Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU9570

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
12-01-2006
Zaaknummer
BK-04/02260
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomsten van boordwerktuigkundige uit services-agreeement vormen loon uit dienstbetrekking.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 2
Wet inkomstenbelasting 2001 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 3.90
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/41.1.5
FutD 2006-0081
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde enkelvoudige belastingkamer

23 december 2005

nummer BK-04/02260

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/P, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.397.

1.2. De tegen de aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 37. De Inspecteur heeft een verweer-schrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 28 september 2005, gehouden te Middelburg. Aldaar is verschenen de Inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. A heeft op 27 septem-ber 2005 per faxbericht aan het Hof verzocht uitstel van de mondelinge behandeling te verlenen. Hij heeft bericht dat hij onlangs de zaak van B heeft overgenomen aangezien laatstgenoem-de niet meer werkzaam is voor het kantoor, dat hij ter voorbe-reiding op de zitting geen contact heeft kunnen krijgen met belanghebbende maar dat de standpunten hem overigens zeer hel-der lijken en wat hem betreft geen verdere toelichting behoe-ven. Het verzoek om uitstel is door het Hof bij faxbericht van 27 september 2005 en bij brief van dezelfde datum afgewezen. Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen, hetgeen ook door de griffier telefonisch aan gemachtigde is medegedeeld, dat het verzoek tot uitstel te laat komt, dat de uitnodiging voor de zitting al op 24 augustus 2005 is toegezonden, dat de zaak reeds is voorbereid en zittingscapaciteit is ingenomen, dat binnen het kantoor eerder voor vervanging had kunnen worden gezorgd en dat de door gemachtigde aangevoerde reden, mede in het licht van hetgeen hij zelf vermeldt omtrent de ingenomen standpunten, niet zwaarwegend genoeg is om de mondelinge behan-deling uit te stellen.

2.3. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was als boordwerktuigkundige tot 1999 in dienstbetrekking werkzaam bij C. Vanaf 1999, hij was toen 56 jaar, heeft hij pensioen ontvangen. Eind december 1998 heeft belanghebbende met D een services agreement gesloten voor één jaar dat telkens met een jaar wordt verlengd tenzij drie maan-den voor het einde van het jaar opzegging plaatsvindt.

3.2. In 2001 is belanghebbende door D ingeschakeld voor 31 vluchten. In 2002 voor 30 vluchten en in 2003 voor 28. Zijn dienst begint en eindigt altijd in R. Hij vliegt op een Boeing 747 van R naar S en terug. Voor elke vlucht is hij tenminste 24 uur van huis. Meestal zijn het drie tot vier dagen. Per vlucht ontvangt belanghebbende een bedrag van D van € 1.134,45 en een daily allowance voor de verblijfsdagen in S. D zorgt voor ho-telaccomodatie. D heeft voor belanghebbende een ongevallenver-zekering met een dekking van $ 50.000 en een ziektekostenverze-kering met een dekking tot $ 5.000 afgesloten. Bij ziekte vindt geen betaling van het bedrag van € 1.134,45 plaats. Per jaar heeft belanghebbende recht op 28 vakantiedagen.

3.3. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 94.333. De inkomsten uit de voor D verrichte werkzaamheden, in totaal

€ 35.167, heeft hij aangegeven als resultaat uit overige werk-zaamheden en daarop € 5.064 aan kosten in mindering gebracht. Laatstgenoemd bedrag bestaat uit de volgende posten:

Reiskosten vluchten langer dan 24 uur: € 2.947

Reiskosten behoud vliegbrevet € 761

Keuring € 126

Contributie VKB € 34

Reiskosten in verband met vergaderingen

vakvereniging € 192

Afschrijving computer € 342

Extra energiekosten in verband met

onregelmatige vluchten € 14

Telefoonkosten € 648

totaal € 5.064.

3.4. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de inkomsten ter zake van de voor D verrichte werkzaamheden tot het belastbare loon gerekend in de zin van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 en de aftrek van de hiervoor onder 1.3 genoemde kosten niet aanvaard. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 99.397.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de onder 3.4 vermelde inkomsten als loon uit dienstbe-trekking heeft aangemerkt, welke vraag belanghebbene ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak waarvan beroep alsmede tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.333.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Uit hetgeen hiervoren is vastgesteld, het door belangheb-bende overgelegde services agreement alsmede hetgeen overigens uit de gedingstukken naar voren komt, leidt het Hof het volgen-de af. Belanghebbende heeft zich tegenover D verbonden persoon-lijk werkzaamheden als boordwerktuigkundige of route instructor te verrichten tegenover een vast door D te betalen bedrag en toelage en door D tijdens zijn verblijf in S te verstrekken accommodatie. Verder is aannemelijk dat belanghebbende zijn werkzaamheden op door D aangegeven tijdstippen volgens de door D vooraf gemaakte indeling van de vluchten dient te verrichten (het door D opgestelde Basic Scheduling Pattern) met inachtne-ming van de Flight Duty Regulations uit het door D opgestelde Operations Manual en de Minimum Recommended Standards and Pra-tices of the International Civil Aviation Organization. Belang-hebbende is verder verplicht zijn vluchten te beginnen en te eindigen in R en te allen tijde te beschikken over een geldig vliegbrevet en andere geldige certificaten en bewijzen voor de uitoefening van zijn beroep noodzakelijke vaardigheden. Het is derhalve D die belanghebbende indeelt op een vlucht en belang-hebbende is niet vrij te kiezen welk tijdstip, welke vlucht en hoe hij die vlucht zou willen vliegen. Op grond van een en ander is er sprake van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende een zekere tijd, een gezagsver-houding en een verplichting tot het betalen van loon. Het Hof is dan ook van oordeel dat is voldaan aan de vereisten voor het bestaan van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3:81 van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) en artikel 7:610, lid 1, BW. De door D betaalde bedragen vormen derhalve loon uit dienstbe-trekking.

6.2. Aan het vorenstaande oordeel doet niet af dat volgens artikel 5 van het services agreement belanghebbende door D niet als ‘employee’ maar als een ‘independant contractor’ wordt aangemerkt met als gevolg dat zij op het door haar betaalde bedrag geen sociale verzekeringspremies inhoudt en geen (loon)belasting afdraagt. Een overeenkomst die gelet op de inhoud daarvan moet worden aangemerkt als een arbeidsovereen-komst verliest dat karakter niet door het enkele feit dat par-tijen niet beoogd hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten. De Wet IB 2001 kent ter zake van loon uit dienstbetrekking geen aftrek meer van kosten die zijn gemaakt ter verwerving, inning en behoud van de inkomsten uit dienstbetrekking. De Inspecteur heeft derhalve terecht de in geschil zijnde correctie aange-bracht.

6.3. Uit het vorenstaande volgt dat het Hof de stelling van belanghebbende dat voor de vraag of te dezen sprake is van een dienstbetrekking aansluiting dient te worden gezocht bij het civiele recht van de staat waar D is gevestigd, verwerpt. Voor de beantwoording van de vraag die thans aan de orde is, name-lijk of voor de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen sprake is van loon uit dienstbetrek-king, is dat recht niet van belang, omdat de vraag of sprake is van een dienstbetrekking moet worden beantwoord aan de hand van Nederlands burgerlijk recht.

6.4. De uitgaven die belanghebbende ten laste van de inkomsten uit de voor D verrichte werkzaamheden heeft gebracht zijn ge-daan om die inkomsten te verwerven, te innen of te behouden en komen niet in de plaats van die inkomsten. Mitsdien is van negatieve inkomsten geen sprake.

6.5. Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op bij de aan-slagregeling voor het jaar 1999 opgewekt vertrouwen. Uit de door belanghebbende overgelegde correspondentie blijkt dat de Inspecteur toen is uitgegaan van inkomsten uit dienstbetrekking en dat, nadat belanghebbende nadere gegevens heeft verstrekt, een aftrek van kosten ter verwerving, inning en behoud is toe-gestaan. Onder het regime van de Wet IB 2001 is – zoals hier-voor reeds is overwogen - een dergelijke kostenaftrek bij loon uit dienstbetrekking niet meer mogelijk. Voor zover al sprake is van bij de aanslagregeling voor het jaar 1999 opgewekt ver-trouwen moet dat door de wijziging van het wettelijke regime per 1 januari 2001 geacht worden te zijn weggenomen.

6.6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2005,

nr. 39.870, NTFR 2005/902, dient het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende dat de de Wet IB 2001 in strijd is met het bepaalde in artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in zoverre beroepskosten niet in aftrek kunnen worden gebracht terwijl deze kosten ingevolge het bepaalde in artikel 11, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet LB 1964 wel belastingvrij door de werk-gever mogen worden vergoed, te worden verworpen.

6.7. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten zoals bedoeld in art. 8:75 Awb.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Tijnagel, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 12 oktober 2005.

(Postema) (Tijnagel)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet (opnieuw) beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft inge-steld, kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze schriftelijke uit-spraak de gronden van het eerder ingestelde beroep in cassatie verstrekken of aanvullen. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlan-den (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.