Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU9653

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
C04/874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzegging kennelijk onredelijk van agrarisch medewerker die 22 jaar in dienst is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 2 december 2005

Rolnummer: 04/874

Rolnummer rechtbank: 03/7293

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

WERKNEMER,

wonende te X,

appellant,

hierna te noemen: Werknemer,

procureur: mr. J.W. Stok,

tegen

1. de maatschap BOS-VONK,

gevestigd te Pijnacker,

2. Maat 1,

3. Maat 2,

beiden wonende te Y,

geïntimeerden,

hierna te noemen: (tezamen en in enkelvoud): de maatschap,

procureur: mr. M.C. Hoogendam.

Het geding

Bij exploot van 14 juni 2004 is Werknemer in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 april 2004, door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, gewezen tussen partijen. Werknemer heeft bij memorie van grieven zeven grieven opgeworpen, die door de maatschap bij memorie van antwoord zijn bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. In het procesdossier van de maatschap zijn de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek niet compleet.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 1.1 tot en met 1.5 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 Werknemer, geboren op 20 januari 1957, is op 1 mei 1982 bij de maatschap in dienst getreden als agrarisch medewerker tegen een salaris van laatstelijk

€ 1.940,10 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2 Bij brief van 1 juli 2003 heeft de maatschap Werknemer meegedeeld dat zij haar bedrijf eind 2003 om bedrijfseconomische redenen zou staken en dat zij een ontslagvergunning voor Werknemer zou aanvragen.

2.3 Op 23 oktober 2003 heeft het CWI, na een unaniem advies van de ontslagadviescommissie, de maatschap toestemming verleend de arbeidsverhouding met Werknemer op te zeggen.

2.4 Bij brief van 29 oktober 2003 heeft de maatschap de arbeids-overeenkomst met Werknemer opgezegd per 1 februari 2004.

2.5 Werknemer is gedurende de maand januari 2004 vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris.

2.6 Werknemer vordert in dit geding voor recht te verklaren dat het door de maatschap aan Werknemer verleende ontslag kennelijk onredelijk is en de maatschap te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 46.096,78 (22 maal

€ 1.940,10 x 108%) als schadevergoeding. Werknemer stelt daartoe dat de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de maatschap bij de beëindiging.

2.7 De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag en heeft de vorderingen van Werknemer afgewezen.

3. De grieven, die zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.1, 4.2 en 4.4 van het vonnis, beogen het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor te leggen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. In de toelichting bij de grieven bestrijdt Werknemer dat de werkgelegenheid in de tuinbouwsector relatief gunstig is.

Hij voert daartoe aan dat hij al meer dan een jaar heeft gesolliciteerd en dat hij, gezien zijn leeftijd, tot op heden geen andere baan heeft kunnen vinden, afgezien van wat losse werkzaamheden via een uitzendbureau. Voorts bestrijdt Werknemer dat de bedrijfseconomische cijfers de reden waren om de onderneming te staken. Volgens Werknemer heeft de maatschap bewust de omzet laten teruglopen en geen investeringen meer gedaan. Verder is Werknemer van mening dat de opbrengst van de verkoop van de tuin een rol dient te spelen bij het vaststellen van een eventuele vergoeding ook omdat Bos en Vonk inkomen uit arbeid hebben, aldus Werknemer.

5. Het hof overweegt als volgt.

5.1 Werknemer heeft de bedrijfseconomische cijfers over het jaar 2001, die in eerste aanleg door de maatschap zijn overgelegd, niet betwist. Die cijfers geven dalende resultaten ten opzichte van het jaar 2000 te zien, maar wel positieve resultaten, zonder dat daarbij rekening is gehouden met ondernemersloon. Voorts heeft Werknemer niet betwist, dat de Rabobank eind 2002 de maatschap een financiering heeft verstrekt voor de teeltopzet voor het seizoen 2003 en voor de herfinanciering van een bestaande lening onder de voorwaarde dat de maatschap haar bedrijf in 2003 zou beëindigen. Daarmee staat vast dat er bedrijfseconomische redenen waren om het bedrijf eind 2003 te staken en dat de maatschap een gegronde reden had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Werknemer heeft daartegen ingebracht dat de maatschap de (noodzaak tot) bedrijfsbeëindiging in de hand heeft gewerkt. Werknemer heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit het gestelde zou kunnen worden afgeleid. Het hof gaat daarom als onvoldoende onderbouwd aan die stelling voorbij.

5.2 Bedrijfsbeëindiging om bedrijfseconomische redenen is een omstandigheid die in de risicosfeer van de maatschap ligt. De maatschap heeft aangevoerd dat zij alternatieven voor staking van het bedrijf heeft onderzocht, maar dat dit niet heeft geleid tot overname van de bedrijfsactiviteiten en daarmee behoud van de baan van Werknemer. Bij gebreke van enige onderbouwing van deze stelling gaat het hof daaraan voorbij.

5.3 Vaststaat dat de maatschap voor Werknemer geen voorzieningen heeft getroffen. Met betrekking tot de mogelijkheden voor Werknemer om ander passend werk te vinden, heeft de maatschap aangevoerd dat de werkgelegenheid in de tuinbouwsector goed is.

De door de maatschap bij conclusie van antwoord overgelegde werkgelegenheidscijfers voor de tuinbouwsector over de periode 1998 tot en met 2002 laten echter een dalend aantal openstaande vacatures zien en een verschuiving in de leeftijd van vaste krachten van oud (> 45 jaar) naar jong

(< 20 jaar; 2002: < 23 jaar). De maatschap heeft Werknemer op 1 juli 2003 op de hoogte gebracht van de bedrijfsstaking per eind 2003. Werknemer was op dat moment 46 jaar. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de werkgelegenheidscijfers in de tuinbouwsector is overwogen, was het naar het oordeel van het hof op dat moment niet aannemelijk dat Werknemer vóór het einde van het jaar ander passend werk in de tuinbouwsector zou vinden en was te voorzien dat Werknemer na de bedrijfsstaking, in elk geval enige tijd werkloos zou zijn. Deze omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwd, mede in aanmerking genomen dat Werknemer 22 jaar in dienst is geweest, acht het hof de gevolgen van de opzegging per 1 februari 2004 voor Werknemer ter ernstig in vergelijking met het belang van de maatschap bij de opzegging en de opzegging derhalve kennelijk onredelijk. De maatschap heeft nog het verweer gevoerd dat Werknemer geen sollicitatiebrieven heeft overgelegd en dat ook niet anderszins geconcludeerd kan worden dat Werknemer initiatieven heeft ontplooid om een andere baan te vinden. De maatschap heeft echter niet gesteld dat als Werknemer wel gesolliciteerd had, hij binnen zeven maanden c.q. een andere concreet aangeduide termijn een andere werkgever had kunnen vinden. Nu uit de overgelegde werkgelegenheidscijfers, zoals hiervoor reeds is overwogen, een ander beeld blijkt, gaat het hof daarom aan het verweer voorbij.

5.4 Daarmee komt het hof toe aan het toekennen van een schadevergoeding aan Werknemer. Werknemer voert aan, dat de maatschap slechts voordeel heeft ondervonden bij de bedrijfsbeëindiging, hetgeen de maatschap betwist, en dat de opbrengst van de verkoop van de grond een rol moet spelen bij het vaststellen van de vergoeding, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat Bos en Vonk inkomen uit arbeid hebben. De maatschap stelt dat de maatschap eind 2002 een negatief eigen vermogen had van € 94.083,- en dat het eigen vermogen het laatste jaar nog verder is verslechterd. Voorts voert de maatschap aan dat de tuin zwaar verhypothekeerd was.

5.5 Voor zover de maatschap betoogt dat, gelet op haar financiële positie, geen plaats is voor het toekennen van een schadevergoeding aan Werknemer, gaat het hof als onvoldoende feitelijk onderbouwd aan dat betoog voorbij, aangezien de maatschap niets heeft gesteld over haar financiële positie na de bedrijfsbeëindiging, met name niet over de opbrengst uit c.q. verband houdende met de verkoop van het tuinland en voornoemd negatief vermogen niet blijkt uit de overgelegde jaarrekening over 2001. Alle omstandigheden van het geval, zoals die hiervoor zijn gebleken, in aanmerking nemende, acht het hof een bedrag van € 7.500,- een billijke vergoeding.

5.6 De slotsom is dat de grieven tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden en dat van de vorderingen van Werknemer alsnog voormeld bedrag zal worden toegewezen. In de uitkomst van de zaak ziet het hof aanleiding om de proceskosten van beide instanties te compenseren.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van 15 april 2004 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, gewezen tussen partijen;

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de maatschap kennelijk onredelijk is;

- veroordeelt de maatschap tot betaling aan Werknemer van een bedrag van

€ 7.500,- aan schadevergoeding;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, A.A. Schuering

en M.H. van Coeverden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

2 december 2005 in bijzijn van de griffier.