Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU5531

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
2200246004
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmotivering: De verdachte is, samen met anderen, betrokken geweest bij een reeks van zeven overvallen op winkels en bedrijven, waarbij steeds is gedreigd met een vuurwapen en in een enkel geval zeer hardhandig is opgetreden tegen personeel. Tevens heeft de verdachte met een ander geprobeerd iemand zwaar te mishandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002460-04 en 22-005332-04

Parketnummer(s): 10-050064-03, 10-052892-03 en 10-090073-02 (Tul)

Datum uitspraak: 3 juni 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 19 april 2004 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 4 februari, waarna het onderzoek is gesloten maar bij tussenarrest van 18 februari 2005 is heropend, en van 20 mei 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit arrest zijn gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 cumulatief, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest en ter zake van het onder 9 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en zes maanden. Voorts is in eerste aanleg de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam op 29 april 2003 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf en zijn beslissingen genomen ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2005 heeft het hof de door een beveiligingscamera opgenomen beelden van de overval op het pompstation te Purmerend (feit 9) bekeken. Het hof heeft door het bekijken van deze videobeelden niet de overtuiging bekomen dat de verdachte degene is die op deze beelden is te zien als een der daders van die overval, zodat het hof niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte deze overval heeft gepleegd. De verdachte behoort dan ook van het onder 9 tenlastegelegde, te worden vrijgesproken

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 cumulatief, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de medeverdachte [medeverdachte] heeft geprobeerd een ander dan de verdachte uit de wind te houden en daarom belastende verklaringen over de verdachte in plaats van over die ander heeft afgelegd. Naar het oordeel van het hof is dit niet aannemelijk geworden, nu de medeverdachte [medeverdachte] in andere verklaringen wel de rol van een andere persoon, aangeduid als 'Kleine', heeft genoemd en niet valt in te zien waarom hij in de verklaringen waarin hij de verdachte noemt deze weg heeft gekozen in plaats van een onduidelijke aanduiding te gebruiken, te minder nu niet aannemelijk is geworden dat hij een hekel had of heeft aan de verdachte.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

Diefstal door twee of mer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren.

2, 5.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

3.

De voortgezette handeling van

afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

4.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

6.

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

7.

Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

8.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is, samen met anderen, betrokken geweest bij een reeks van zeven overvallen op winkels en bedrijven, waarbij steeds is gedreigd met een vuurwapen en in een enkel geval zeer hardhandig is opgetreden tegen personeel.

Tevens heeft de verdachte met een ander geprobeerd iemand zwaar te mishandelen.

De verdachte heeft in al deze gevallen blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor zijn slachtoffers, die deze feiten als buitengewoon beangstigend en bedreigend hebben ervaren. Het valt te verwachten dat zij nog geruime tijd zullen kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Daarnaast brengen feiten als deze bij burgers in het algemeen gevoelens van onveiligheid en angst teweeg.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 28 januari 2005, enkele malen eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Aan de andere kant heeft het hof bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de nog vrij jeugdige leeftijd van de verdachte, die de feiten in een betrekkelijk korte periode heeft gepleegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 400,-- aan materiële schade en EUR 2.000,-- aan immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering vermeerderd met een bedrag van EUR 66.976,--. Een dergelijke vermeerdering van het te vorderen bedrag aan schadevergoeding is, buiten de proceskosten in tweede aanleg, in hoger beroep echter niet toegestaan, zodat het hof alleen acht zal slaan op het al in eerste aanleg gevorderde bedrag van EUR 2.400,-. De benadeelde partij heeft de vordering geoorloofd verhoogd, voor de kosten van rechtshulp in hoger beroep, met EUR 520,-- met 19% BTW.

De advocaat-generaal heeft in dezen, in aanvulling op haar schriftelijke vordering, geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 1.400,-- en tot afwijzing van de vordering voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 400,-- aan materiële en EUR 2.000,-- aan immateriële schade is geleden. Aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 270,--, nu geen goede grond voor het verschijnen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 2.400,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.400,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 1.000,--.

De advocaat-generaal heeft in dezen, in aanvulling op haar schriftelijke vordering, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 1.000,-- materiële schade is geleden. Aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot voornoemd bedrag worden toegewezen, met proceskosten.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 1.000,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.162,24.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 295,-. Uit een ter zitting op 20 mei 2004 aan de raadsman ter inzage gegeven brief blijkt dat een bevoegde vertegenwoordiger van de benadeelde partij de indiening van de vordering voor haar rekening neemt.

De advocaat-generaal heeft in dezen, in aanvulling op haar schriftelijke vordering, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 295,00 materiële schade is geleden. Aannemelijk is geworden dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 5 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot voornoemd bedrag worden toegewezen, met proceskosten.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 295,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 29 april 2003 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, met bevel dat die ene maand gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoer-legging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 45, 47, 56, 57, 302, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 9 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het 1, 2, 3 cumulatief, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

10 (tien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoer-legging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van

EUR 2.400,-- (vierentwintighonderd euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door de mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn bepaald op EUR 270,-- - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

EUR 2.400,-- (vierentwintighonderd euro)

ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 1], [adres], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van

48 (achtenveertig) dagen.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] komt te vervallen voorzover de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn hoofdvordering, voor zover EUR 2.400,-- te boven gaande.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van

EUR 1.000,-- (duizend euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

EUR 1.000,-- (duizend euro)

ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 2], [adres], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van

20(twintig) dagen.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot een bedrag van

EUR 295,-- (tweehonderdvijfennegentig euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door de mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Postkantoren met eenzelfde bedrag doet verminderen.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

EUR 295,-- (tweehonderdvijfennegentig euro)

ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 3], [adres], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van

5(vijf) dagen.

Verstaat dat de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] komt te vervallen voorzover de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij van de van opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van

1 (één) maand.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koning, Fonteijn-van der Meulen en Abels, in bijzijn van de griffier mr. Timmer-Smeele.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juni 2005.