Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU7708

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
540-R-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag over minderjarige. In dit geval nog niet voldoende basis voor gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 7 december 2005

Rekestnummer : 540-R-05

Rekestnr. rechtbank : 597610

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens inciden-teel verweer-ster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. H.J.A. Knijff,

tegen

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. S. de Kluiver.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 4 mei 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, van 8 februari 2005.

De vader heeft op 27 september 2005 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De moeder heeft op 19 oktober 2005 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 19 mei 2005 en op 31 oktober 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 24 oktober 2005 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 13 september 2005 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 2 november 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F.M.O. van Leeuwen, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. R. Feiner. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, mr. Van Leeuwen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de vader en de moeder, hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders, het volgende vast.

De ouders hebben van 1994 tot 2001 een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit op [geboortedatum] is [geboren minderjarige K], hierna te noemen: [kind]. De vader heeft [kind] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over haar. De ouders hebben nimmer samengewoond. [kind] woont bij de moeder.

Bij verzoekschrift van 23 september 2004 heeft de vader de rechtbank te Rotterdam verzocht de vader mede te belasten met het ouderlijke gezag en een omgangsregeling vast te stellen, althans een informatie- en consultatieregeling. Ter zitting zijn partijen betreffende de omgangsregeling tot overeenstemming gekomen.

Bij de bestreden beschikking is de omgangsregeling aldus vastgesteld, dat de vader met ingang van 1 januari 2005 [kind] bij zich mag hebben van zaterdag 14.00 uur tot zondag 14.00 uur. Vanaf 1 februari 2005 komt daarbij:

Eenmaal per twee weken van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur. Als er repetities zijn brengt de vader het kind zondag vóór 14.00 uur terug.

Iedere week van dinsdagavond 19.00 uur tot woensdagavond 19.00 uur;

De vader gaat op zaterdag naar dezelfde kerk als de moeder;

Op feestdagen eerste kerstdag en tweede paasdag bij de vader, het jaar daarop andersom; Vakanties de helft bij de vader, de andere helft bij de moeder;

Verjaardagen worden gevierd bij de ouder waar het kind dan is; de andere ouder kan komen.

Het inleidende verzoek van de vader is voor het overige afgewezen

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de omgang tussen de vader en [kind] en het gezag over [kind].

2. De moeder verzoekt de omgangsregeling zodanig te wijzigen, dat zij ook weekeinden met [kind] kan doorbrengen.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel zijn verzoek betreffende het gezamenlijke ouderlijke gezag, althans de informatie- en consultatieregeling alsnog toe te wijzen. De moeder verzet zich daartegen.

4. De moeder heeft onbetwist als bezwaar tegen door de rechtbank vastgelegde regeling aangevoerd, dat de moeder aldus nooit een weekeinde samen met [kind] heeft. Voorts verzet zij zich tegen de dinsdag 19.00 uur tot woensdag 19.00 uur, omdat [kind] dan te laat in bed komt en de volgende ochtenden te slaperig is op school. De vader, die in Arnhem werkt, kan [kind] echter onmogelijk reeds om 18.00 uur ophalen. Hij kan de dag, waarop hij thuis werkt, verschuiven van woensdag naar vrijdag.

5. Ter zitting is tussen partijen de volgende regeling afgesproken

[kind] verblijft bij de vader:

- eens in de veertien dagen van donderdag 19.00 uur (na het eten en douchen) tot zondag 18.00 uur (vóór het eten en douchen);

- de andere weken van donderdag 19.00 uur tot vrijdag 18.00 uur;

- in de weekeinden, waarin [kind] bij de vader verblijft, gaat hij op zaterdag naar dezelfde kerk als de moeder en zorgt hij dat [kind] de kerkdienst bijwoont;

- voor het overige conform de bestreden beschikking, waarbij geldt dat de normale omgangsregeling gedurende de vakantieregeling vervalt.

6. Ten aanzien van het gezag is ter zitting het volgende gebleken.

Tussen de vader en [kind] is vanaf de geboorte van [kind] sprake geweest van family life, zodat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag.

7. Moeder voelt zich regelmatig onder druk gezet door de vader bij het nemen van beslissingen ten aanzien van [kind]. Daarom houdt zij vast aan het gezag alleen bij de moeder. De vader wil graag belast worden met het gezamenlijke gezag, maar hij stelt dat hij het belang van [kind] voorop wil stellen, en de beslissing van de rechter op dit punt niet wil forceren.

8. Het hof overweegt als volgt. De moeder heeft vanaf de geboorte van [kind] alleen het gezag over haar gehad. In het verleden zijn er vele onenigheden tussen de ouders geweest. Partijen zijn in sommige aangelegenheden in staat gebleken om in het belang van [kind] samen te overleggen. Zo is de moeder bereid beslissingen aangaande medische aangelegenheden samen met de vader te nemen. Dat is niet steeds het geval. Beslissingen ten aanzien van het paspoort van [kind] bijvoorbeeld houden partijen nog verdeeld, zonder dat nog zicht is op een volwassen vorm van communicatie.

9. Het hof acht het verheugend dat er met betrekking tot aangelegenheden die [kind] betreffen sprake lijkt te zijn van een groei in de bereidheid van de ouders om samen te overleggen. Indien deze tendens zich voortzet, is er in de toekomst voldoende basis voor gezamenlijk gezag. Vooralsnog is dit naar het oordeel van het hof nog niet het geval en zal het hof in het belang van [kind] geen wijziging aanbrengen in de bestaande situatie. Hierbij weegt het hof mee dat, nu de moeder steeds alleen het gezag heeft gehad, het recht op eerbiediging van dit family life tussen de moeder en het kind geschonden wordt, indien een te lichtvaardige vestiging van het gezamenlijk gezag tot grote spanningen tussen de ouders en/of de moeder en het kind zouden leiden. Het hof acht de kans daartoe in dit geval nog te groot.

10. Het voorgaande brengt mee dat de be-streden beschikking van de recht-bank gedeeltelijk dient te worden ver-nie-tigd ten aanzien van de omgangsregeling, en voor het overige dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de omgangsregeling, voorzover daartegen beroep is ingesteld, en in zover-re opnieuw beschik-kende:

bepaalt een om-gangsregeling tussen de vader en [kind], inhoudende;

[kind] verblijft bij de vader:

- eens in de veertien dagen van donderdag 19.00 uur (na het eten en douchen) tot zondag 18.00 uur (vóór het eten en douchen);

- de andere weken van donderdag 19.00 uur tot vrijdag 18.00 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oor-deel onderworpen voor het overige;

verstaat dat tijdens vakanties de hierboven bepaalde omgangsregeling niet geldt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Nievelt, Van Leuven en Punselie, bijge-staan door mr. Arnbak- d'Aulnis de Bourouill als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 7 december 2005.