Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU5510

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
2200471204
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen partieel hoger beroep mogelijk tegen een gedeeltelijke vrijspraak van het alternatief tenlastegelegde. Veroordeling ter zake van het als werkgever in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering opzettelijk geen opgave doen van het door werknemers genoten loon en als werkgever in de zin van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen opzettelijk niet de aanvang of beëindiging van werkzaamheden van zijn werknemers mededelen aan de betreffende instantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004712-04

Parketnummer(s): 09-755118-02

Datum uitspraak: 18 oktober 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 10 juni 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 oktober 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft middels een akte intrekking van het hoger beroep d.d. 27 september 2005 aangegeven het hoger beroep in te trekken met betrekking tot de gegeven vrijspraak ter zake van het onder 2 tenlastegelegde gelegde medeplegen van oplichting. De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat partieel hoger beroep in het onderhavige geval mogelijk is nu sprake is van een cumulatieve tenlastelegging.

Naar het oordeel van het hof is deze beperking van het hoger beroep in het onderhavige geval niet mogelijk, nu op grond van artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering alleen hoger beroep kan worden ingesteld tegen het vonnis als geheel, tenzij sprake is van cumulatief tenlastegelegde feiten. Het hof verstaat het onder 2 tenlastegelegde echter zo dat sprake is van een alternatieve tenlastelegging, te weten uitlokken of medeplegen van oplichting. Het hof staat een beperking van het hoger beroep met betrekking tot de voor de onder 2 tenlastegelegde gegeven vrijspraak terzake van medeplegen van oplichting dan ook niet toe.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Opzettelijk een der in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Opzettelijke overtreding van artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, meermalen gepleegd.

en

Opzettelijke overtreding van artikel 58, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde tot een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als werkgever in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering opzettelijk geen opgave gedaan van het door zijn werknemers genoten loon. Tevens heeft hij als werkgever in de zin van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen opzettelijk niet de aanvang of beëindiging van werkzaamheden van zijn werknemers medegedeeld aan de betreffende instantie. Bij het bepalen van de strafmaat houdt het hof er rekening mee dat de verdachte heeft verklaard spijt te hebben van het feit dat hij zich aan het bovenstaande heeft schuldig gemaakt en met de ingrijpende gevolgen van zijn handelen voor zijn persoonlijke situatie.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10 (oud), 10, 17a (oud) en 18 (oud) van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, de artikelen 91 en 108 van de Organisatiewet sociale verzekering 1997, de artikelen 58 en 84 (oud) van de Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen en de artikelen 13 (oud) en 13 van het Loonadministratiebesluit.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van

80 (tachtig) uren,

te vervangen door hechtenis voor de tijd van 40 (veertig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Beveelt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Silvis, C.G.M. van Rijnberk en L.A.J.M. van Dijk, in bijzijn van de griffier mr. J.M.A. Timmer-Smeele.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 oktober 2005.