Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AV1104

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2005
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
2200719204
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijzing Hoge Raad, afwijzen descente, honoreren noodweerexces, ontslag van rechtsvervolging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-007192-04

Parketnummer(s): 13-124142-00

Datum uitspraak: 24 november 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 8 februari 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:

Elisabeth Rozsika Maria VAN DEN B[.]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 november 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Verzoek van de verdediging

Het hof heeft bij de behandeling van de zaak zijn beslissing omtrent het verzoek van de verdediging om een descente aangehouden tot de einduitspraak dan wel een eventueel tussenarrest.

Het hof acht aan de hand van de processtukken, in het bijzonder van de ter terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 31 oktober 2003 overgelegde plattegrond -met de daarbij behorende juiste afmetingen-, alsmede van het onderzoek ter terechtzitting, voldoende gegevens voorhanden omtrent de feitelijke situatie in de woning, in het bijzonder de keuken, van de verdachte. Van een noodzaak tot een descente is derhalve niet gebleken, terwijl evenmin de verdediging in redelijkheid in enig belang is geschaad door de afwijzing van het verzoek. Het hof komt derhalve thans dadelijk tot een einduitspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam op 8 februari 2001 van het tenlastegelegde vrijgesproken.

De officier van justitie heeft op 12 februari 2001 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

14 november 2003 is het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte terzake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is beslist omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het arrest.

Tegen dit arrest is namens de verdachte op 10 juni 2004 beroep in cassatie ingesteld.

Door de raadsman van de verdachte, mr. A.A. Franken, is bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld inhoudende de klacht dat het hof ten onrechte het beroep op noodweer(exces) en/of psychische overmacht heeft verworpen, althans doordat het gerechtshof zijn beslissingen omtrent de gevoerde verweren onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd.

Op 16 november 2004 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd en is de zaak verwezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Overeenkomstig de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het bestandeel "met voorbedachten rade" zoals tenlastegelegd niet wettig en overtuigend is bewezen.

De verdachte moet derhalve in zoverre worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Doodslag.

Nadere overwegingen en de verweren

1. Het hof stelt voorop dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat het slachtoffer [(naam)] is overleden als gevolg van één steekwond in de linker borststreek waarbij onder meer het hart is geraakt. Uit het sectieverslag blijkt dat de steekwond 6,5 cm lang was en naar schatting ongeveer 12 cm diep. Uit de aard van die verwonding leidt het hof af dat de steek met het tweezijdig geslepen mes, dat op aanwijzing van de verdachte door de politie ter plaatse is aangetroffen, met kracht is toegebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting omtrent de feitelijke toedracht en uit de verklaringen van de verdachte zelf leidt het hof voorts af dat de messteek aan het slachtoffer is toegebracht door de verdachte.

2.1. Met betrekking tot de toedracht van het tenlastegelegde heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen, een en ander zoals naar voren gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het slachtoffer is neergestoken in de keuken van de woning van de verdachte. Over de feitelijke situatie ter plaatse bevinden zich in het dossier foto's en tekeningen, waaruit aannemelijk is geworden dat het slachtoffer in elkaar is gezakt na het toebrengen van de messteek en ruggelings op de keukenvloer is terechtgekomen, met het hoofd in de richting van de keukendeur en met de voeten in de richting van de vensterbank van het keukenraam, aan welke kant de keuken geen uitgangsmogelijkheid heeft en waar de bewegingsruimte zeer gering is.

Met het slachtoffer verkeerde de verdachte reeds geruime tijd in een moeizame relatie. Zij zijn getrouwd geweest en gescheiden. De regelmatige problemen tussen beiden hadden vooral te maken met het overmatige alcoholgebruik van het slachtoffer en met diens -vooral door dat drankgebruik- agressieve gedrag tegenover de verdachte en haar dochter uit een eerdere relatie. Ten tijde van het tenlastegelegde waren de verdachte en het slachtoffer weer sinds enige weken "op proef" bij elkaar in het huis van verdachte. Op de bewuste avond hadden zij bij een bezoek aan een kennis ruzie gekregen, waarna het slachtoffer naar het huis van de verdachte ging en de verdachte -zeer tegen de zin van het slachtoffer- naar een vriendin is gegaan. Toen zij later thuis kwam was de deur van haar huis met het nachtslot afgesloten en werd er vervolgens opengedaan door het vloekende en tierende slachtoffer, die de verdachte toen direct naar de slaapkamer heeft gesleurd en haar heeft gestompt en geslagen.

Aannemelijk is geworden dat de verdachte vervolgens op enig moment de politie heeft gebeld omdat zij zeer angstig voor (verdere) mishandeling door het slachtoffer was geworden. Uit het dossier blijkt uit vele politiemutaties dat zij zulks in de voorafgaande periode ook met enige regelmaat had gedaan om de verdachte wegens zijn agressieve gedrag uit haar huis te laten halen. Uit het dossier blijkt voorts dat de verbalisant die het bewuste telefoontje die nacht opnam op de achtergrond een mannenstem hoorde. Dit moet de stem van het slachtoffer zijn geweest.

De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer over het bellen van de politie zeer boos is geworden en bang was weer uit het huis gezet te zullen worden. Aannemelijk is voorts geworden dat de verdachte al vluchtend naar de keuken is gegaan en dat het slachtoffer haar achterna kwam. De verdachte heeft daarover onder meer verklaard dat het slachtoffer in dezelfde gemoedstoestand als waarin hij verkeerde toen hij haar zojuist had mishandeld, de keuken binnen kwam en daar op haar afkwam, alsook dat zij toen zeer angstig was en in een soort oerangst verkeerde. Verder heeft zij verklaard dat zij toen achter zich heeft getast en het eerste het beste voorwerp dat zij daar voelde liggen heeft gepakt om zich tegen het op haar afkomende slachtoffer te verdedigen. Achteraf concludeert zij dat dat het mes is geweest waarmee zij vervolgens het slachtoffer heeft gestoken. Dit mes heeft zij daarna in de woonkamer achter de CD's verborgen alwaar de politie het later ook daadwerkelijk op haar aanwijzingen heeft aangetroffen. De verdachte heeft weliswaar verklaard zich het steken met het mes niet te kunnen herinneren, maar zij heeft ook gezegd op dat moment niet buiten bewustzijn te zijn geweest, niet bovenmatig te hebben gedronken en niet onder invloed van medicijnen te hebben verkeerd.

2.2. Over de persoon van de verdachte, en meer in het bijzonder over haar geestestoestand ten tijde van het tenlastegelegde is een rapport uitgebracht door de psycholoog drs. L.M.L. Thung, gedateerd 18 december 2000, later aangevuld bij haar brief aan de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2002. Voor zover hier van belang oordeelt de psycholoog dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en afhankelijke trekken. De ernst daarvan is, aldus de psycholoog, dermate invaliderend, dat gesproken kan worden van een duurzaam patroon van disfunctioneren op het gebied van partnerrelaties, opleiding en werk, contacten, opvoeding, stemming, impulscontrole, identiteit en zelfbeeld. Daardoor kon de verdachte op het moment van het tenlastegelegde sterk verminderd in staat worden geacht om zich rekenschap te geven van haar doen en laten en werd zij in sterke mate beperkt om haar gedragskeuzes c.q. haar gedragingen in overeenstemming met het besef van het onoirbare van haar handelen te bepalen. De verdachte heeft aldus op dat moment onder invloed van hevige angst het contact met de realiteit deels uit het oog verloren. Niet gezegd kan worden dat de verdachte op dat moment psychotisch was, noch dat er op dat moment sprake is geweest van een zogenaamde dissociatieve toestand. De psycholoog concludeert dat de verdachte op grond van een en ander zich in verminderde mate bewust is geweest van haar handelen.

Het hof heeft ter terechtzitting de psycholoog als deskundige nader over haar conclusies gehoord, neemt haar hier weergegeven conclusies over en maakt die tot de zijne.

3. De raadsman van de verdachte heeft -kort samengevat en zakelijk weergegeven- de volgende verweren gevoerd.

In de eerste plaats heeft de raadsman betoogd dat de verdachte het slachtoffer niet (voorwaardelijk) opzettelijk ter dood heeft gebracht zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair betoogt de raadsman dat de verdachte heeft gehandeld in noodweer, in noodweerexces dan wel in psychische overmacht.

4. Tegen de achtergrond van het voorgaande, in samenhang bezien, oordeelt het hof omtrent de verweren als volgt.

4.1. Opzet

De verdachte heeft verklaard geenszins de bedoeling te hebben gehad het slachtoffer te doden. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte zich evenmin bewust is geweest van het risico, dat zij door haar handelen de dood van het slachtoffer zou bewerkstelligen.

Uit de rapportage van de psycholoog zoals nader aangevuld door haar brief van 15 maart 2002 en haar verklaring ter terechtzitting voor dit hof, leidt het hof evenwel af dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde weliswaar op grond van haar persoonlijkheidsstoornis zich in verminderde mate bewust is geweest van haar handelen, maar niet dat enig bewustzijn daarvan geheel ontbrak. Onder die omstandigheden is het hof -nu is komen vast te staan dat de verdachte met kracht met een scherp mes in de (linkerzijde van de) borst van het slachtoffer heeft gestoken- van oordeel dat de verdachte tenminste het aanmerkelijke risico heeft genomen én in van belang zijnde mate bewust heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor dodelijk zou worden verwond, zodat bewezen is dat de verdachte het voorwaardelijke opzet heeft gehad het slachtoffer te doden.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook in zoverre verworpen.

4.2. Noodweer en noodweerexces.

Uit de feitelijke toedracht zoals hiervoor onder 2.1 beschreven leidt het hof af dat het slachtoffer nog steeds zeer agressief was toen verdachte naar de keuken vluchtte en het slachtoffer vervolgens aldaar op haar afkwam. Aldus was toen sprake van een situatie waarin het optreden van het slachtoffer, mede gelet op diens optreden enkele ogenblikken tevoren, zodanig bedreigend was voor de verdachte, dat dit kon worden aangemerkt als een in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding" van verdachte. Daaraan doet niet af dat de verdachte de politie inmiddels had gewaarschuwd en naar ervaring binnen redelijke tijd ter plaatse te verwachten was. Verdachte had immers geen reden -ook gelet op haar eerdere ervaringen met het slachtoffer- om te veronderstellen dat zulks het slachtoffer van een onmiddellijke verdere mishandeling van haar zou weerhouden. Onder die omstandigheden kan aan de verdachte niet het recht worden ontzegd zich tegen die ogenblikkelijke en acute verdere feitelijke aanranding in haar eigen huis door het slachtoffer eventueel met geweld te verdedigen, te meer nu in de onderhavige situatie er voor de verdachte geen reële mogelijkheden waren om zich daaraan te onttrekken, gelet op de penibele plaats waar zij zich bevond: geleund tegen de keukenvensterbank, terwijl de (enige uit)weg naar de deur van de zeer smalle keuken door het slachtoffer werd versperd.

De verdachte heeft -zo is hiervoor reeds vastgesteld- in deze situatie een scherp, tweezijdig geslepen mes gegrepen en het slachtoffer daarmee in de linkerzijde van de borststreek gestoken. Daarmee heeft de verdachte -naar het oordeel van het hof- evenwel de grenzen van onder die omstandigheden op zichzelf noodzakelijke en gerechtvaardigde verdediging overschreden.

Als gezegd is aannemelijk dat het slachtoffer op de verdachte - die geen kant meer op kon - afkwam waaruit alleszins was af te leiden dat hij op het punt stond om haar weer te gaan mishandelen. Het slachtoffer was evenwel ongewapend en onder deze omstandigheden had verdachte niet haar toevlucht mogen nemen tot een dermate ingrijpend middel als het direct steken in de hartstreek met een tweezijdig snijdend mes.

Het beroep op noodweer als strafuitsluitingsgrond, zoals bedoeld in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, wordt derhalve verworpen.

Wél is het hof van oordeel dat sprake is geweest van noodweerexces.

In de hiervoor beschreven situatie was zoals gezegd op het moment waarop de verdachte naar het mes heeft gegrepen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door het slachtoffer, waartegen verdachte zich had te verdedigen.

De verdachte heeft in haar verklaringen steeds gesteld zich het moment van het daadwerkelijke steken niet te kunnen herinneren. Wél weet zij zich te herinneren dat de verdachte in de keuken - waar zij in een hoek was gedreven - op haar afkwam alsook dat zij zich alstoen in een situatie van "oerangst" bevond.

Het hof acht deze lezing van de feiten door de verdachte aannemelijk aangezien de verklaring van de verdachte voor dit hof op de vitale punten aansluit bij haar uitgebreide verklaring ter terechtzitting van de rechtbank van

25 januari 2001.

Het hof heeft niet de indruk gekregen dat de verdachte in deze verklaringen de gebeurtenissen bewust anders heeft weergegeven dan zij zich daadwerkelijk herinnert. Aannemelijk is geworden uit de onder meer door de politiemutaties en getuigenverklaringen van buren en bekenden ondersteunde verklaring van de verdachte dat het slachtoffer jegens haar zeer agressief in houding en gedrag kon zijn en dat zij in een sterke afhankelijkheidsrelatie tot hem stond.

In eerdergenoemde rapportage van de psycholoog drs. Thung over de persoonlijkheid van de verdachte is steun te vinden voor de conclusie dat zij het slachtoffer met het mes in de borst heeft gestoken onder invloed van hevige angst. De psycholoog wijst in haar rapport op de oprechtheid en invoelbaarheid van de verklaring van de verdachte -tegenover de psycholoog- dat zij "uit doodsangst heeft gehandeld". Desgevraagd heeft de psycholoog ter terechtzitting daaraan toegevoegd dat in dat beeld van de mede door de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte opgetreden heftige angst of paniek goed past de kennelijke onmacht van de verdachte om zich het moment van het steken met het mes te herinneren. Het hof acht deze bevindingen overtuigend en sluit zich daarbij aan.

Aldus acht het hof aannemelijk dat de verdachte -zoals hiervoor overwogen- weliswaar door het slachtoffer in de borst te steken de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat die overschrijding het gevolg is geweest van de zeer hevige angst waarin zij op dat moment verkeerde als gevolg van de agressieve houding en handelingen van het slachtoffer jegens haar.

Onder die omstandigheden komt de verdachte een beroep toe op het bepaalde in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, zodat het daarop gebaseerde verweer slaagt en de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK mes, valmes, zilverkleurig voorzien van een zwarte handgreep, met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK kantoorbenodigheden, papier, een hartcontrole film,

zal het hof de teruggave gelasten aan Vza Ziekenvervoer Amsterdam BV.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 STK laarzen, bruin, Sancho Alligator, maat 39;

- 1 STK kleding, blauw, Wrangler Roxanne, maat 28/30;

- 1 STK kleding, blauw, blouse/overhemd, mouwloos met bloemenmotief;

- 1 STK kleding, blauw, jas met bruin Indisch motief,

zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 41 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte niet strafbaar terzake van het bewezenverklaarde en ontslaat deze van alle rechtsvervolging.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 STK mes, valmes, zilverkleurig voorzien van een zwarte handgreep.

Gelast de teruggave aan Vza Ziekenvervoer Amsterdam BV. van: 1 STK kantoorbenodigheden, papier, een hartcontrole film.

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

- 2 STK laarzen, bruin, Sancho Alligator, maat 39;

- 1 STK kleding, blauw, Wrangler Roxanne, maat 28/30;

- 1 STK kleding, blauw, blouse/overhemd, mouwloos met bloemenmotief;

- 1 STK kleding, blauw, jas met bruin Indisch motief.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Ritter,

F. Heemskerk en S. van Dissel,

in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 november 2005.