Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU9646

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
C05/04 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Standplaats woonwagen, huurovereenkomst medehuurster niet geeindigd, geen titel tot ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 45
WR 2006, 62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 9 december 2005

Rolnummer: 05/04 KG

Zaak-/rolnummer rechtbank: 226359/KG ZA 04-1031

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

De GEMEENTE ROZENBURG,

zetelende te Rozenburg,

appellante,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

tegen

HUURSTER,

wonende te X,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Huurster,

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 13 december 2004 is de gemeente in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 november 2004, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, in kort geding gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft de gemeente drie grieven opgeworpen. Tegen Huurster is verstek verleend. Tot slot heeft de gemeente haar procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1 Huurster is gehuwd met Y (verder Y). Y en Huurster woonden samen in een aan Huurster in eigendom toebehorende woonwagen op een standplaats aan de Dwarsweg 17 te Rozenburg. De standplaats werd gehuurd van de gemeente.

1.2 Bij verstekvonnis van 1 oktober 2002 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle, is een vordering van de gemeente, ingesteld tegen Y, tot ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats en tot ontruiming daarvan, toegewezen.

1.3 Bij dagvaarding van 20 januari 2003 heeft Y de gemeente in kort geding gedagvaard en gevorderd de gemeente te verbieden voormeld ontruimingsvon-nis te executeren. Bij vonnis van 8 april 2003 heeft de voor-zieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de vordering van Y afgewezen. Bij arrest van 13 februari 2004 van dit hof is voormeld vonnis van

8 april 2003 bekrachtigd.

1.4 In een brief van 29 april 2003 van de raadsman van Huurster aan, onder meer, (de raadsman van) de gemeente, is (onder meer) het volgende vermeld:

“(…) De heer Y is gehuwd met mevrouw X en zij woont eveneens aan de Z te X. De woonwagen die geplaatst is op de standplaats is haar eigendom. Ik wijs u er op dat u geen titel heeft tegen mevrouw Huurster nu zij in het geheel niet is gedagvaard in eerste aanleg bij de kantonrechter. Zij heeft een zelfstandig huurrecht en kan niet ontruimd worden op grond van het vonnis jegens de heer Y. (…).”

1.5 Het in rechtsoverweging 1.3 vermelde vonnis van 8 april 2003 en het arrest van 13 februari 2003 van dit hof zijn op 23 juli 2004, onder aanzegging de stand-plaats binnen veertien dagen te ontruimen, aan Y betekend. Bij brief van 19 augustus 2004 van Maas Delta Deurwaarders aan Y is Y nogmaals, kort gezegd, gesommeerd de standplaats te ontruimen.

1.6 Op 18 oktober 2004 is de standplaats in opdracht van de gemeente met behulp van de sterke arm ontruimd.

1.7 In eerste aanleg vorderde Huurster veroordeling van (naast het voor de ontruiming door de gemeente ingeschakelde deurwaarderskantoor) de gemeente tot, kort gezegd, herinrichting van de standplaats en woonwagen alsmede tot betaling aan haar van een voorschot op nog nader vast te stellen schadevergoe-ding, een en ander op straffe van een dwangsom.

1.8 De voorzieningenrechter veroordeelde de gemeente om binnen tien dagen na de datum van de uitspraak de standplaats en de daarvan verwijderde onroe-rende zaken weer aan Huurster ter beschikking te stellen en de ver-wij-derde woonwagen daar op deugdelijke wijze op de standplaats te plaatsen, zodanig dat de woonwagen geschikt is voor bewoning. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen. De voorzieningenrechter overwoog, kort gezegd, dat de ontruiming jegens Huurster onrechtmatig is omdat de huur-over-eenkomst ten aanzien van Huurster niet is geëindigd en de gemeen-te jegens Huurster geen titel tot ontruiming had.

2. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling en strekken ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld heeft dat de ontruiming onrechtmatig jegens Huurster is. Ter toelichting voert de gemeente, kort gezegd, aan dat,

-Huurster misbruik van recht maakt, respectievelijk haar rechten heeft verwerkt of daarvan afstand heeft gedaan, doordat zij gedurende een periode van twee jaar er bewust van heeft afgezien zich tegen de ontruiming te verzetten;

-het (naast Y) ook Huurster kan worden aangerekend dat in de periode vóór 4 september 2002 een onacceptabele huurachterstand is ontstaan en dat deze handelwijze van Huurster ervoor gezorgd heeft dat de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle, in het vonnis van 1 ok-tober 2002 heeft geoordeeld dat de hoogte van de huurachterstand ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigde.

Het hof overweegt als volgt.

3. Nu Huurster de woonwagen op de standplaats samen met haar echtgenoot Y bewoonde, staat vast dat zij tot 1 oktober 2002 medehuur-ster was en dat zij na ontbinding per 1 oktober 2002 van de huurovereenkomst tussen de gemeente en Y per diezelfde datum hoofdhuurster is geworden.

Dit houdt in dat de gemeente slechts dan jegens Huurster tot ont-ruiming gerechtigd was, indien de gemeente over een titel tot ontruiming beschikte dan wel indien Huurster met ontruiming jegens zichzelf, instemde. Vast staat dat de gemeente niet over een titel beschikte. Dat in de in rechtsover-weging 1.3 genoemde rechterlijke uitspraken is geoordeeld dat ontruiming jegens Y niet onrechtmatig is, betekent, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet dat het jegens Y gewezen ontruimings-vonnis ook jegens Huurster ten uitvoer mocht worden gelegd. Vast staat voorts dat Huurster niet met de ontruiming jegens zichzelf heeft ingestemd. Niet alleen was de gemeente na ontvangst van de in rechtsoverwe-ging 1.4 geciteerde brief van 29 april 2003 volledig op de hoogte van de juri-dische positie van Huurster, maar ook had de gemeente uit de inhoud van die brief kunnen en moeten begrijpen dat Huurster niet met ont-ruiming jegens zichzelf instemde. Het enkele feit dat Huurster zich na 29 april 2003 niet meer expliciet op haar uit de huurovereenkomst voort-vloeiende rechten heeft beroepen en zich op de dag van de ontruiming niet tegen de ontruiming heeft verzet, betekent niet dat de gemeente daarmee (impliciet) over een titel tot ontruiming jegens Huurster beschikte. Evenmin houdt zulks in dat Huurster haar uit de huurovereenkomst voort-vloeiende rechten niet meer kon of mocht uitoefenen. Met dat enkele stilzitten is immers niet het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat Huurster haar aanspraken niet meer geldend zou maken. Bijzondere omstandigheden die dit anders maken, zijn gesteld noch gebleken. Dat het, zoals de gemeente stelt, Huurster kan worden aangerekend dat vóór 4 september 2002 een onacceptabele huurachterstand is ontstaan, betekent niet dat de gemeente ook jegens Huurster tot ontruiming gerechtigd was. Evenmin betekent zulks dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Huurster zich in rechte op haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten beroept.

4. Nu ook hetgeen de gemeente overigens nog heeft aangevoerd het hof niet tot een ander oordeel brengt, houdt het vorenoverwogene in dat haar grieven de gemeente niet baten. De slotsom is dan ook dat het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd zal worden. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van de gemeente.

Beslissing

Het hof:

-bekrachtigt het kort geding vonnis van 16 november 2004 van de voorzie-ningenrechter van de rechtbank Rotterdam, voor zover gewezen tussen Huurster en de gemeente;

-veroordeelt de gemeente in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Huurster bepaald op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, A.A. Schuering en C.G. Beyer-Lazonder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2005 in aanwezigheid van de griffier.