Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU7711

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
319-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet -wijzigingsbeding in de zin van artikel 1:159 BW. Beding in dit geval niet schriftelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 23 november 2005

Rekestnummer : 319-H-05

Rekestnr. rechtbank : 04-3015

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. H.H.M. de Vries-Veringa,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J. Kok.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 16 maart 2005 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 17 december 2004.

De man heeft op 29 april 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 27 april 2005 en 14 september 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Op 28 september 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. J.A. Oudendijk, en de man, bijgestaan door mr. R.J. Ottens. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Bij beschikking van 22 mei 2001 heeft de rechtbank te Haarlem tussen par-tijen de echtscheiding uitgespro-ken, die is ingeschreven op 10 augustus 2001. Bij die beschikking is de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie tot de datum waarop de echtelijke woning is verkocht bepaald op ƒ 1.850,- per maand en vanaf die datum op ƒ 2.500,- per maand, doch beide bedragen niet eerder dan met ingang van de dag waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Nadat de vrouw hoger beroep had ingesteld tegen de bij de hiervoor genoemde beschikking opgelegde alimentatie, heeft de advocaat van de vrouw bij brief van 15 maart 2002 de toenmalige procureur van de man bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt en tot een schikking zijn gekomen, inhoudende - voor zover hier van belang - :

“1. De voormalige echtelijke woning wordt toebedeeld aan mijn cliënte”.

“6. Uw cliënte betaalt aan mijn cliënt (het hof leest: uw cliënt betaalt aan mijn cliënte) een maandelijkse alimentatie van € 1.361,34. Telkenmale te voldoen voor de eerste van de maand. Deze alimentatie wordt jaarlijks per 1 januari verhoogd met de wettelijke indexering zoals bedoeld in artikel 1:402a lid 5 BW. Partijen verklaren artikel 1:159 BW onverkort van toepassing, behoudens in geval van de noodzaak dat de alimentatie dient te worden gewijzigd vanwege dringende redenen”.

“Partijen verzoeken het hof te Amsterdam de appèlprocedure voor royement voor te dragen, waarbij elk der partijen hun eigen kosten dragen”.

Op 28 mei 2004 heeft de man de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 februari 2004 op nihil te bepalen, althans te bepalen op een zodanig bedrag en een zodanige datum als de rechtbank vermeent te behoren. Voorts heeft de man verzocht de termijn van de alimentatieplicht vast te stellen op een jaar na 1 februari 2004, waarna deze zal zijn beëindigd. De vrouw heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking is – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank te Haarlem van 22 mei 2001 en uitvoerbaar bij voorraad - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 februari 2005 tot 1 augustus 2005 bepaald op € 907,56 per maand en met ingang van 1 augustus 2005 op € 453,78 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts is, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de alimentatieverplichting van de man op 1 februari 2006 eindigt en is het meer of anders verzochte afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek dan wel dat verzoek af te wijzen. De man bestrijdt haar beroep.

2. In zijn inleidende verzoek heeft de man primair gesteld dat de overeenkomst, zoals destijds tussen partijen is gesloten, van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. De man heeft daartoe aangevoerd dat van de aanvang af is miskend dat de vrouw in staat is om na een redelijke aanpassingstermijn in eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft het vermogen om eigen inkomen te verwerven en is als zodanig na verloop van enige tijd niet meer behoeftig in de zin van de wet. De man heeft, gelet op het vorenstaande, aangevoerd dat er sinds de overeenkomst tussen partijen sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor die overeenkomst ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Voorts heeft de man aangevoerd dat de destijds overeengekomen alimentatie ten onrechte is gebaseerd op zijn toenmalige inkomen. Vanaf januari 2002 is zijn inkomen immers gedaald tot € 45.094,- en met ingang van 1 november 2002 was de man werkloos, als gevolg waarvan zijn inkomen in 2003 verder is gedaald tot bruto € 28.941,-. Vanaf 14 april 2004 is zijn inkomen wel weer gestegen, doch de man heeft aangevoerd dat voor de toekomst onbekend is of hij zijn nieuwe functie zal kunnen behouden.

Subsidiair heeft de man gesteld dat, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat het niet-wijzigingsbeding geldig is, er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden. De man heeft daartoe aangevoerd dat hij al geruime tijd onvrijwillig werkloos is en dat zijn inkomen vanaf 14 april 2004 weliswaar weer hoger is, doch niet zodanig dat hij in staat is de partneralimentatie te blijven voldoen.

Meer subsidiair heeft de man verzocht een termijn te bepalen waarna zijn alimentatieplicht zal zijn beëindigd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de vrouw, gelet op haar leeftijd, de duur van het huwelijk en het feit dat zij geen zorg heeft voor jonge kinderen, zeer wel in staat moet zijn om in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, temeer daar zij in het verleden ook inkomen uit arbeid heeft verworven.

3. De vrouw heeft vier grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man tevens in zijn verzoek heeft bedoeld de beschikking van de rechtbank te Haarlem van 22 mei 2001 te wijzigen. Het hof gaat aan die stelling voorbij. Het hof deelt weliswaar de stelling van de vrouw dat nergens uit blijkt dat de man een dergelijk verzoek expliciet aan de rechtbank heeft gedaan, doch daarentegen is het hof van oordeel dat de man, gelet op de inhoud van zijn verzoekschrift, zulks in samenhang met het verhandelde ter terechtzitting, zulks wel heeft bedoeld. Bovendien is het hof van oordeel dat de man, indien in zoverre al sprake is van een omissie, deze in hoger beroep heeft hersteld door zijn verzoek alsnog in hiervoor bedoelde zin aan te vullen. De eerste grief van de vrouw faalt derhalve.

4. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in de overeenkomst opgenomen niet-wijzigingsbeding niet geldt als een beding zoals bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW. Kort weergegeven voert de vrouw daartoe aan dat vanaf februari 2001 onderhandelingen, gesprekken en/of correspondentie tussen de advocaten van partijen hebben plaatsgevonden ter afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen. De vrouw stelt dat de door de advocaten gevoerde correspondentie en de schriftelijke vastlegging van de schikkingsovereenkomst in die correspondentie dan ook dient te worden beschouwd als correspondentie van partijen, waarmee aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Voorts stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat de man de inhoud van de brieven van haar advocaat van 15 en 19 maart 2002 nimmer heeft ontkend dan wel heeft weersproken. Bovendien stelt de vrouw dat de rechtbank geheel voorbij is gegaan aan de akte van verdeling en levering, die op 19 september 2002 bij de notaris is gepasseerd. Volgens de vrouw heeft de notaris, voordat de akte passeerde, de inhoud ervan uitvoerig met partijen besproken en derhalve ook de inhoud van de brieven van 15 maart en 19 maart 2002. Bovendien zijn die brieven volgens de vrouw aan de akte van verdeling en levering gehecht, zodat ook om die reden aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

5. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een niet-wijzigingsbeding zoals bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW. In de brief van de advocaat van de vrouw van 15 maart 2002 staat onder 6 onder meer vermeld: “Partijen verklaren artikel 1:159 BW onverkort van toepassing, behoudens in geval van de noodzaak dat de alimentatie dient te worden gewijzigd vanwege dringende redenen”. Het hof is van oordeel, dat zelfs indien in deze bewoordingen een niet-wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW valt te lezen, nog niet is voldaan aan het in het eerste lid neergelegde voorschrift volgens hetwelk een beding van niet-wijziging slechts schriftelijk kan worden gemaakt. Immers, de advocaat van de vrouw heeft in zijn brief van 15 maart 2002 de advocaat van de man verzocht de betreffende overeenkomst schriftelijk te bevestigen, doch, zoals desgevraagd de advocaat van de vrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, is deze schriftelijke bevestiging nimmer gekomen. Ook overigens is niet gebleken van enige uitwisseling van eenzijdige schriftelijke stukken aangaande het hiervoor bedoelde beding. De stelling van de vrouw dat de brieven van 15 maart 2002 en 19 maart 2002 door de notaris tijdens het passeren van de akte van verdeling en levering aan de orde zijn geweest en vervolgens aan die akte zijn gehecht, wat daarvan ook zij, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het vorenstaande brengt mee dat ook de tweede grief faalt.

6. In de toelichting op grief 3, punt 34, leest het hof nog een grief, inhoudende dat de vrouw van mening is dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. De vrouw heeft onder meer gesteld dat het inkomen van de man op het moment van het indienen van zijn verzoekschrift hoger is dan op het moment van het aangaan van de overeenkomst inzake de alimentatie.

7. In casu heeft de man aangevoerd dat de overeenkomst van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, omdat van aanvang af is miskend dat de vrouw na een redelijke aanpassingstermijn in de kosten van haar eigen levensonderhoud dient te voorzien, met als gevolg dat zij na verloop van tijd niet meer behoeftig is in de zin van de wet. Voorts heeft de man aangevoerd, kort weergegeven, dat de destijds overeengekomen alimentatie ten onrechte was gebaseerd op zijn toenmalige inkomen (€ 72.000,- bruto), omdat zijn salaris vanaf januari 2002 reeds was gedaald tot € 45.094,-. Vanaf 1 november 2002 is het inkomen van de man als gevolg van werkloosheid verder gedaald tot € 28.941,-. Sedert 14 april 2004 heeft de man weer een baan waaruit hij een inkomen geniet dat nagenoeg gelijk is aan het inkomen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

8. Het hof is van oordeel - nog in het midden gelaten de vraag of partijen bij het aangaan van de overeenkomst de behoeftigheid van de vrouw geheel buiten beschouwing hebben gelaten - dat de vrouw thans (nog) behoeftig is nu de man, desgevraagd ter zitting, uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij er destijds mee in heeft gestemd dat de vrouw ten tijde van het huwelijk niet hoefde te werken. De vrouw heeft derhalve ten tijde van het huwelijk geen carrière gemaakt. Zulks neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat van de vrouw, gelet op haar leeftijd, het feit dat uit het huwelijk van partijen geen kinderen zijn geboren en ondanks haar geringe opleiding, verwacht mag worden dat zij zich alle mogelijke inspanningen zal getroosten om geheel dan wel grotendeels in eigen levensonderhoud te voorzien. Naar het oordeel van het hof dient de vrouw derhalve pogingen te ondernemen om haar (huidige) werkzaamheden uit te breiden (de vrouw werkt thans als verkoopster van bijouterieën tegen een salaris van € 425,- bruto per maand).

9. Het hof is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW (de man heeft immers in de periode van januari 2002 tot 14 april 2004 minder inkomsten genoten dan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst), doch deze wijziging kan naar het oordeel van het hof geen wijziging van de destijds overeengekomen alimentatie rechtvaardigen. Het hof weegt mee dat bij de totstandkoming van de overeenkomst de belangen van beide partijen zijn behartigd door een advocaat, zodat de man zich er naar het oordeel van het hof niet op kan beroepen dat de rechtbank de destijds vastgestelde alimentatie ten onrechte heeft gebaseerd op zijn toenmalige inkomen. Bovendien is het hof van oordeel dat door de man geen zodanige bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld dat destijds van onjuiste gegevens of omstandigheden is uitgegaan, temeer nu de man is bijgestaan door een advocaat. Voorts weegt het hof mee dat uit de aan het hof overgelegde stukken is gebleken dat de man in de periode van januari 2002 tot 14 april 2004 de overeengekomen alimentatie, ondanks zijn lagere inkomen, heeft doorbetaald en dat hij ten tijde van het indienen van zijn inleidende verzoek (28 mei 2004) weer beschikte over een inkomen dat nagenoeg gelijk is aan het inkomen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Nu de man ondanks zijn lagere inkomen kennelijk voldoende draagkracht had om in de periode van januari 2002 tot 14 april 2004 (en derhalve ook in de in geschil zijnde periode van 1 februari 2004 tot 14 april 2004) aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen, heeft de man naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat zijn lagere inkomen met terugwerkende kracht tot een vermindering van alimentatie moet leiden. Bovendien acht het hof op dezelfde grond als de rechtbank een terugbetalingsverplichting van de vrouw over de in geschil zijnde periode niet redelijk. Weliswaar is ook de periode na 14 april 2004 in geschil, doch vanwege het feit dat de man met ingang van die datum weer een inkomen heeft dat nagenoeg gelijk is aan het inkomen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, ziet het hof in zoverre evenmin reden om tot wijziging van de alimentatie over te gaan. Het vorenstaande brengt met zich dat het tweede onderdeel van de derde grief van de vrouw slaagt en dat het verzoek van de man tot wijziging van de alimentatie derhalve dient te worden afgewezen.

10. Het eerste onderdeel van de derde grief van de vrouw heeft betrekking op de door de rechtbank vastgestelde limitering en de vierde grief op de door rechtbank vastgestelde alimentatie ten behoeve van de vrouw tot 1 februari 2006. Gelet op het vorenstaande komt het hof aan bespreking van die grieven niet toe.

11. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-ken-de:

wijst het inleidende verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Nievelt, Labohm en Reinking, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 23 november 2005.