voorhanden zijn.

Het onderhavige dossier bevat zodanig ander bewijs, dat positief de relatie tussen de verdachte en de gepleegde feiten zou aantonen, evenwel niet.

Door de rechtbank in het bestreden vonnis, en door de advocaat-generaal, is in dit verband gewezen op de sterke gelijkenis van de modus operandi in de zaak Steenbergen met de modus operandi, gehanteerd door de verdachte en de medeverdachte in de door hen erkende en onder 2 en 3 tenlastgelegde feiten.

Hoewel ook het hof in de door de rechtbank in haar vonnis en door de advocaat-generaal in zijn requisitoir beschreven modus operandi wel enige in het oog lopende overeenkomsten ziet, moet bij nadere beschouwing evenwel worden vastgesteld dat onvoldoende sprake is van -gelet op de gepleegde feiten- zodanig specifieke identieke details, dat zonder redelijke twijfel vaststaat dat het zowel in Kruiningen als in Steenbergen om dezelfde daders gaat. Het hof wijst in dit verband onder meer op verschillen in wijze van forceren van een raam om de bank te betreden, in het al dan niet aanwezig zijn van een aanleiding voor het stellen van persoonlijke vragen, in de wijze van aanspreken van de mededader en de daarbij gebezigde taal.

Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat -zoals hiervoor reeds overwogen- het dossier in de

zaak-Steenbergen geen andere bewijsmiddelen bevat die uitsluitsel geven over de identiteit van de dader of de mededader.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof het bewijs dat de verdachte de onder 4, 5 en 6 tenlaste-gelegde feiten heeft begaan niet steunen op overeenkom-sten in de modus operandi.

Dat zoals -zoals in casu- ook ten aanzien van de medeverdachte de geuridentificatieproef 'positief' is geweest draagt evenmin in beslissende mate aan het bewijs bij.

Het hof komt derhalve tot de slotsom dat geen bewijsmiddelen voorhanden zijn die -al dan niet in samenhang beschouwd- voldoende buiten redelijke twijfel stellen dat het de verdachte is geweest die hierbedoelde feiten heeft gepleegd.

De verdachte dient daarvan derhalve te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven

gericht;

2 primair: poging tot diefstal, voorafgegaan of vergezeld

van geweld en bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te

maken, waarbij de schuldige zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft

door middel van braak en inklimming, terwijl

het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen;

3 : medeplegen van opzettelijk iemand

wederrechtelijk van de vrijheid beroven of

beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 primair, 5 en 6 tenlaste-gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen als vermeld op de vordering.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een gewelddadige poging tot een bankoverval, waarbij een medewerker van de bank tevens van zijn vrijheid beroofd is geweest en in zijn persoonlijke levenssfeer is geïntimideerd. Verdachte vervulde in dezen een leidende rol. Tijdens zijn vluchtpoging heeft hij vervolgens één van de gealarmeerde politieambtenaren zodanig bedreigd met zijn vuurwapen dat deze zich genoodzaakt heeft gezien met zijn dienstwapen op verdachte te schieten om de verdachte uit te schakelen en aan te houden.

Aldus hebben verdachte en zijn mededader voor de betrokken bankmedewerker(s), alsmede de betrokken politie-ambtenaar, een zeer beangstigende en bedreigende situatie doen ontstaan, waarin zelfs voor het leven is gevreesd.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten - en hun naasten - nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hun is overkomen. Daarnaast brengen feiten zoals de onderhavige bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

De verdachte en zijn mededader zijn daarbij volledig voorbij gegaan aan de psychische en lichamelijke gevolgen voor de slachtoffers en hebben kennelijk slechts aan eigen geldelijk gewin gedacht.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 1 juni 2005, reeds eerder is veroordeeld, ook tot gevangenisstraffen van aanzienlijke duur, voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vorderingen tot schadevergoeding

(...)

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 282, 285 (oud), 310 en 312 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (...)

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Kramer, S. van Dissel en E.C.C. Punselie,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 oktober 2005.

Mr. E.C.C. Punselie is buiten staat dit arrest te ondertekenen.