Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AV7144

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
BK-04/02572
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbenden exploiteren een rijschool. Bijtelling privé-gebruik lesauto's bij belanghebbenden ten onrechte. Belanghebbenden hebben overtuigend aangetoond dat met de lesauto's in 2000 voor minder dan 1000 km privé is gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0621
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

negende enkelvoudige belastingkamer

9 november 2005

nummer BK-04/02572

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op de beroepen van X te Z, Y te Z en XY te Z tegen de uitspraken van de In-spec-teur, de voorzitter van het ma-nagementteam van de Belasting-dienst/P, op de bezwaar-schriften van de belanghebbenden tegen de respectieve aan hen opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volks-verze-ke-rin-gen voor het jaar 2000.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 oktober 2005. Daar zijn verschenen de belanghebbenden en hun ge-mach-tig-de alsmede de Inspecteur.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken waarvan beroep;

- vermindert de aan X opgelegde aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 180.837;

- vermindert de aan Y opgelegde aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 141.658;

- vermindert de aan XY opgelegde aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 137.621;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zij-de van de belanghebbenden gevallen en vastgesteld op € 1.288, on-der aanwijzing van de Staat der Neder-landen als de rechts-per-soon die de-ze kosten moet vergoeden; en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 37 aan de belanghebbenden te vergoeden.

Gronden

1. De belanghebbenden zijn broers van elkaar en houden zich in het verband van een vennootschap onder firma, h/o A te R, bezig met de exploitatie van een rijschool. De feitelijke bedrijfswerkzaamheden worden door de belang-heb-benden zelf en door diverse instructeurs (een 35-tal in het jaar 2005) uitgeoefend.

2. Ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten in het jaar 2000 hebben de belanghebbenden de beschikking – voor zover hier van belang - over een negental, tot het ondernemingsvermogen beho-rende, personenauto’s (hierna: de personenauto’s).

3. Bij de regeling van de onderwerpelijke aan-slagen heeft de In-spec-teur met betrekking tot de door ieder van de belangheb-benden aangegeven winst uit onderneming – voor zover hier van belang – een bijtelling toegepast wegens het privé-gebruik van de per-so-nenauto’s. De bijtelling beperkt zich tot de drie per-sonen-au-to’s met de hoogste catalogusprijs.

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of in dit geval te-recht een bijtelling wegens privé-gebruik personen-au-to is toegepast, welke vraag door de be-lang-hebbenden ontkennend en door de In-specteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Voor het geval dat het gelijk aan de zijde van de Inspec-teur is, staat tussen partijen vast dat de bijtelling kan wor-den toegepast met betrekking tot drie personenauto’s en kan worden becijferd aan de hand van de gemiddelde catalogusprijs van de negen personenauto’s, groot ƒ 36.000.

4.3. Voor het geval dat het gelijk aan de zijde van de belang-hebbenden is, staat tussen partijen vast dat de belastbare in-komens als volgt moeten worden berekend:

X Y XY

aangegeven inkomen vóór dotatie FOR 191.671 150.502 145.210

af: for-dotatie volgens aangifte 13.614 9.906 12.502

aangegeven inkomen 178.057 140.596 132.708

winstcorrectie

- garantiefonds 2.780 1.207 1.253

af: hogere for-dotatie (12%) al max. 145 150

minder zelfstandigenaftrek n.v.t. n.v.t. 2.190

minder aftrek reiskosten n.v.t. n.v.t. 1.620

belastbaar inkomen 180.837 141.658 137.621

5. Ter onderbouwing van hun stelling dat in dit geval geen plaats is voor een bijtelling wegens privé-gebruik personenau-to’s, hebben de belangheb-benden met betrekking tot (het gebruik van) de personenauto’s het volgende aangevoerd en ter zitting toegelicht:

- dat de door de belanghebbenden geëxploiteerde rijschool een van de grotere rijscholen is en zo veel tijd en ener-gie van de belanghebbenden vergt, dat zij lange dagen moe-ten ma-ken ("ruim factor 2,25 x een gemiddeld dienstverband van een werk-ne-mer"), zodat weinig vrije tijd overblijft,

- dat X fulltime voor de rijschool werkt en ook het da-ge-lijkse management verzorgt,

- dat Y en XY beiden nog een fulltime-baan naast de rijschool hebben,

- dat zij op de doordeweekse avonden en op de zaterdagen werk-zaam zijn voor de rijschool,

- dat Y ook motorrijles geeft en XY veelal rijles voor het vrachtwagen- en busrijbewijs geeft,

- dat in de avonduren en op de zaterdagen de belanghebbenden zich allen ook bezig houden met de overige interne werkzaam-he-den, zo-als bijvoorbeeld onderling overleg over alle mogelijke onder-wer-pen die de rijschool aangaan,

- dat de personenauto’s voertuigen met een dubbele bediening zijn die intensief worden gebruikt voor het geven van lessen,

- dat de personenauto’s elke avond op het terrein van de rij-school achter een afgesloten hek staan geparkeerd,

- dat de belanghebbenden omstreeks 1998 uitdrukkelijk met el-kaar hebben afgesproken dat zij geen van de voor de rijschool be-stemde personenauto’s voor privé-doeleinden gebruiken,

- dat de afspraak is gemaakt vanuit bedrijfseconomische overwe-gingen, met dien verstande dat de personenauto’s, die immers de hoofdbron vormen van de met de onderneming te be-halen inkom-sten, steeds beschikbaar moeten zijn voor de onderne-ming,

- dat de auto’s te allen tijde rijklaar moeten zijn, omdat van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat wordt gelest,

- dat de belanghebbenden bij de nakoming van de afspraak groot belang hebben, erin bestaande dat daarmee wordt voorkomen dat bij schending van de afspraak de ene firmant meer voor privé-ge-bruik betaalt dan de andere firmant, dit als gevolg van de bij-zondere winstverdeling die de belanghebbenden hanteren (ver-deling op basis van het aantal gewerkte uren),

- dat de belanghebbenden van maandag tot en met zaterdagavond in feite geen tijd hebben om de personenauto’s privé te ge-brui-ken,

- dat de belanghebbenden vanuit hun geloofsovertuiging de zon-dags-rust respecteren en dat op zondag dan ook nimmer rijlessen worden gege-ven,

- dat de belanghebbenden in hun dagelijkse werk al zo veel op de weg verblijven dat zij op zondag van hun rust willen genie-ten en de dag met hun gezin willen doorbrengen en dat dus wei-nig behoeft bestaat nog vele kilometers in een auto te rijden,

- dat de personenauto’s steeds inzetbaar moeten zijn, ook ge-durende vakanties van de belanghebbenden (de rijschool kent geen vakantieperiode(s))

- dat de gezinnen van de belanghebbenden voor privé-vervoer, waaronder vervoer tijdens vakanties, beschikken over één of twee eigen personenauto’s, die groter, luxer en kwalitatief be-ter zijn dan de gemiddelde rijschoolauto, en dat de kin-deren, voor zover zij een rijbewijs hebben, zelf over een perso-nenauto beschikken dan wel niet meer thuis wonen.

6. Het Hof ziet geen enkele reden om te twijfelen aan deze door de belang-hebbenden aangevoerde en ter zitting toegelichte fei-ten en om-stan-digheden, die overigens door de Inspecteur niet of in volstrekt onvoldoende mate zijn weersproken. Uit die fei-ten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien met al het--geen overigens omtrent (het gebruik van) de personenauto’s uit de gedingstukken naar voren komt, is naar ’s Hofs oordeel geen andere conclusie te trekken dan dat de belanghebbenden overtuigend heb-ben aangetoond, dat in het jaar 2000 de perso-nenau-to’s alle voor minder dan duizend kilometer voor privé-doel-einden zijn gebruikt. De belanghebbenden hebben het Hof in het bijzonder ervan overtuigd dat de eertijds gemaakte afspraak om de personenauto’s niet voor privé-doeleinden te gebruiken, van dien aard is, niet alleen gelet op het karakter van de on-derneming maar ook op de bijzondere onderlinge (financiële) ver-houdingen, dat zij zich daaraan, mogelijk een enkele hoge uit-zon-dering daargelaten, zeker hebben gehouden.

7. Aan de conclusie in punt 6 doet naar ’s Hofs oordeel niet af het door de Inspecteur ter zitting naar voren gebrachte ge-geven dat de belanghebbenden voor het jaar 1999 een bijtelling hebben aan-gegeven, reeds omdat tussen partijen geen enkele over-eenstem-ming blijkt te bestaan over wat die bijtelling pre-cies in-houdt.

8. De beroepen van de be-lang-heb-benden zijn gegrond. De uit-spra-ken waarvan beroep moeten worden ver-nietigd en de aan-slagen moeten worden verminderd conform de in 4.3 vermelde bedragen.

9. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van de be-lang-heb-ben-den is vindt het Hof aanleiding de In-specteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te ver-oordelen in de kosten die de belanghebbenden in verband met de be-han-deling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten ma-ken. De kosten stelt het Hof aan de hand van het Be-sluit pro-ceskos-ten bestuursrecht vast op € 1.288, te specifi-ce-ren als volgt: kos-ten ge-machtigde: 2 punten x € 322 met we-gings-fac-tor 2 (het ge-wicht van deze zaak acht het Hof "zeer zwaar").

10. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het door de belanghebbenden gestorte grif-fie-recht ad € 37 te worden vergoed.

De uitspraak is vastgesteld door mr. Tromp. De beslissing is op 9 november 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordig-heid van de griffier.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbenden als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kunnen binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof de mondelinge uit-spraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegen-heid de gronden van het beroep in cassatie alsnog te verstrekken of aan te vullen. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschul-digd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.