Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU8799

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
2200139505
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewelddadige overval op een supermarkt

Opiumwet feiten

Splitsing van zaken

Bevel gevangenenneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001395-05

Parketnummer(s): 10-110013-04

Datum uitspraak: 20 december 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 16 februari 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Shenneton Ficxiomar B[.]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 13 september 2005 en 6 december 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen staat vermeld bij inleidende dagvaarding van 9 juli 2004, zoals die ter terechtzitting in eerste aanleg gedeeltelijk overeenkomstig de vordering wijziging en aanvulling tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering van de officier van justitie op 12 januari 2005 is gewijzigd, waarbij het op de vordering wijziging en aanvulling tenlastelegging onder 5 vermelde feit ter terechtzitting van 12 januari 2005 door de officier van justitie is ingetrokken en hetgeen staat vermeld bij paralleldagvaarding van 19 januari 2005, zoals die tenlasteleggingen ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal op 13 september 2005 zijn gewijzigd en op vordering van de advocaat-generaal op 6 december 2005 zijn gewijzigd waarbij de (aan het oordeel van het hof onderworpen) feiten op één tenlastelegging zijn gebracht.

Van de tenlasteleggingen en de vorderingen wijziging en aanvulling tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. Het hof heeft de tenlasteleggingen en de vorderingen wijziging en aanvulling tenlastelegging deels voorzien van een nieuwe nummering en zal die nummering in het arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding ten aanzien van het onder 4/III/BB (zaak voorbereidingshandelingen overvallen) tenlastegelegde nietig verklaard en is de verdachte van het onder 1 (zaak Voorburg), 3/IV primair(import cocaïne), 5 (zaak pizzakoerier [naam]), A (diefstal uit schuur) en B/CC (voorbereidingshandelingen 10a Opiumwet) tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 2/II/AA (zaak [naam]) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is blijkens de appèlmemorie van de officier van justitie en een mededeling ter terechtzitting van de advocaat-generaal gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen ten aanzien van het onder 4/III/BB (zaak voorbereidingshandelingen overvallen) en B/CC (voorbereidingshandelingen 10a Opiumwet) tenlastegelegde.

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens een mededeling ter terechtzitting van de raadsman van de verdachte gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing ten aanzien van het onder 2/II/AA (zaak [naam]) tenlastegelegde.

Derhalve zijn in hoger beroep aan de orde de feiten zoals weergegeven onder AA, BB en CC op de vordering wijziging tenlastelegging van 6 december 2005. Het hof zal de aan het oordeel van het hof onderworpen feiten hierna slechts aanduiden met deze nummering.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Splitsing van gevoegde zaken en verwijzing naar de rechtbank

In eerste aanleg is de dagvaarding terzake van het onder BB tenlastegelegde nietig verklaard, daar de rechtbank van oordeel was dat de verweten gedragingen onvoldoende feitelijk waren omschreven, zodat het voor de verdachte niet duidelijk was waartegen hij zich op dit punt moest verweren.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2005 is de tenlastelegging ten aanzien van het onder BB tenlastegelegde op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Het hof stelt vast dat de dagvaarding ten aanzien van het onder BB tenlastegelegde na wijziging van de tenlastelegging voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en verklaart de dagvaarding in zoverre geldig.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2005 verzocht de zaak ten aanzien van het onder BB tenlastegelegde terug te wijzen naar de rechtbank te 's-Gravenhage, daar de eerste rechter niet inhoudelijk over dat feit heeft beslist en de verdachte recht heeft op een inhoudelijke behandeling in twee feitelijke instanties.

De advocaat-generaal heeft hierop medegedeeld zich niet te verzetten tegen terugwijzing in zoverre naar de rechtbank.

Het hof zal - nu voor wat betreft het onder BB tenlastegelegde in de hoofdzaak niet is beslist en door de verdachte en de advocaat-generaal de beslissing der hoofdzaak niet is verlangd - de zaak in zoverre terugwijzen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.

Het hof zal derhalve op voet van het bepaalde in artikel 415 juncto artikel 285, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de splitsing van de in eerste aanleg gevoegde zaken bevelen, in dier voege dat het onder BB tenlastegelegde wordt gesplitst van het onder AA en CC tenlastegelegde.

Nu terzake van het onder AA en CC tenlastegelegde het onderzoek is afgerond, kan en zal bij dit arrest einduitspraak worden gedaan, reden waarom de voeging naar het oordeel van het hof, niet in het belang van het onderzoek is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder AA en CC tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder AA bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder CC bewezenverklaarde:

Een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door een ander trachten te bewegen om dat feit te mede te plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot verwijzing naar de rechtbank te Rotterdam terzake van het onder BB tenlastegelegde en veroordeling van de verdachte terzake van het onder AA en CC tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met bevel tot gevangenneming van de verdachte.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige roofoverval in een supermarkt. De verdachte en zijn mededaders zijn met bivakmutsen op het hoofd het magazijn van de supermarkt binnengegaan en hebben de aldaar aanwezige supermarktmedewerkster overmeesterd. Het slachtoffer is een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd gehouden. Voorts is zij op de grond gegooid en werden haar handen en voeten met tie-wraps vastgebonden. Een andere medewerkster werd eveneens een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, tegen het hoofd gezet en heeft onder die bedreiging de kluis van de supermarkt geopend. Ook op een derde supermarktmedewerker is een pistool gericht.

Bij de overval werden een grote hoeveelheid geld, strippenkaarten, telefoonkaarten, zegelboekjes, zegelrollen en reischeques buitgemaakt. Tevens werden een tas en telefoon van eerstgenoemd slachtoffer meegenomen.

Een dergelijk ernstig misdrijf, met geweld en onder bedreiging met geweld begaan, heeft naast materiële schade ook psychische gevolgen voor de slachtoffers. Daarnaast veroorzaakt een dergelijk misdrijf onrust in de samenleving en werden gevoelens van onveiligheid versterkt.

Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander of anderen schuldig gemaakt aan het voorbereiden van het invoeren van meerdere hoeveelheden cocaïne naar Nederland. De door de verdachte en zijn mededader(s) beoogde invoer van cocaïne is een delict dat bijdraagt aan de handel in en het gebruik van cocaïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen wordt bevorderd. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Ten slotte is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 10 oktober 2005, meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Bevel tot gevangenneming

De voorlopige hechtenis van de verdachte is op 11 september 2005 opgeheven in verband met de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf.

Het hof zal - overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal - de gevangenneming van de verdachte bevelen omdat, naar het oordeel van het hof, sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert, nu het hof zwaar tilt aan met name de ernst van het feit dat onder AA is bewezenverklaard, op welk misdrijf naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaar is gesteld, en dit feit de rechtsorde ernstig heeft geschokt. Nu het hof ook anders dan de rechtbank voorbereidingshandelingen invoer cocaïne bewezen acht en een gevangenissstraf van aanzienlijk langere duur zal opleggen is een vordering gevangennneming op zijn plaats.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 57, 310 en 312 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Beveelt de splitsing van de in eerste aanleg gevoegde zaken, in dier voege dat de zaak, waarop het onder BB tenlastegelegde betrekking heeft, wordt gesplitst van de zaken, waarop het onder AA en CC tenlastegelegde betrekking heeft.

Verwijst de zaak ten aanzien van het onder BB tenlastegelegde naar de rechtbank te Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest op de grondslag van de op 6 december 2005 gewijzigde dagvaarding te berechten.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder AA en CC tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. M.J. Bax-Luhrman en mr. N.C. van Bellen, in bijzijn van de griffier mr. P.M. Tolen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2005.

Mr. N.C. van Bellen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.