Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU9640

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
C04/1330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontslagname werknemer geen invloed psychische stoornis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 9 december 2005

Rolnummer: 04/1330

Zaak/rolnummer rechtbank: 352779/03-1525

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

WERKNEMER,

wonende te X,

appellant,

hierna te noemen: Werknemer,

procureur: mr. M.A.R. Schuckink Kool,

tegen

TEN BERGE STAAL COATING B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Ten Berge,

procureur: mr. A.Y. Kroll.

Het geding

Bij exploot van 21 september 2004 is Werknemer in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 juni 2004, door de rechtbank te ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft Werknemer vier grieven opgeworpen, die door Ten Berge bij memorie van ant-woord zijn bestreden. Op 25 november 2005 hebben partijen de zaak mondeling door hun procureurs, beiden overeenkomstig overgelegde pleitaantekeningen, doen bepleiten. Na afloop der pleidooien heeft Ten Berge haar procesdossier overgelegd en hebben partijen -op basis daarvan- arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Geen grief is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1 in het tussenvonnis van 4 november 2003, zodat ook het hof de aldaar vermelde feiten tot uitgangspunt neemt.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Werknemer is op 2 november 2001 als productiemedewerker bij Ten Berge in dienst getreden. Zijn loon bedroeg laatstelijk € 998,32 netto per vier weken, exclusief vakantietoeslag.

2.2 Op 2 mei 2002 is de duur van de arbeidsovereenkomst met één jaar tot 2 mei 2003 verlengd.

2.3 Na 9 januari 2003 heeft Werknemer geen werkzaamheden meer voor Ten Berge verricht.

2.4 In een (zowel per gewone als per aangetekende post verzonden) brief van 9 ja-nuari 2003 van Ten Berge aan Werknemer staat onder meer:

“(..) Uw ontslag op eigen verzoek met onmiddellijke ingang, heden 9 januari om 14.00 uur, hebben wij aanvaard in het bijzijn van de heren ten Berge en Jansen en mevr. E. ten Berge en S. ten Berge. (…) Verder wensen wij u in uw nieuwe baan veel succes toe.(..).”

2.5 Op 9 januari 2003 heeft Ten Berge voorts een eindafrekening aan Werknemer gezonden.

2.6 In een brief van 13 mei 2003 van de gemachtigde van Werknemer aan Ten Berge staat onder meer:

“(…) Op 9 januari heeft u mijn cliënt, dhr. M. Werknemer, op zijn verzoek ontslag gegeven. Mijn cliënt verkeerde echter onder invloed van een psychische stoornis, waardoor hij niet in staat was zijn wil te verklaren. Bovendien was voor u te voorzien, dat mijn cliënt hierdoor in een nadelige positie terecht zou komen. Ik doe hierbij een beroep op art. 3: 34 BW en beschouw het ontslag als vernietigd. Mijn cliënt is momenteel wegens ziekte niet beschikbaar, doch stelt zich dit wel zodra hij gezond wordt. Mijn cliënt stelt zich beschikbaar voor controle door de Arbodienst. (…).”

2.7 In dit geding vordert Werknemer een verklaring voor recht dat het (genomen) ontslag nietig is met veroordeling van Ten Berge tot betaling van loon cum annexis over de periode 9 januari 2003 tot 2 mei 2003.

2.8 Werknemer stelt zich primair op het standpunt dat hij op 9 januari 2003 geen ontslag heeft genomen. Subsidiair voert Werknemer aan dat, voor zover sprake is geweest van ontslagname door Werknemer op 9 januari 2003, sprake is geweest van een psychische stoornis bij Werknemer ten gevolge waarvan hij niet in staat was zijn wil behoorlijk te bepalen, zodat zijn rechtshandeling vernietigbaar is.

2.9 Bij tussenvonnis van 4 november 2003 heeft de rechtbank Ten Berge toegelaten te bewijzen dat Werknemer op 9 januari 2003 met een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring met onmiddellijke ingang ontslag heeft genomen en voorts dat Ten Berge zich ervan vergewist heeft of de wil van Werknemer daad-werkelijk op beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gericht.

2.10 Na bewijslevering oordeelde de rechtbank in het vonnis waarvan beroep dat Ten Berge geslaagd is in haar bewijslevering, zodat de vorderingen van Werknemer, voor zover gebaseerd op zijn primaire standpunt, niet toewijsbaar zijn. Met be-trek-king tot de subsidiaire grondslag oordeelde de rechtbank, kort gezegd, dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat Werknemer ontslag heeft genomen onder invloed van een psychische stoornis. De rechtbank wees de vorderingen af, met veroordeling van Werknemer in de kosten.

3. De eerste drie grieven lenen zich, gelet op de daarop gegeven toelichtingen, voor gezamenlijke behandeling en strekken ten betoge dat de rechtbank ten on-rechte Ten Berge in haar bewijslevering geslaagd heeft geacht. Het hof over-weegt hieromtrent als volgt.

3.1 Uit de verklaringen van de getuigen E.G. ten Berge (moeder van de statutair directeur van Ten Berge en voorheen mede-eigenares van Ten Berge, doch in januari 2003 niet meer bij Ten Berge werkzaam), S. ten Berge-Hollinga (echtge-no-te van de statutair directeur van Ten Berge en als medewerker personeels-zaken werkzaam bij Ten Berge) en J.A. Jansen (productie/bedrijfsleider bij Ten Berge) blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat het gesprek op 9 janu-ari 2003 in een rustige sfeer is verlopen en dat Werknemer daarbij heeft meegedeeld dat hij bij Ten Berge met onmiddellijke ingang weg wilde omdat hij een andere baan had gevonden. Voorts blijkt uit de verklaringen van de eerste twee genoemde getuigen genoegzaam dat zij ervan op de hoogte waren dat het contract van Werknemer nog slechts enkele maanden zou lopen en in verband met een reorganisatie bij Ten Berge niet verlengd zou worden -tussen partijen is niet in geschil dat dit eind 2002 aan Werknemer is meegedeeld- en dat zij het om die reden redelijk vonden om op het verzoek van Werknemer, inhoudende dat hij bij Ten Berge (met onmiddellijke ingang) weg wilde omdat hij een andere baan had gevonden, in te gaan. Tegen deze achtergrond acht het hof, gelet op hetgeen de getuigen ter zake verklaard hebben, ook genoegzaam komen vast te staan dat Ten Berge zich er voldoende van vergewist heeft dat de door Werknemer geuite wil daadwerkelijk op beëindiging van zijn dienstverband bij Ten Berge gericht was. De verklaring van partijgetuige W.A.E ten Berge (statutair directeur van Ten Berge) versterkt het op grond van de verklaringen van de eerste drie genoemde getuigen bijgebrachte bewijs zodanig, dat de verklaring van Werknemer als getuige, die in zijn verklaring op de onderhavige punten alleen staat, het door Ten Berge bijgebrachte bewijs niet ontkracht. Getuige Rohoni (moeder van Werknemer) verklaart niet uit eigen wetenschap op de onderhavige punten, zodat die verklaring het door Ten Berge bijgebrachte bewijs evenmin ontkracht. Dat de getuigen omtrent de exacte locatie en de duur van het gesprek niet gelijkluidend verklaard hebben, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Voorts acht het hof, in tegenstelling tot hetgeen Werknemer ingang wil doen vinden, het feit dat tussen de door Ten Berge voorgebrachte getuigen een familie-, respectievelijk een arbeids-rechtelijke, relatie bestaat, respectievelijk bestaan heeft, geen reden om aan de betrouw-baarheid van die verklaringen te twijfelen. Bij een en ander is voorts in aan-merking genomen dat de procureur van Werknemer bij pleidooi desgevraagd heeft bevestigd dat Werknemer zich reeds kort na het ontslag in januari 2003 tot hem heeft gewend en dat hij van hem begreep dat hij ontslag had genomen en daarvan spijt had gekregen, een en ander zoals verwoord in de inleidende dagvaarding en in de in rechtsoverweging 2.6 geciteerde brief.

3.2 Op grond van het vorenoverwogene verenigt het hof zich met de uitkomst van de bewijswaardering van de rechtbank. De eerste drie grieven falen der-halve.

4. De vierde door Werknemer opgeworpen grief strekt ten betoge dat de rechtbank ten on-rechte heeft geoordeeld dat ook de subsidiaire grondslag niet tot toewijzing van de vorderingen van Werknemer leidt, althans, zo begrijpt het hof, dat de rechtbank ten onrechte Werknemer ter zake niet tot bewijslevering heeft toegelaten. Het hof over-weegt omtrent dit een en ander als volgt.

4.1 Werknemer heeft zijn subsidiaire stellingname, inhoudende dat hij ten tijde van het gesprek een psychische stoornis had ten gevolge waarvan hij niet in staat was zijn wil behoorlijk te bepalen, niet nader concreet feitelijk onderbouwd dan met verwijzing naar de inhoud van de brief van 10 maart 2003 van psychiater F. van der Oest van Parnassia aan de gemachtigde van Werknemer, waarin, zakelijk en voor zover hier van belang, vermeld is dat Werknemer, die goed reageerde op medicijnen, van 2 augustus 2001 tot eind mei 2002 bij Parnassia in verband met een psychi-a--trische stoornis in behandeling is geweest, dat Werknemer bij hernieuwde kennis-ma-king op 16 januari 2003 een achterdochtige indruk maakte en overmatig op zijn rugklachten en zijn, volgens hemzelf, slechte werkomstandigheden gefixeerd was alsmede dat het naar het inzicht van psy-chi-ater F. van der Oest zeer aanne-melijk is dat Werknemer in december 2002 zodanig in de war was dat hij zich al veel eerder ziek had moeten melden. Naar het oordeel van het hof is hieruit de juistheid van de subsidiaire stellingname van Werknemer niet af te leiden. Hoewel daartoe in de gelegenheid, heeft Werknemer ook in hoger beroep zijn stellingname niet met concrete feitelijke stellingen en/of aanvullende verklaringen geadstrueerd. Evenmin heeft Werknemer in hoger beroep een voldoende concreet en gespecificeerd bewijs-aanbod aangedaan. Ook de vierde grief baat Werknemer derhalve niet.

5. De slotsom is dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep voor bekrachtiging in aanmerking komt. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van Werknemer.

Beslissing

Het hof:

-bekrachtigt het vonnis van 22 juni 2004 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, gewezen tussen partijen;

-veroordeelt Werknemer in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ten Berge bepaald op € 241,00 aan griffierecht en op € 1.896,00 aan salaris van de procureur;

-verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, M.H. Van Coeverden en C.H. Brinkman en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2005 in aanwezigheid van de griffier.