Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6570

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2005
Datum publicatie
22-11-2005
Zaaknummer
2200326305
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbele moord in Rotterdam. Vignolazaak. 20 jaar en TBS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003263-05

Parketnummer(s): 10-060208-04

Datum uitspraak: 18 november 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 18 mei 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

thans verblijvende in [naam penitentiaire inrichting] te [plaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 november 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is de verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling van overheidswege met dwangverpleging opgelegd. Tevens zijn in eerste aanleg beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader in het vonnis omschreven.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Moord, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

Het hof zal de navolgende beslissing nemen op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de nacht van 11 op 12 november 2004 heeft de verdachte zijn vriend [slachtoffer1] en diens vriendin [slachtoffer2] vermoord. Eerder die dag is de verdachte, samen met medeverdachte J[.], naar Amsterdam gereden om het moordwapen op te halen bij medeverdachte V[.]. Op de terugweg hebben de verdachte en J[.] een vriend van J[.], medeverdachte M[.], opgehaald. Vervolgens zijn ze naar het huis van de verdachte gereden, waar de verdachte een tas met kleding heeft gepakt. Bij het huis van [slachtoffer1] aangekomen heeft de verdachte aan M[.] de opdracht gegeven om op straat op hem te wachten met de tas met kleding. De verdachte is het huis van [slachtoffer1] binnengegaan, waar hij vervolgens [slachtoffer1] en [slachtoffer2] heeft doodgeschoten. De verdachte heeft met zijn daad aan twee mensen het leven ontnomen. Verder heeft de verdachte door zijn daad aan de nabestaanden een onnoemelijk en onomkeerbaar leed berokkend. De dochters van [slachtoffer2] hebben door de handelingen van de verdachte hun moeder verloren. Het is voor de nabestaanden van [slachtoffer2] onverdraaglijk dat zij is vermoord, enkel omdat zij als getuige in de nabijheid van [slachtoffer1] was toen deze werd vermoord. De nabestaanden van de slachtoffers zullen de gevolgen van hun verlies altijd met zich dragen. Door een dergelijke dubbele moord is de rechtsorde ernstig geschokt. Dergelijke ernstige delicten veroorzaken bovendien in de maatschappij, die er kennis van neemt, grote verontwaardiging en onrust.

Omtrent de persoonlijkheid van de verdachte zijn twee rapporten uitgebracht.

Door drs. R. Thomassen, psychiater is op 6 april 2005 gerapporteerd en op 13 april 2005 door drs. A.H. Eenhoorn, forensisch psycholoog. Deze deskundigen komen onder meer tot de volgende beschouwingen en conclusies.

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met zowel narcistische als ADHD kenmerken. Daarnaast is er bij de verdachte sprake van een verslavings-problematiek. Ten tijde van het delict was er sprake van bedoelde persoonlijkheidsstoornis en van cocaïne-intoxicatie.

Door de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is verdachte - ook tijdens het delict - in zijn vrije keuzemogelijkheden en gedrag beperkt. Kenmerken als impulsiviteit, prikkelbaarheid, het ontbreken van spijtgevoelens en een basisangst met een neiging tot een paranoïde gedachtegang liggen hieraan ten grondslag. De geconstateerde persoonlijkheidsstoornis is dusdanig ernstig dat het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Het recidive risico wordt als sterk verhoogd aangemerkt. Gezien de persoonlijkheidsstructuur van de verdachte en zijn voorgeschiedenis is het waarschijnlijk dat de verdachte zich wederom zal bezighouden met criminele activiteiten en het misbruik van middelen. Cocaïnemisbruik geeft hierbij een extra risicoverhogende werking op wederom controleverlies, impulsiviteit en een achterdochtige gedachtegang in situaties waarin de verdachte zich wederom begeeft in criminele activiteiten.

De deskundigen adviseren om, teneinde tot een maximale vermindering van het recidive risico te komen, TBS met dwangverpleging op te leggen. Zij tekenen daarbij aan dat de behandelbaarheid van een stoornis zoals bij de verdachte geconstateerd gering is. Door de langere duur van een TBS-maatregel kan getracht worden de verdachte te behandelen voor zijn verslavingsproblematiek en kunnen enkele aspecten van zijn persoonlijkheidsstructuur beïnvloed worden door cognitief gedragstherapeutische technieken.

Het hof neemt de bevindingen en de conclusies van de voornoemde gedragsdeskundigen over en maakt deze tot de zijne. De verdachte vormt naar het oordeel van het hof een zodanig gevaar voor de maatschappij dat, zonder adequate verpleging en behandeling van de bij de verdachte geconstateerde geestes- en persoonlijkheidsstoornissen, er van terugkeer van de verdachte in de maatschappij geen sprake kan en mag zijn.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het opleggen van een straf zowel als een maatregel op zijn plaats acht om tegemoet te komen aan zowel de noodzaak om de verdachte te straffen voor zijn daden als om de samenleving te beschermen tegen de mogelijkheid dat de verdachte wederom een vergelijkbaar ernstig strafbaar feit pleegt.

Mede gelet op de door de deskundigen vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid acht het hof een levenslange gevangenisstraf niet passend. De ernst van de feiten rechtvaardigt wel een gevangenisstraf van zeer lange duur.

Indien mocht blijken dat de behandeling bij de verdachte niet tot de gewenste resultaten leidt en terugkeer in de maatschappij - gelet op de beveiliging hiervan - niet verantwoord wordt geacht, dan zal hij daarin ook niet mogen terugkeren en zal de TBS maatregel, zolang als nodig, worden verlengd. Gelet op de ernst van de feiten en het gegeven dat de verdachte reeds eerder vanwege een veroordeling voor een ernstig geweldsmisdrijf een langdurige gevangenisstraf heeft uitgezeten, hetgeen hem er niet van heeft kunnen weerhouden de onderhavige feiten te plegen, adviseert het hof dat de TBS met verpleging van overheidswege niet eerder wordt aangevangen dan nadat de verdachte de op te leggen gevangenisstraf volledig heeft ondergaan.

Alles overwegende komt het hof tot de conclusie dat de na te noemen straf en maatregel passend en geboden zijn.

Vordering benadeelde partij [sclach[slachtoffer1]

De erfgename van [slachtoffer1], heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Deze vordering wordt hierna aangeduid als de vordering van de benadeelde partij [.]

In hoger beroep is de vordering aan de orde tot een bedrag van EUR 2.730, 68.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [.]

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Naar het oordeel van het hof komt de vordering slechts voor toewijzing in aanmerking voorzover die bestaat uit de door de erfgenamen gemaakte kosten als in artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk (in dit geval begrafeniskosten).

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [ ] toewijzen tot een bedrag van EUR 2.022,31.

Voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk, aangezien de vordering in zoverre niet valt onder artikel 51a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [ ] tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Het hof zal tevens een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen ten behoeve van de erfgename van [slachtoffer1]

Vordering benadeelde partij [slachtoffer2]

De erfgenamen van [slachtoffer2] hebben zich gevoegd als benadeelde partij. Als gemachtigde van de erfgenamen heeft [vertegenwoordiger], de vordering ingediend. Deze vordering wordt hierna aangeduid als de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2].

In hoger beroep is de vordering aan de orde tot het volledig gevorderde bedrag van EUR 5.180,31.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2].

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van strafrecht wordt opgelegd.

Naar het oordeel van het hof komt de vordering volledig voor toewijzing in aanmerking nu het gaat om een vordering van erfgenamen bestaande uit de kosten bedoeld in artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] toewijzen tot een bedrag van EUR 5.180,31.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer2] tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Het hof zal tevens een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen ten behoeve van de erfgenamen van [slachtoffer2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de erfgename van [slachtoffer1], tot een bedrag van

EUR 2.022,31 (tweeduizend tweeëntwintig euro en eenendertig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de erfgename van [slachtoffer1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die [vertenwoordiger] in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de erfgename van [slachtoffer1] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [de erfgename], van een bedrag van EUR 2.022,31 (tweeduizend tweeëntwintig euro en eenendertig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, [vertenwoordiger], komt te vervallen voorzover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de erfgenamen van [slachtoffer2], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], tot het gevorderde bedrag van EUR 5.180,30 (vijfduizend honderdtachtig euro en dertig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die [vertegenwoordiger] in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de erfgenamen van [slachtoffer2], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de erfgenamen [vertegenwoordiger]r2], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], van een bedrag van

EUR 5.180,30 (vijfduizend honderdtachtig euro en dertig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 103 (honderddrie) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], komt te vervallen voorzover een mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Silvis, C.G.M. van Rijnberk en M.L.A. Filippini, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Erskine.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 november 2005.