Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU8364

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
19-12-2005
Zaaknummer
2200312405
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het stellen van prejudiciele vragen

Verordening EEG 259/93 (EVOA richtlijn)

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 26K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003124-05

Parketnummer(s): 10-162463-04

Datum uitspraak: 13 december 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

economische kamer

Tussenarrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 4 mei 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte vennootschap]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 november 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Heropening van het onderzoek

Na de sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In de tenlastelegging wordt de verdachte verweten dat zij een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Verordening (EEG 259/93) aangezien zij doende was afvalstoffen over te brengen van België, naar Hong Kong en/of China via Nederland zonder kennisgeving aan de betrokken autoriteiten overeenkomstig de EVOA verordening.

De verdediging heeft ter terechtzitting van 29 november 2005 niet betwist dat hier sprake is van doorvoer in de zin van de Verordening (EEG 259/93) (de verdediging betwist wel verantwoordelijk te zijn voor deze doorvoer).

Primair is de stelling van de verdediging dat de in de Verordening (EEG 259/93) bedoelde kennisgevingsprocedure niet van toepassing is, nu het hier gaat op een combinatie van groene stoffen, die op dezelfde voet als afzonderlijke groene stoffen van de kennisgevingsprocedure zijn uitgezonderd, althans als zodanig moeten worden aangemerkt. De verdediging heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Raad van State d.d. 11 mei 2005 (200406570/1)inzake [X] B.V. Daar ging het om een afvalstof die bestond uit aluminium pijpjes met een kunststof omhulsel. Deze samenstellende componenten worden genoemd onder de categorieën GA 140 en GH 010 van de groene lijst. Het stond daarbij vast dat er niet een dermate verontreiniging was met andere stoffen dat de aan de afvalstoffen verbonden risico's zodanig toenemen dat ze voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking komen of terugwinning op milieuverantwoorde-lijke wijze onmogelijk wordt. De Afdeling zag in de enkele omstandigheid dat op de groene lijst geen zelfstandige categorie voorkomt ten behoeve van aluminium buisafval met kunststof-ommanteling geen grond om de kennisgevingsprocedure toepasselijk te achten.

Blijkens de fysieke controle uitgevoerd in de onderhavige zaak door verbalisant Marco Bravenboer (proces-verbaal 2003-0322-00158/01, blz. 2) betreft het in de containers vervoerde afval behalve gewone kabels ook afvallen en restanten van electrokabel van diverse lengten niet zijnde huishoudelijke snoeren en draden met een doorsnede van 3 cm tot 12 cm. De gecontroleerde electrokabels waren samengesteld uit een kern van koper of aluminium. De kern werd geïsoleerd door een mantel van PVC en papier. De mantel van kunststof en papier werd geïsoleerd door een mantel van afvallen van lood. De buitenste laag werd gevormd door PVC.

Het hof constateert dat de samenstelling van het afval in de onderhavige zaak, zoals dat uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal blijkt, gevarieerder is dan dat van het afval waarover de Raad van State zich heeft uitgelaten in de door de verdediging genoemde uitspraak. Het gaat thans uitdrukkelijk om partijen verschillende soorten vermengde kabelrestanten.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de beslissing van de economische kamer in de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2005.

Het betreft de volgende beslissing:

Verzoek van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2005 om

een prejudiciële beslissing in de strafzaak tegen [Y] (Zaak C-259/05)(2005/C 243/05):

De rechtbank Rotterdam heeft bij tussenarrest van 8 juni 2005, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 20 juni 2005,in de strafzaak tegen [Y] het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

1. Kunnen kabelrestanten als de onderhavige (deels met een diameter van 15 cm) aangemerkt worden als „elektronische restanten, bijvoorbeeld draad enz." als genoemd onder code GC 020 van de groene lijst (1).

2. Indien vraag 1. door het Hof van Justitie ontkennend wordt beantwoord, kan of moet een combinatie van groene lijststoffen, welke combinatie als zodanig niet in die lijst wordt genoemd, aangemerkt worden als een groene lijststof en kan het vervoer voor nuttige toepassing van die combinatie van stoffen plaatsvinden zonder dat de kennisgevingsprocedure van toepassing is;

3. Is het in dat verband noodzakelijk dat die afvalstoffen gescheiden worden aangeboden of vervoerd.

In de zaak waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld, heeft de vraagstelling specifiek op verschillende soorten kabelrestanten betrekking. Derhalve acht het hof het, gelet op de primaire stelling van de verdediging, noodzakelijk dat het antwoord van het Europese Hof van Justitie wordt afgewacht, nu naar het oordeel van het hof de onderhavige zaak nauwer aansluit bij deze Rotterdamse zaak dan de zaak waarin door de Raad van State is beslist. Daarom zal het onderzoek worden heropend en geschorst in afwachting de beslissing van het Hof van Justitie.

BESLISSING

Het hof:

Heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op de nader te bepalen terechtzitting van dit hof.

Beveelt de oproeping van de verdachte en de raadsman van verdachte tegen het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting.

Stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal en verzoekt hem te bewerkstelligen dat een afschrift van het antwoord van het Europees Hof van Justitie op de door de rechtbank Rotterdam gestelde prejudiciële vragen, zodra dit beschikbaar is in het dossier wordt gevoegd waarna een nader tijdstip ter voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting kan worden bepaald.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Silvis, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. M.L.A. Filippini,

in bijzijn van de griffier mr. B.P.L. de Vries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2005.