Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU5655

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-09-2005
Datum publicatie
07-11-2005
Zaaknummer
04/03042
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

navordering ontvangen alimentatie na uitvoerige correspondentie, geen nieuw feit, geen kwade trouw.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-2205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

negende enkelvoudige belastingkamer

14 oktober 2005

nummer BK-04/03042

UITSPRAAK

op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/P, betreffende na te noemen navorderingsaanslag en boetebeschikking.

1. Navorderingsaanslag, beschikking en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een primitieve aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.064. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 71.106. Bij beschikking heeft de Inspecteur tevens aan belanghebbende op de voet van de artikelen 67e en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van ? 4.070 (25 percent).

1.2. Het tegen de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak gedeeltelijk gegrond verklaard. De navorderingaanslag is gehandhaafd en de boete is verminderd tot op ? 1.628 (10 percent).

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van ? 37. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 23 september 2005, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is in 1993 gescheiden. Het terzake, in april 1993 ondertekende, echtscheidingsconvenant vermeldt onder meer het volgende:

"Artikel 1: Levensonderhoud ten behoeve van de vrouw

1.1 De man betaalt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de Gemeente Q ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw een bijdrage van f. 3.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 januari 1994 jaarlijks onderhevig aan de wettelijke indexatie ex artikel 1:402a BW.

(...)

Artikel 5: Pensioenrechten

5.1 Het totaal van de contante waarde van de per ontbindings-datum opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioenen wordt tussen partijen gelijk verdeeld.

Aan de man wordt toegescheiden het recht op ouderdomspensioen dat hij heeft jegens de Stichting C Pensioenfonds.

Aan de vrouw wordt toegescheiden het recht op bijzonder weduwenpensioen dat ten behoeve van haar is opgebouwd bij de Stichting C Pensioenfonds.

5.2 Uit hoofde van de verrekening van de waarde van de pensioenrechten betaalt de man aan de vrouw met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de Gemeente Q, een bedrag van f. 3.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, welk bedrag met ingang van 1 januari 1994 en tussentijds op 1 april 1994 jaarlijks met eenzelfde percentage wordt verhoogd of verlaagd als het ouderdomspensioen dat de man geniet.

5.3 De man zal binnen 1 maand nadat de echtscheidings-beschikking is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand het Pensioenfonds op de hoogte stellen van de echtscheiding en van de tussen partijen getroffen regeling.

(...)

Artikel 7: Fiscale aspecten

7.1 Aanslagen respectievelijk teruggaves inkomstenbelasting/ premieheffing volksverzekeringen betreffende de periode voordat de man uit hoofde van de artikel 1. en 5. de in die genoemde artikelen vastgestelde bedragen aan de vrouw betaalt, komen voor rekening van de man, ongeacht op wiens of wier naam deze zijn gesteld of betreft.

Aanslagen die betrekking hebben op de periode te rekenen vanaf

de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de Gemeente Q, komen voor rekening van degene te wiens of wier naam deze zijn gesteld of het betreft."

3.2. De ex-echtgenoot heeft uit hoofde van het echtscheidingsconvenant aan belanghebbende jaarlijks bedragen aan alimentatie en aan door te betalen ouderdomspensioen betaald. Belanghebbende heeft deze bedragen in de door haar ingediende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren tot en met 1996 volledig als inkomsten aangegeven. Bij de aanslagregeling zijn de aangiften over die jaren, in elk geval op dit punt, gevolgd.

3.3. In 1997 is bij belanghebbende de vraag gerezen of de fiscale behandeling van de van de ex-echtgenoot ontvangen bedragen juist was. Zij heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het door hem doorbetaalde ouderdomspensioen een netto-betaling betreft, welke niet (nogmaals) bij haar in de inkomstenbelasting dient te worden betrokken.

3.4. Belanghebbendes gemachtigde heeft zich in dit verband in de loop van 1998 tot de Inspecteur gewend. Bij brief aan de Inspecteur van 11 november 1998 heeft hij bovenvermeld standpunt uiteengezet en voorts heeft hij, onder verwijzing naar dat standpunt, bij brieven van 21 december 1998 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie over de jaren 1993 tot en met 1996. Na enige correspondentie zijn de bezwaren op 5 februari 1999 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, waarbij evenmin ambtshalve aan de bezwaren is tegemoetgekomen.

3.5. Op grond van voormeld standpunt heeft belanghebbende met ingang van 1997 het van de ex-echtgenoot ontvangen doorbetaalde ouderdomspensioen niet meer aangegeven in haar aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

3.6. De aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 is ingediend op 6 april 1999. Op 16 april 1999 heeft de gemachtigde, in het kader van de voortdurende discussie, aan de Inspecteur een kopie van het echtscheidingsconvenant doen toekomen. Bij brief van 23 april 1999 heeft de Inspecteur zijn voornemen kenbaar gemaakt om bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 het aangegeven belastbare inkomen te verhogen met het van de ex-echtgenoot ontvangen doorbetaalde ouderdomspensioen ad ƒ 38.467. Na een schriftelijke reactie van de gemachtigde van 1 juni 1999 heeft de Inspecteur bij brief van 25 januari 2000 de afwijking van de aangifte definitief bevestigd. De aanslag over het jaar 1997 is op 9 februari 2000 door belanghebbende ontvangen.

3.7. De aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 is ingediend op 6 maart 2000. In de aangifte is niet uitdrukkelijk melding gemaakt van het onder 3.3 omschreven standpunt van belanghebbende. Bij beschikking van 3 juni 2000 is - klaarblijkelijk naar aanleiding van deze aangifte - de over het jaar 1998 aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verminderd. De definitieve aanslag over dat jaar, met dagtekening 20 juli 2000, is zonder het stellen van vragen conform de aangifte vastgesteld.

3.8. De definitieve aanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over de jaren 1999 tot en met 2001 zijn zonder het stellen van vragen conform de aangifte vastgesteld.

3.9. Op 14 juli 2003 heeft de Inspecteur van zijn collega te K een renseignement ontvangen naar aanleiding van de regeling van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbendes ex-echtgenoot over de jaren 2000 en 2001. Het renseignement vermeldt dat belanghebbende in 2000 ƒ 81.736 en in 2001 ? 39.119 aan alimentatie en pensioen heeft ontvangen. Blijkens een bijlage bij de pleitnota van de Inspecteur heeft de ex-echtgenoot in 2000 een pensioenuitkering ontvangen van ƒ 175.172 en in 2001 een pensioenuitkering van ? 83.299, waarop respectievelijk ƒ 79.035 en ? 31.879 aan loonheffing is ingehouden, en heeft hij voorts in die jaren de bovenvermelde bedragen aan alimentatie en pensioen als persoonlijke verplichting in aftrek gebracht.

3.10. Bij brief van 8 augustus 2003 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om een overzicht van de in de jaren 1998 tot en met 2002 ontvangen alimentatie alsmede om een verklaring voor het feit dat te weinig alimentatie is aangegeven. De gemachtigde heeft in antwoord hierop bij brief van 28 augustus 2003 het volgende overzicht verschaft:

alimentatie pensioen

- 1998 f. 39.042 f. 39.042

- 1999 f. 39.900 f. 39.900

- 2000 f. 40.800 f. 40.800

- 2001 ? 19.514 ? 19.514

- 2002 ? 20.412 ? 20.412.

In de brief heeft de gemachtigde aangegeven dat in de aangiften over de jaren 1998 tot en met 2002 alleen de in de eerste kolom vermelde bedragen zijn aangegeven en heeft hij tevens toegelicht waarom zulks is gedaan.

3.11. De definitieve aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 2002 is met dagtekening 6 september 2003 zonder het stellen van nadere vragen conform de aangifte vastgesteld.

3.12. Naar aanleiding van de bovengenoemde brief van 28 augustus 2003 heeft de Inspecteur bij schrijven van 28 november 2003 zijn voornemen tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag en boete meegedeeld. Na een schriftelijke reactie van de gemachtigde heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag en de boete bij brief van 31 december 2003 definitief aangekondigd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil:

- of sprake is van een zogeheten nieuw feit;

- of sprake is van kwade trouw;

- of navordering wordt verhinderd door het vertrouwensbeginsel;

- of het doorbetaalde ouderdomspensioen bij belanghebbende is belast;

- of sprake is van opzet dan wel grove schuld.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Overwegingen omtrent het geschil en ambtshalve

5.1. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur op 3 september 2004 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan en dat het stuk van 8 oktober 2004 slechts de cijfermatige uitwerking daarvan is (vgl. HR 8 maart 2002,

nr. 36.382, BNB 2002/274). Het op 13 september 2004 ingediende beroep is derhalve tijdig.

5.2.1. De Inspecteur heeft als nieuw feit aangevoerd dat hem eerst uit het in 2003 ontvangen renseignement bleek van de omvang van de door belanghebbende ontvangen bedragen aan alimentatie en doorbetaald ouderdomspensioen.

5.2.2. Ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998, dat blijkens de feiten omstreeks 20 juli 2000 moet zijn geschied, had de Inspecteur kennis kunnen dragen van de onder 3.4 en 3.6 vermelde correspondentie met belanghebbendes gemachtigde. Dat die correspondentie wellicht niet (meer) in belanghebbendes dossier aanwezig was, is een omstandigheid die voor risico van de Inspecteur komt. Uit die correspondentie en uit de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 bleek onmiskenbaar a) op hoeveel alimentatie en doorbetaald ouderdomspensioen belanghebbende recht had en b) dat belanghebbende het standpunt innam dat het doorbetaalde ouderdomspensioen bij haar niet belast was. Dat de Inspecteur van dit standpunt op de hoogte was, moge blijken uit de bij de aanslagregeling over het jaar 1997 aangebrachte correctie op de aangifte.

5.2.3. De normale zorgvuldigheid die de Inspecteur bij het beoordelen van de aangifte over het jaar 1998 in acht diende te nemen brengt mee dat hij die aangifte in die zin aan een onderzoek had behoren te onderwerpen dat zij vergeleken wordt met de gegevens, die in het dossier van belanghebbende aanwezig zijn, tot welke gegevens onder meer behoren de aangiften over vorige jaren.

5.2.4. Indien de Inspecteur zulks had gedaan, had hij kennis kunnen nemen van de onder 5.2.2 genoemde correspondentie en van belanghebbendes standpunt inzake de belastbaarheid van het doorbetaalde ouderdomspensioen. Tevens had hij zelfs bij vluchtige vergelijking van het over het jaar 1998 aangegeven bedrag aan alimentatie/doorbetaald ouderdomspensioen met het bij de aanslagregeling over het jaar 1997 terzake vastgestelde bedrag - zeker in het licht van de hem ter beschikking gestelde kopie van het echtscheidingsconvenant -, kunnen waarnemen dat belanghebbende in de aangifte over 1998 aanzienlijk minder alimentatie/doorbetaald ouderdomspensioen aangaf dan waar zij recht op had en ook aanzienlijk minder dan bij de aanslagregeling over het jaar 1997 in het belastbare inkomen was begrepen.

5.2.5. Door niettemin geen nader onderzoek in te stellen naar aanleiding van de aangifte over het jaar 1998 heeft de Inspecteur een ambtelijk verzuim begaan. Reeds bij vaststellen van de primitieve aanslag had hij redelijkerwijs bekend kunnen zijn met de omvang van de door belanghebbende genoten bedragen aan alimentatie en doorbetaald ouderdomspensioen alsmede met de wijze waarop deze in de aangifte waren aangegeven. Van een nieuw feit is dus geen sprake.

5.3. Van kwade trouw in de zin van artikel 16, lid 1, van de AWR is sprake indien een belastingplichtige aan de Inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt dan wel opzettelijk de juiste inlichtingen onthoudt.

5.4. Geen van beide situaties doet zich in casu voor. Het tot navordering aanleiding gevende feit, te weten de omvang van de door belanghebbende ontvangen bedragen aan alimentatie en doorbetaald ouderdomspensioen, was tijdig door belanghebbendes gemachtigde aan de Inspecteur verstrekt met het toezenden van een kopie van het echtscheidingsconvenant op 16 april 1999. Bovendien heeft de gemachtigde in de onder 3.4 en 3.6 genoemde correspondentie het standpunt van belanghebbende inzake de belastbaarheid van het doorbetaalde ouderdomspensioen uitdrukkelijk onder de aandacht van de Inspecteur gebracht. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende opzettelijk aan de Inspecteur onjuiste inlichtingen heeft verstrekt dan wel opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden. Van kwade trouw is derhalve geen sprake.

5.5. Al hetgeen in het vorenstaande is overwogen, leidt tot de slotsom dat de navorderingsaanslag en de boetebeschik-king niet in stand kunnen blijven, omdat niet is voldaan aan de in artikel 16, lid 1, van de AWR gestelde voorwaarden voor navordering. De overige grieven behoeven geen behandeling.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op ? 966 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (voor de beroepsfase 2 punten à ? 322 en voor de bezwaarfase 2 punten à ? 161). Voor een hogere vergoeding als door belanghebbende gevraagd, acht het Hof geen termen aanwezig.

6.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

7. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vernietigt de navorderingsaanslag en de boetebeschikking,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op ? 966,

- gelast de Staat der Nederlanden deze kosten en het voor deze zaak gestorte griffierecht van ? 37 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Tromp. De beslissing is op 14 oktober 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.