Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6917

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
2200324505
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Illegaal vuurwerk, observatie door Nederlandse opsporingsambtenaren op Belgisch grondgebied

Wetsverwijzingen
Wet milieugevaarlijke stoffen 39
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003245-05

Parketnummer(s): 11-610066-05

Datum uitspraak: 23 november 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Dordrecht van 18 mei 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 november 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 520,= subsidiair tien dagen hechtenis, alsmede een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, als ook tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat bij de opsporing vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Daartoe heeft hij - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

(a) De observaties door de Nederlandse opsporingsambtenaren op Belgisch grondgebied hebben plaatsgevonden in strijd met het ter zake geldende Belgische recht, nu die observaties, die als dwangmiddelen moeten worden aangemerkt, zijn verricht zonder dat sprake was van een noodsituatie, terwijl de observaties bovendien langdurig zijn geweest, hetgeen niet in verhouding staat tot het feit waarvan de verdenking bestond. Voorts heeft de verdediging in dit verband opgemerkt dat zich in het dossier slechts het eerste rechtshulpverzoek aan de Belgische autoriteiten bevindt en geen verzoeken om verlenging van die rechtshulp.

(b) In feite is sprake geweest van zogenaamde gecontroleerde aflevering (Belgische term: "begeleide zending") van het vuurwerk. In strijd met de circulaire van 24 april 1990 van het Belgische ministerie van justitie is voor deze gecontroleerde aflevering echter geen toestemming gegeven door de procureur des konings.

Het hof verwerpt dit verweer in zijn beide onderdelen en overweegt daartoe als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat zich bij de stukken een schriftelijke toestemming bevindt van de procureur des konings d.d. 3 december 2004, gericht aan de officier van justitie te 's-Gravenhage, waarbij "internationale observatie" is toegestaan tot en met 31 december 2004.

Indien al kan worden aangenomen dat onder die omstandigheden nog plaats is voor een zelfstandige beoordeling door de Nederlandse rechter van de vraag of bij het verlenen van die toestemming is gehandeld in overeenstemming met de ter zake geldende Belgische rechtsregels, stuit het verweer af op het volgende.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de observaties niet als dwangmiddel kunnen worden aangemerkt, nu door het observeren op zichzelf geen enkele dwang of druk op de geobserveerde perso(o)nen(n) wordt uitgeoefend en deze(n) meestentijds zelfs niet op de hoogte zal (zullen) zijn van het feit dat observatie plaatsvindt. Er zijn geen aanwijzingen dat dit in dit concrete geval anders is geweest.

Voorts is naar het oordeel van het hof evenmin sprake geweest van langdurige of stelselmatige observatie van de verdachte. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat een observatie-eenheid op 27 december 2004, omstreeks 16.58 uur, een personenauto heeft waargenomen, die, naar later bleek, door de verdachte werd bestuurd. Reeds omstreeks 17.45 uur op diezelfde datum is aan de verdachte, als bestuurder van die auto een stopteken gegeven, waarna hij omstreeks 18.00 uur door de verbalisanten is gehoord. Aan het vorenstaande kan niet afdoen dat aannemelijk is dat gedurende de laatste maanden van 2004 met toestemming van de procureur des konings nog vele andere, eveneens kortdurende, observaties van weer andere potentiële verdachten hebben plaatsgevonden.

Aan de stelling van de verdediging dat voor de gecontroleerde aflevering krachtens een Belgische circulaire eveneens de toestemming van de procureur des konings is vereist, kan worden voorbijgegaan, reeds omdat een circulaire van de minister van justitie of de procureur-generaal in België, naar de raadsman eveneens heeft betoogd, geen formele bron van strafprocesrecht vormt. Afgezien daarvan, is in het verzoek van de officier van justitie aan de procureur des konings tot het verlenen van toestemming voor het verrichten van observaties ("internationale rogatoire commissie"; als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd) met zoveel woorden vermeld dat de observaties ten doel hebben vast te stellen dat door inwoners van Nederland vuurwerk vanuit België op Nederlands grondgebied wordt gebracht. Er kan redelijkerwijs dan ook van worden uitgegaan dat de verleende toestemming mede het aspect van de gecontroleerde aflevering betreft.

Ook overigens is uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten of omstandigheden gebleken die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Aangezien er, blijkens hetgeen hiervoor ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen, geen grond is voor het oordeel dat het voorhanden bewijs op onrechtmatige wijze is verkregen, dient het (subsidiaire) standpunt van de verdediging, dat de resultaten van het opsporingsonderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit, te worden verworpen.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte tot een geldboete van EUR 500,= subsidiair tien dagen hechtenis, alsmede tot dertig uren taakstraf, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland gebracht en voorhanden gehad terwijl dit vuurwerk niet voorzien was van de aanduiding 'geschikt voor particulier gebruik' zoals het Vuurwerkbesluit vereist. Hierdoor heeft de verdachte een wettelijk voorschrift dat is gegeven in het belang van de veiligheid overtreden.

Het hof is van oordeel, mede gelet op de aard en de hoeveelheid van het vuurwerk, zoals bewezenverklaard, dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur alsmede een geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormen, waarbij rekening is gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c (oud), 22d, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a(oud), 2 (oud) en 6(oud) van de Wet op de economische delicten, artikel 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en artikel 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 15 (vijftien) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 10 (tien) dagen.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Borgesius,

S.K. Welbedacht en J.A. van Kempen, in bijzijn van de griffier mr. L. Hansman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 november 2005.