Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU9743

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
17-02-2006
Zaaknummer
112-H-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AZ1108, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ1108
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen pensioenrechten; Boon/ Van Loon toetsing; limitering alimentatie:relatief onbetekenende terugval in inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 14 december 2005

Rekestnummer : 112-H-05

Rekestnr. rechtbank : 04-2133

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. S. Hermans.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 1 februari 2005 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 2 november 2004.

De man heeft op 15 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 15 september 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 september 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, en de man, bijgestaan door zijn procureur. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd, de procureur van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Bij vonnis van 17 juni 1981 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen partijen, met elkaar gehuwd op 18 augustus 1958, de scheiding van tafel en bed uitgesproken, die is ingeschreven op 17 maart 1982. Bij dit vonnis is de man veroordeeld om aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren € 680,67 (fl. 1.500,-) per maand.

Bij vonnis van 31 oktober 1989 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed uitgesproken, die is ingeschreven op 28 november 1989. Bij dit vonnis is bepaald dat de man aan de vrouw zal uitkeren tot haar levensonderhoud € 816,80 (fl. 1.800,-) per maand.

Op 15 april 2004 heeft de man de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht - met wijziging van het vonnis van 17 juni 1981 - de aan de vrouw te betalen alimentatie ten laste van de man, met ingang van 15 april 2004, vast te stellen op nihil, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren met vaststelling van een termijn gedurende welke de alimentatieverplichting voortduurt, met de bepaling dat de termijn na ommekomst niet kan worden verlengd. De vrouw heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd en zelfstandig verzocht primair voor recht te verklaren dat de vrouw aanspraak c.q. recht heeft op (een deel) van het pensioen van de man dat is opgebouwd bij het ABP. Subsidiair heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man voor de duur van 25 jaar aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud verschuldigd is van € 531,61 bruto per maand, althans een beslissing te geven als de rechtbank in deze redelijk en passend acht.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw beëindigd met ingang van 15 april 2004 en het meer en anders verzochte afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de alimentatie voor de vrouw en de pensioenverrekening en de vraag of de door de man opgebouwde pensioenrechten alsnog in de verdeling moeten worden betrokken conform het arrest Boon/Van Loon.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het pensioen dat door de man is opgebouwd alsnog tussen partijen in overeenstemming met de wettelijke regelgeving met betrekking tot de algehele gemeenschap van goederen in gelijke delen zal worden verdeeld tot aan het moment van inschrijving van de echtscheiding op 28 november 1989, dan wel op 17 maart 1982, zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, dan wel dat de vrouw gerechtigd is tot een redelijk aandeel in voornoemd pensioen zoals door het hof in goede justitie te bepalen. Voorts heeft de vrouw verzocht indien en voor zover zij geen aanspraak zou kunnen maken op de helft/een deel van het pensioen, de vrouw ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud zal ontvangen ter grootte van € 531,61 per maand en vermeerderd met de indexering tot op heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en voortdurend voor een termijn van 20 jaar en met terugwerkende kracht vanaf 15 april 2004. De man bestrijdt haar beroep.

3. De vrouw stelt dat haar verzoek tot verrekening van de door de man opgebouwde pensioenrechten door de rechtbank niet conform de rechtens juiste regelgeving is behandeld. Zij meent dat de behandeling ten onrechte heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van de vóór de Wet Verevening Pensioenrechten toepasselijke regelgeving. De vrouw betoogt dat de man op de hoogte was van de gerechtigdheid van de vrouw op een deel, zijnde de helft, van het opgebouwde pensioen.

Voorts stelt de vrouw dat door het afwijzen van pensioenverrekening door de rechtbank, het toewijzen van de nihilstelling van de partneralimentatie des te meer belastend is voor haar. Zij meent dat de rechtbank haar beslissing ten aanzien van de partneralimentatie onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens de vrouw zou onder de gegeven omstandigheden het relatief grote welstandsverschil zoals dat na beëindiging van de alimentatie tussen partijen bestaat, nu zij ook ten onrechte geen enkele pensioenaanspraak heeft, een verlenging van de alimentatie rechtvaardigen. De vrouw acht de door de rechtbank gegeven motivering, als zou zij bij nihilstelling van de alimentatie er feitelijk niet op achteruit gaan, onbegrijpelijk. Zij stelt dat zij er aanzienlijk slechter voor staat dan zij rechtens zou behoren.

4. De man stelt dat voor de vraag of de Wet Verevening Pensioenrechten van toepassing is bepalend is het tijdstip van de scheiding van tafel en bed. Volgens de man is dat het moment waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, derhalve 17 augustus 1981. Hij betoogt dat de datum van de scheiding van tafel en bed is gelegen vóór 27 november 1981, de datum waarop de Hoge Raad bij het Boon/Van Loon arrest “om” is gegaan en pensioenrechten niet meer werden gezien als verknochte rechten die niet in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. De man betoogt voorts dat hoewel de Wet Verevening Pensioenrechten niet van toepassing is op een echtscheiding die heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van die wet, de wet niettemin op grond van artikel 12 lid 2 van overeenkomstige toepassing is op een echtscheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Hij meent echter dat aan vorenbedoelde voorwaarden niet is voldaan, zodat de vrouw geen recht heeft op pensioenverevening. De man heeft ter zitting gesteld dat het Boon/Van Loon arrest niet van toepassing is.

Hetgeen de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie heeft gesteld is voor de man volstrekt onbegrijpelijk. Hij meent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, hoewel de vrouw bruto minder inkomen zal genieten, er in geval van beëindiging van de alimentatie geen noemenswaardige wijziging van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw zal zijn.

5. Het hof leest in grief 1 dat de vrouw van mening is dat de rechtbank ten onrechte niet conform het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, NJ 1982, 503 (Boon/Van Loon), de pensioenrechten van partijen in de verdeling heeft betrokken.

6. Uit het betoog van de man ter zitting leidt het hof af dat de verdeling van de pensioenrechten conform het Boon/Van Loon arrest geen toepassing heeft, aangezien de voormalige huwelijksgoederengemeenschap vóór de datum van 27 november 1981 integraal is verdeeld.

7. Het hof is van oordeel dat indien in rechte komt vast te staan dat de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap integraal heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981, de door de man opgebouwde pensioenrechten niet alsnog in de verdeling kunnen worden betrokken.

8. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat het vonnis van scheiding van tafel en bed op 17 juni 1981 is uitgesproken en in kracht van gewijsde is gegaan op 17 augustus 1981. Als gevolg van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, was de voormalige huwelijksgoederengemeenschap vatbaar voor scheiding en deling.

9. Ter zitting heeft de man onweersproken gesteld dat hij vóór 27 november 1981 de voormalige echtelijke woning - zijnde een huurwoning - had verlaten. Voorts heeft de man gesteld dat hij al voorafgaande aan het vonnis van scheiding van tafel en bed met de vrouw was overeengekomen op welke wijze de huwelijksgoederengemeenschap in obligatoire zin zou worden verdeeld. De man heeft onweersproken gesteld dat in het kader van de scheiding en deling aan de vrouw alle goederen zouden worden toegescheiden, met uitzondering van de piano, boeken en kleding. Ter zitting heeft de vrouw deze wijze van verdeling niet weersproken. Dat partijen de wijze van verdeling, zoals de man heeft gesteld, reeds voorafgaand aan het vonnis van scheiding van tafel en bed zijn overeengekomen, is eveneens door de vrouw niet weersproken. Dat de man de goederen feitelijk niet heeft meegenomen doet aan het oordeel van het hof dat een verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap heeft plaatsgevonden niet af. Conform artikel 1129 BW (oud) heeft de verdeling derhalve plaatsgevonden op 17 augustus 1981, hetgeen met zich mede brengt dat de door de man opgebouwde pensioenrechten thans niet meer in de verdeling kunnen worden betrokken.

10. In grief 2 leest het hof dat de vrouw van mening is dat de rechtbank ten onrechte de alimentatie per 15 april 2004 heeft beëindigd. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt. Aangezien de alimentatieplicht van de man tenminste 15 jaar heeft geduurd, is deze in beginsel voor beëindiging vatbaar. Getoetst dient te worden of beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Een beëindiging van de alimentatie is in beginsel ingrijpend van aard indien het wegvallen van de alimentatie een terugval in inkomen meebrengt, tenzij deze van onbetekenende aard is. Ter beantwoording van de vraag of limitering voor de alimentatiegerechtigde van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd, moet de situatie waarin de alimentatiegerechtigde zal komen te verkeren als gevolg van de limitering worden vergeleken met de situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert onmiddellijk voorafgaand aan de limitering.

11. Uit de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de vrouw tot en met februari 2004 een partneralimentatie van de man ontving van € 1.231,91 bruto per maand. Het netto equivalent bedraagt ongeveer € 1.000,- per maand.

12. Uit het door de vrouw in eerste aanleg overgelegde bankafschrift, gedateerd 24 maart 2004 (productie 7 bij het verweerschrift), blijkt dat haar netto AOW-uitkering in maart 2004

€ 905,- per maand bedroeg. Daarnaast ontvangt zij vakantiegeld, in 2004 bedragende € 45,- netto per maand. Met ingang van maart 2004, zijnde de maand met ingang waarvan de man limitering heeft verzocht, bedroeg het totale inkomen van de vrouw derhalve € 950,- netto per maand.

13. Indien met ingang van maart 2004 de partneralimentatie wordt beëindigd, betekent dit voor de vrouw een inkomensterugval van ongeveer € 50,- netto per maand. Feitelijk komt het er op neer dat de vrouw met slechts haar AOW-uitkering nagenoeg hetzelfde netto bedrag te besteden heeft als in de periode waarin zij alleen partneralimentatie ontving van de man. Het hof is van oordeel dat deze terugval in inkomen niet zo ingrijpend van aard is dat beëindiging van de partneralimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Het feit dat de vrouw geen recht heeft op de helft van de door de man opgebouwde pensioenrechten doet aan dit oordeel niet af. Immers, nu de netto bedragen van de partneralimentatie en de AOW-uitkering van de vrouw nagenoeg gelijk zijn, geraakt de vrouw niet in een financieel nadeliger positie in het geval zij geen aanspraak heeft op de pensioenrechten van de man. Voor zover de vrouw wenst te betogen dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat de alimentatie wordt verlengd op grond van het feit dat er tussen partijen thans een groot welstandsverschil bestaat, snijdt dit naar het oordeel van het hof geen hout.

14. Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de rechtbank niet heeft voldaan aan haar motiveringsplicht, oordeelt het hof als volgt. Conform jurisprudentie van de Hoge Raad dienen aan beslissingen waarbij onder vigeur van artikel II, lid 2 Wet limitering na scheiding de alimentatie aanstonds dan wel op termijn definitief wordt beëindigd hoge motiveringseisen te worden gesteld, behoudens ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde slechts een relatief onbetekende terugval in inkomen ten gevolge heeft. Zoals hiervoor reeds is overwogen doet dit laatste zich hier voor. Het hof is van oordeel dat de rechtbank helder en in voldoende mate heeft gemotiveerd waarom zij tot haar beslissing is gekomen. De stelling van de vrouw dat zwaardere motiveringseisen voor de rechtbank zouden gelden, snijdt naar het oordeel van het hof dan ook geen hout en kan niet tot een ander oordeel leiden.

15. Gelet op het consumptieve karakter van alimentatie, oordeelt het hof dat de door de vrouw te veel ontvangen alimentatie van de man niet door haar behoeft te worden terugbetaald.

16. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

bepaalt dat de vrouw de door de man aan haar te veel betaalde partneralimentatie niet behoeft terug te betalen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, van Nievelt en Reinking, bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terecht-zitting van 14 december 2005.