Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6566

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
22-11-2005
Zaaknummer
2200301205
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2005:AT4777
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wik H, Tweede Schiedammer parkzaak, zaak Nienke: 18 jaar en TBS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003012-05

Parketnummer: 10-010049-04

Datum uitspraak: 22 november 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 27 april 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

Wik H.

thans gedetineerd

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 november 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 primair, 5 subsidiair, 6 primair en 6 subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 meer subsidiair, 6 meer subsidiair, 7 primair en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest en voorts is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Voorts is omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen beslist als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Verweer aangaande de tenlastelegging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd dat onder 5 primair naast de moord impliciet de doodslag ten laste is gelegd. Indien de moord niet bewezen zou kunnen worden en het hof de doodslag wel bewezen zou achten, zou het hof niet meer kunnen toekomen aan het subsidiair tenlastegelegde, te weten de gekwalificeerde doodslag.

Het hof overweegt daartoe dat uit de wijze waarop de primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten in de tenlastelegging zijn opgenomen, met vermelding van de desbetreffende artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, blijkt dat het de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging is geweest om primair moord subsidiair gekwalificeerde doodslag en meer subsidiair doodslag ten laste te leggen.

Het hof leest de tenlastelegging dienovereenkomstig.

6. Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft - onder meer - geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 5 primair en 6 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 4 impliciet, te weten poging tot doodslag, het 5 subsidiair en 6 subsidiair tenlastegelegde, te weten tweemaal gekwalificeerde doodslag.

Het hof is anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 1]. Uit de beschikbare bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte wel opzet heeft gehad op het aan het slachtoffer toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft het slachtoffer daartoe eenmaal met kracht in de buik gestoken.

Het hof is voorts van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte de doodslag van [slachtoffer 2] en de poging doodslag op [slachtoffer 3] heeft gepleegd met het oogmerk om zich straffeloosheid te verzekeren dan wel teneinde andere strafbare feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof is - met inachtneming van het vorenoverwogene - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 impliciet primair, 5 primair en 5 subsidiair, 6 primair en 6 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 impliciet subsidiair, 5 meer subsidiair, 6 meer subsidiair, 7 primair en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van:

Afpersing.

en

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Ten aanzien van het onder 4 impliciet subsidiair bewezenverklaarde:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 5 meer subsidiair bewezen-verklaarde:

Doodslag.

Ten aanzien van het onder 6 meer subsidiair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 7 primair bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Motivering van de op te leggen straf en maatregel

11.1

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot vrijspraak van de verdachte van het onder 5 primair en 6 primair tenlastegelegde, alsmede tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2, 3, 4 impliciet primair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7 primair en 8 tenlastegelegde tot een levenslange gevangenisstraf. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat, indien het hof het onder 5 subsidiair niet bewezen acht, aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren wordt opgelegd, met aftrek van voorarrest, alsmede dat de terbeschikkingstelling van de verdachte wordt gelast met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

11.2

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

11.3

De verdachte heeft zich in juni 2000 schuldig gemaakt aan schokkende strafbare feiten door op klaarlichte dag in een openbaar park een tienjarig meisje, [slachtoffer 2], en een elfjarige jongen, [slachtoffer 3], te benaderen, vast te pakken en mee te nemen naar de bosschages.

Aldaar heeft hij hen onder bedreiging van een mes vastgehouden en de - in de bewezenverklaring omschreven - seksuele handelingen bij elkaar laten verrichten. De verdachte zelf heeft zijn vinger in de vagina van het meisje geduwd.

Op enig moment heeft hij de jongen van het leven trachten te beroven door met een mes in zijn nek en hals te steken. Vervolgens heeft hij het meisje dat zich tegen hem verzette, gewurgd.

De verdachte heeft zo op uiterst brute wijze het tienjarige meisje het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is opnieuw gebleken dat deze gewelddadige dood een diepe wond heeft geslagen in de familie van het meisje en onherstelbaar groot leed heeft veroorzaakt. Voor wat betreft de elfjarige jongen is te verwachten dat hij de psychische gevolgen van de hem aangedane feiten voor altijd met zich mee zal dragen.

Ook de samenleving is door bovenstaande feiten zeer ernstig geschokt.

11.4

Twee jaar na het plegen van deze feiten, in 2002, heeft de verdachte, omdat hij schulden had en op een gemakkelijke manier aan geld wilde komen, de toen 19-jarige medewerkster van een videotheek - op de in de bewezenverklaring omschreven wijze - gedwongen tot afgifte van geld. Daarna heeft hij haar onder meer vastgebonden, haar seksueel misbruikt en haar in haar buik gestoken, tengevolge waarvan zij een operatie heeft moeten ondergaan.

Op grove wijze heeft de verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer nog immer kampt met de psychische gevolgen van hetgeen haar is aangedaan. Bovendien heeft de verdachte de videotheek financiële schade toegebracht.

11.5

Wederom twee jaar later, in 2004, heeft de verdachte een veter uit zijn schoen gehaald en deze onverhoeds om de hals van een jonge vrouw gedaan en de veter aangetrokken met de bedoeling deze vrouw in zijn macht te krijgen en haar seksueel te misbruiken. Dat het hierbij is gebleven is enkel te danken aan het feit dat omstanders op het geschreeuw van de vrouw zijn afgekomen en de verdachte daarop is gevlucht.

Deze gebeurtenis heeft het slachtoffer veel angst bezorgd en ook zij zal naar verwachting de psychische gevolgen van dit feit nog lange tijd dragen.

Alle bovengenoemde feiten hebben de gevoelens van angst en onveiligheid die in het algemeen in de maatschappij leven, versterkt.

11.6

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 28 oktober 2005, in 1999 is veroordeeld voor het plegen van een poging tot verkrachting tot - onder meer - een voorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Ingevolge dat vonnis heeft hij ná juni 2000 een langdurig intensief trainingsprogramma voor plegers van seksuele delicten bij het Dok in Rotterdam gevolgd.

11.7

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 24 maart 2005 uitgebracht en ondertekend door A.J. de Groot, psycholoog, en F.R. Kruisdijk, psychiater.

Blijkens dit rapport heeft de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddelde normale mens. De verdachte heeft ten tijde van alle tenlastegelegde feiten geleden aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, hetgeen meebrengt dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (de afpersing van [slachtoffer 1]) kan worden gesproken over enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

De verdachte heeft een in zijn jeugd ontstane borderline persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, ontwijkende, narcistische en antisociale kenmerken. Daarnaast in er cannabis en alcoholmisbruik.

In de aanloop naar de feiten in juni 2000 waren er voor de verdachte ontregelende factoren, namelijk het verlies van zijn oma en een stadionverbod van voetbalclub Ajax, die tot die tijd voor zijn diffuse identiteit verstevigende factoren in zijn leven waren en waaraan hij innerlijke stevigheid ontleende.

Deze verliezen veroorzaakten onlust en impulsiviteit, die het begonnen te winnen van zijn controle op zijn impulsen en maakten hem psychisch kwetsbaar, passend bij een borderlineorganisatie van de persoonlijkheid.

Bij de keuze van de slachtoffers valt de impulsiviteit op. De verdachte lijkt zijn eigen onmacht te willen bestrijden door het uitoefenen van (seksuele) macht. Bij de opeenvolgende delictshandelingen valt op dat de verdachte zich nog af en toe rekenschap geeft van zijn omgeving: zo blijft hij met de kinderen laag in de struiken, vanuit het kennelijke besef ontdekt te kunnen worden, en na afloop fingeert hij tegen een boom te plassen als hij de indruk heeft bekeken te worden. De wils- en handelingsvrijheid van de verdachte lijken tijdens het beloop van de feiten sub 5 tot en met 8 te fluctueren, waarbij in het middenstuk, met de seksuele handelingen, het steken van de jongen en het verwurgen van het meisje, een duidelijke vermindering van de toerekeningsvatbaarheid te constateren valt. Rapporteurs achten de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor de sub 5 tot en met 8 tenlastegelegde feiten.

Bij de sub 2 tot en met 4 tenlastegelegde feiten valt op dat verdachtes relatie door zijn vriendin kort tevoren werd verbroken. Hij verloor weer een vertrouwd kader en hij werd teruggeworpen op zijn primitieve onlust- en onmachtgevoelens. De verdachte trachtte op impulsieve manier zijn vriendin af te betalen door een videotheek te overvallen. De machtssituatie met een gebonden slachtoffer heeft bij de verdachte seksueel-agressieve gevoelens bevorderd.

Rapporteurs achten de wils- en handelingsvrijheid van de verdachte, na het impulsieve besluit tot een overval, bij de voorbereidingen in beperkte mate verminderd en concluderen dat het sub 2 tenlastegelegde hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. Vanwege de verdere doorwerking van de pathologie in de vervolghandelingen achten de rapporteurs hem voor het sub 3 en 4 tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar.

Voorafgaand aan het onder 1 tenlastegelegde had de verdachte fors alcohol gebruikt en was hij erotisch geprikkeld geraakt door een danspartij met een meisje; zij nam plotseling afscheid, hetgeen hem had verrast. Gevoelens van frustratie lijken de overhand te hebben als hij daarna het slachtoffer op een bankje ziet zitten en op impulsieve wijze tracht dit slachtoffer door middel van verwurging met een veter in zijn macht te krijgen.

Rapporteurs achten de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het sub 1 tenlastegelegde.

Rapporteurs achten de kans op recidive van ernstige (seksueel-) agressieve delicten als de thans tenlastegelegde - gelet op de aard en ernst van verdachtes persoonlijkheidsproblematiek - op korte termijn groot indien de verdachte onbehandeld zou blijven. Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt geadviseerd.

11.8

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de deskundigen die bovengenoemd rapport hebben opgesteld gehoord.

De psycholoog A.J. de Groot heeft ter terechtzitting - zakelijk weergegeven - onder meer verklaard:

De verdachte kan ten aanzien van de feiten, met uitzondering van het onder 2 tenlastegelegde, als verminderd, tegen de grens van sterk verminderd, toerekeningsvatbaar worden aangemerkt.

11.9

Het hof neemt de visie van deze gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum, zoals aangevuld ter zitting door de deskundige A.J. de Groot, over.

11.10

Voorts heeft het hof acht geslagen op:

- het (gedrags-)neurologisch onderzoek d.d. 31 maart 2005 uitgebracht en ondertekend door prof. dr. C. Jonker;

- het Addendum van het Pieter Baan Centrum d.d. 7 april 2005 uitgebracht en ondertekend door A.J. de Groot, psycholoog, en F.R. Kruisdijk, psychiater, waarin de conclusies uit het eerdere rapport worden gehandhaafd;

- het rapport Pro Justitia uitgebracht en ondertekend door J.J. Baneke d.d. 15 september 2004 waarin terbeschikkingstelling met verpleging wordt geadviseerd.

11.11

Het hof heeft bij het bepalen van de aard en de duur van de op te leggen straf rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de cumulatie van ernstige gewelddadige en seksuele delicten in een periode van 1999 tot 2004, terwijl de verdachte, bekend met de door hemzelf omschreven "kronkel in zijn hoofd", niet daadwerkelijk hulp heeft gezocht, alsmede de mate waarin het bewezenverklaarde onherstelbaar groot leed heeft berokkend en de rechtsorde zeer ernstig heeft geschokt. Daarenboven heeft het hof gelet op het door de deskundigen aangegeven grote risico op recidive van ernstige (seksueel-) agressieve delicten.

Wat betreft de hoogte van de straf is het hof van oordeel dat - mede gelet op de straftoemeting in ernstige geweldszaken (met dodelijke afloop) - slechts een gevangenisstraf van na te melden lange duur kan leiden tot adequate vergelding van de door de verdachte gepleegde feiten, tot herstel van de schok die deze feiten in de rechtsorde teweeg hebben gebracht, alsmede tot preventie van soortgelijke delicten door de verdachte in de toekomst.

Gelet op de door de gedragsdeskundigen uitgebrachte rapportage en de noodzaak van behandeling van de verdachte teneinde het thans grote recidive-risico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, is het hof van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte met dwangverpleging naast voornoemde gevangenisstraf aan de verdachte dient te worden opgelegd. De ernst van de bewezenverklaarde feiten, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen vereisen oplegging van deze maatregel.

De maatregel wordt gegrond op de door de verdachte begane misdrijven, die behoren tot de misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden zal het hof de terbeschikkingstelling gelasten en bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht adviseren dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eerst dient aan te vangen nadat tweederde van de opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd.

Voor de verdachte bestaat - gelet op zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid - op grond van artikel 13 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 41 tot en met 44a van de Penitentiaire Maatregel de mogelijkheid reeds gedurende de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf ter behandeling te worden geplaatst in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden.

Naar het stellige oordeel van het hof moet - gelet op de ernst van de gepleegde feiten en het recidivegevaar - worden voorkomen dat de verdachte vóór het verstrijken van een aanzienlijke tijd en zonder voldoende behandeling in de maatschappij terugkeert.

Door aan de combinatie van een zeer lange gevangenisstraf en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging het advies als bovenvermeld te verbinden, beoogt het hof te waarborgen dat in ieder geval niet voordat tweederde deel van de gevangenisstraf is verstreken met een tbs-verloftraject zal worden gestart.

12. Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1], in rechte vertegenwoordigd door [raadsvrouw 1], een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van EUR 1.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman en de verdachte hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Naar het oordeel van het hof leent de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich voor toewijzing bij wijze van voorschot. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag toekennen van EUR 1.500,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

13. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.500,- ten behoeve van [benadeelde partij 1].

14. Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2], in rechte vertegenwoordigd [raadsvrouw 1], een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 3.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van EUR 3.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman en de verdachte hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Naar het oordeel van het hof leent de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich voor toewijzing bij wijze van voorschot. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag toekennen van EUR 3.500,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

15. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 2, 3 en 4 impliciet subsidiair bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 3.500,- ten behoeve van [benadeelde partij 2].

16. Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 3], in rechte vertegenwoordigd door [raadsman 1], een vordering ingediend tot vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 35.010,32.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 35.010,32.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij terzake van de vergoeding van materiële schade, groot EUR 12.321,31.

Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing naar billijkheid van de vordering voorzover deze ziet op vergoeding van immateriële schade.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman en de verdachte hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Naar het oordeel van het hof kan de vordering ter zake van de geleden materiële schade als niet betwist worden toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade - mede gelet op HR 22 februari 2002, NJ 2002,240 - niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade en dat zij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit alles brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vorderingen heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

17. Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 meer subsidiair bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 12.321,31 ten behoeve van [benadeelde partij 3]

18. Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4], in rechte vertegenwoordigd door [raadsman 2], een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 en 8 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 7.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van EUR 7.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman en de verdachte hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Naar het oordeel van het hof leent de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich voor toewijzing bij wijze van voorschot. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag toekennen van EUR 7.500,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

19. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 6 en 8 bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 7.500,- ten behoeve van [benadeelde partij 4]

20. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 55, 57, 242, 246, 287, 302, 310, 312 (oud) en 317 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 impliciet primair, 5 primair en 5 subsidiair, 6 primair en 6 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 impliciet subsidiair, 5 meer subsidiair, 6 meer subsidiair, 7 primair en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert de Minister van Justitie dat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eerst dient aan te vangen nadat tweederde van de hiervoor vermelde gevangenisstraf geheel ten uitvoer is gelegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot het gevorderde bedrag van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voorzover de vordering tot schadevergoeding is toegewezen terzake van door de benadeelde partij geleden immateriële schade, dit bedrag wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] van een bedrag van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] tot het gevorderde bedrag van EUR 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voorzover de vordering tot schadevergoeding is toegewezen terzake van door de benadeelde partij geleden immateriële schade, dit bedrag wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2], van een bedrag van EUR 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3] tot een bedrag van EUR 12.321,21 (twaalfduizend driehonderdeenentwintig euro en eenentwintig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart [benadeelde partij 3] ten dele, te weten tot een bedrag van EUR 22.689,01, niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij, voorzover zij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, deze vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 3], van een bedrag van EUR 12.321,31 (twaalfduizend driehonderdeenentwintig euro en eenendertig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 195 (honderdvijfennegentig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 4] tot het gevorderde bedrag van EUR 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voorzover de vordering tot schadevergoeding is toegewezen terzake van door de benadeelde partij geleden immateriële schade, dit bedrag wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt

- welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 4], van een bedrag van EUR 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Stoker-Klein,

A.E. Mos-Verstraten en G.J.W. van Oven, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Perquin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2005.