Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU7707

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
368-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting faillissement na overlijden gefailleerde. Taak vereffenaar naast de curator. De regels van afwikkeling van de Faillissementswet prevaleren boven die van boek 4 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 7 december 2005

Rekestnummer : 368-H-05

Rekestnr. rechtbank : 04.546

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoekster,

procureur mr. A.J.Th. de Bree.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van thans wijlen de heer [erflater],

kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekster is op 22 maart 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 23 december 2004.

De curator heeft op 24 augustus 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van verzoekster zijn bij het hof op 25 mei 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Op 31 augustus 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, mr. P.J. van der Vlerk, en de curator. Tevens is aan de zijde van verzoekster verschenen, mr. B.M. Kuipers, die als informant door het hof is gehoord. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsman van verzoekster onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de betrokkenen het volgende vast.

Op 31 oktober 2001 is de echtgenoot van verzoekster, de heer [erflater], hierna te noemen: de erflater, in staat van faillissement verklaard. Daarbij is [belanghebbende] benoemd tot curator. De erflater is op [datum] overleden tot zijn enige erfgename achterlatend zijn echtgenote voornoemd. Verzoekster heeft de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

Op 16 juli 2004 heeft verzoekster de rechtbank te ’s-Gravenhage verzocht om in de nalatenschap van de erflater als vereffenaar te benoemen: mr. drs. J.E.A. Michel, gevestigd te ’s-Gravenhage. De curator heeft hiertegen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van verzoekster afgewezen.

BEOORDELING

1. Verzoekster verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, mr. drs. J.E.A. Michel, gevestigd te ’s-Gravenhage, te benoemen tot vereffenaar, met inachtneming van de artikelen 4:204 tot en met 4:226 BW, in de nalatenschap van de erflater. Subsidiair verzoekt verzoekster, indien het hof van mening zou zijn dat de benoeming van een vereffenaar achterwege kan blijven omdat de curator uit hoofde van zijn eerdere benoeming de vereffening op zich kan nemen, de verklaring voor recht dat de curator bij de vereffening, in plaats van de artikelen 173 tot en met 194 Fw, de in het appèlschrift genoemde bepalingen van het BW toepast.

2. Verzoekster heeft als eerste grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat “aldus moet worden aangenomen dat het geval waarin reeds voor het overlijden het faillissement is uitgesproken, buiten het bereik van boek 4 BW valt, ongeacht of de nalatenschap beneficiair is aanvaard”. Verzoekster heeft haar verzoek gebaseerd op het betoog dat sinds de inwerkingtreding van Boek 4 BW op 1 januari 2003 en de gelijktijdige vervallenverklaring van artikel 198 e.v. Fw, ook in geval van overlijden van een bij leven failliete natuurlijke persoon, een vereffenaar benoemd moet worden. Volgens verzoekster is het de bedoeling van de wetgever geweest dat onder de nieuwe regeling een faillissement voortaan eindigt bij het overlijden van de gefailleerde. Het faillissement van de nalatenschap bestaat – volgens verzoekster – onder het nieuwe recht niet meer.

3. De curator heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het overlijden van de erflater ertoe heeft geleid dat zijn faillissement van rechtswege is overgegaan in het faillissement van zijn nalatenschap. Volgens de curator kan om die reden benoeming van een vereffenaar achterwege blijven en kan hij het faillissement afwikkelen.

4. Het hof overweegt dat de staat van faillissement die ten aanzien van de erflater is uitgesproken, met zijn overlijden van rechtswege wordt voorgezet ten aanzien van diens nalatenschap nu de wet in dit geval niet voorziet in een beëindiging van het faillissement. Het vervallen van de artikelen 198 tot en met 202 van de Faillissementswet per 1 januari 2003 met de invoering van het nieuwe erfrecht doet daaraan niet af, nu deze bepalingen betrekking hadden op het in staat van faillissement verklaren van een nalatenschap en niet op het hier aan de orde zijnde geval van het overlijden van een failliet. Op het aldus voortdurende faillissement blijven de bepalingen van de Faillissementswet van toepassing, zodat de curator zijn taken en bevoegdheden kan en moet blijven uitoefenen zoals voorheen. De eerste grief treft mitsdien geen doel.

5. Met betrekking tot de tweede grief overweegt het hof dat indien de nalatenschap door één of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, alle erfgenamen vereffenaar zijn. Vaststaat dat verzoekster enige erfgenaam is van de erflater en dat zij diens nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, zodat zij van rechtswege de enige vereffenaar daarvan is. Nu de staat van faillissement van de nalatenschap geen wijziging brengt in de taken en bevoegdheden van de curator in het faillissement, is voor de vereffenaar alsdan slechts een taak weggelegd ten aanzien van die aan een vereffenaar opgedragen werkzaamheden, die niet vallen onder de bevoegdheden van de curator in het faillissement. Aldus is de rechtbank terecht tot de gevolgtrekking gekomen dat de regels van afwikkeling van de Faillissementswet prevaleren boven die van Boek 4 BW. De grief is mitsdien tevergeefs voorgesteld.

6. De derde grief ziet op de overweging van de rechtbank dat hetgeen door verzoekster ter terechtzitting in eerste aanleg is aangevoerd, onvoldoende is voor het oordeel dat er tegenstrijdige belangen bestaan ingeval van benoeming van de curator tot vereffenaar. Door verzoekster is in hoger beroep aangevoerd dat de positie van de curator een andere is dan die van de vereffenaar en dat de vraag rijst of het salaris van de curator met voorrang uit de nalatenschap moet worden voldaan. Nu uit die stellingen – indien al juist – niet noodzakelijk het bestaan van tegenstrijdige belangen voortvloeit, laat staan welke en verzoekster haar stellingen op dat onderdeel niet verder heeft uitgewerkt, is zij in hoger beroep er evenmin in geslaagd de door haar gestelde tegenstrijdige belangen van de curator en de vereffenaar aan te tonen. De derde grief faalt.

7. Gelet op het vorenstaande behoeft – naar het oordeel van het hof – hetgeen verzoekster voorts nog heeft aangevoerd geen bespreking meer, omdat zulks niet tot een ander oordeel kan leiden.

8. Gelet op het vorenstaande dient de bestreden beschikking, onder verbetering van gronden, te worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Van Leuven, bijge-staan door mr. Visser als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 7 december 2005.