Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU4669

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2005
Datum publicatie
17-02-2006
Zaaknummer
160-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefte kind gerelateerd aan Nibud-tabel en verdeeld over beide ouders naar hun inkomens

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 28 september 2005

Rekestnummer : 160-H-05

Rekestnr. rechtbank : 04-2364

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens inciden-teel verweer-ster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.J.J.A. Ooms,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. J.G. Hinnen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 februari 2005 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 16 november 2004, welke beschikking is verbeterd bij beschikking van 22 februari 2005.

De vader heeft op 14 maart 2005 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De moeder heeft op 26 april 2005 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 24 februari 2005, 2 maart 2005, 29 maart 2005 en 19 juli 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 24 augustus 2005 een aanvullend stuk ingekomen.

Op 31 augustus 2005 is de zaak mondeling behandeld door mr. Gerretsen-Visser als raadsheer-commissaris. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.R. Laoût. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd, mr. Laoût onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de moeder en de vader, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, het volgende vast.

De vader en de moeder hebben tot medio augustus 2002 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de moeder zijn geboren de minderjarigen [kind 1], op [geboortedatum], welke minderjarige door de vader is erkend, en [kind 2], op [geboortedatum].

Op 27 april 2004 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht de aan haar te betalen kinderalimentatie ten laste van de vader, met ingang van 19 augustus 2002, vast te stellen op € 507,67 per maand voor [kind 1]. De vader heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking is de kinderalimentatie met ingang van 27 april 2004 bepaald op € 506,- per maand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de kinderalimentatie, de behoefte van [kind 1] en de verdeling daarvan over de ouders, alsmede de ingangsdatum van de alimentatieverplichting.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vader met ingang van 1 augustus 2002 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] een bedrag van € 506,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, aan de moeder dient te voldoen.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] € 295,- per maand dient te betalen, subsidiair een bedrag als in goede justitie zal worden vermeend te behoren, alles met ingang van de datum van indiening van het verzoek in eerste instantie van de moeder. De moeder verzet zich daartegen.

4. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het redelijk is dat de vader de vastgestelde bijdrage verschuldigd is met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. Daartoe voert zij onder meer aan dat de vader er reeds vanaf augustus 2002 van op de hoogte was dat zij behoefte had aan een bijdrage. Daarnaast stelt de moeder dat in het kader van de boedelscheiding door de rechtbank is beslist dat zij vanaf 1 augustus 2002 gehouden is de helft van de netto woonlasten van de gezamenlijke woning te voldoen. Deze woonlasten zijn van augustus 2002 tot februari 2003 van de gezamenlijke rekening voldaan en hiermee is rekening gehouden bij de verdeling van die gezamenlijke rekening. Wat betreft de periode vanaf februari 2003 betaalt de vader de woonlasten en zal het door de moeder aan de vader verschuldigde deel uiteindelijk bij de verkoop van de woning worden verrekend. De moeder meent dan ook dat het standpunt van de vader dat hij reeds betalingen voor [kind 1] heeft verricht omdat hij de volledige woonlasten voor de moeder heeft gedragen, geen stand kan houden. Voorts stelt de moeder dat nu zij over de periode augustus 2002 tot aan de verkoop van de woning een aanzienlijk bedrag is verschuldigd, dit verrekend kan worden met de kinderalimentatie die de vader aan haar dient te betalen. Zij meent derhalve dat een bijdrage van € 506,- per maand redelijk en billijk is.

5. De vader betwist de stellingen van de moeder omtrent de ingangsdatum van de alimentatieverplichting en meent dat de rechtbank op dit punt op goede gronden tot haar beslissing is gekomen.

6. In incidenteel appèl stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van [kind 1] heeft bepaald op € 732,42 per maand. Voorts stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte zijn verweer tegen de behoefte verkeerd heeft uitgelegd. Ter onderbouwing van zijn stelling voert de vader aan dat de moeder die hoge behoefte niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de NIBUD-tabel niet lineair doorgetrokken kan worden. De vader stelt enerzijds dat bij de behoeftebepaling uitgegaan moet worden van een situatie met twee kinderen, waarvan de helft aan [kind 1] dient te worden toegerekend, en stelt anderzijds dat hij slechts voor [kind 1] onderhoudsplichtig is. Hij stelt de behoefte van [kind 1] op € 425,- per maand, waarvan € 295,- voor zijn rekening dient te komen.

7. De moeder betwist de stellingen van de vader in incidenteel appèl en voert daartoe onder meer aan dat bij de beoordeling van de behoefte van [kind 1] uitgegaan dient te worden van de Nibud-normen voor één kind, aangezien de vader uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij slechts uitgaat van een zorgplicht voor één kind. Ten aanzien van het lineair doortrekken van de behoeftetabel stelt de moeder dat de aanbevelingen bij die tabel zeggen dat lineair doorgetrokken dient te worden. Voorts stelt de moeder dat zij extra kosten heeft voor [kind 1] omdat hij vanwege een astmatische aandoening vaak naar de dokter moet en veel medicijnen nodig heeft. Daarnaast heeft [kind 1] op school een achterstand waarvoor hij speciale tests moet ondergaan, met de nodige kosten van dien, aldus de moeder.

8. Het hof oordeelt als volgt.

behoefte van [kind 1]

9. Het hof kan de vader niet volgen in zijn stelling dat, nu er gedurende de samenwoning twee kinderen zijn geboren waarvan slecht één een kind van de vader is, de tabel voor twee kinderen dient te worden gebruikt waarvan de helft moet worden toegerekend aan [kind 1] en waarvan de moeder haar gedeelte kan betalen. Evenals in eerste aanleg heeft de vader in appèl wederom uitdrukkelijk gesteld uitsluitend onderhoudsplichtig voor [kind 1] te zijn. Het hof ziet in de onderbouwing van de stelling van de vader geen aanleiding uit te gaan van de situatie dat er twee kinderen zijn. Naar het oordeel van het hof zou anders de onbillijke situatie ontstaan dat de hoogte van de bijdrage door de vader wordt gedrukt doordat de gemiddelde kosten bij twee kinderen lager zijn dan wanneer uitgegaan wordt van één kind, terwijl de vader meent slechts voor één kind te hoeven betalen. Het hof zal derhalve, evenals de rechtbank, uitgaan van een situatie met één kind.

10. Bij de vaststelling van de hoogte van de behoefte van een kind, wordt uitgegaan van het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van de ouders. De moeder heeft gesteld dat haar netto inkomen in 2002 € 700,- per maand bedroeg, hetgeen door de vader onweersproken is gebleven. Het inkomen van de vader in 2002 is het hof niet bekend. Wel is bekend dat zijn inkomen in 2003 € 2.898,- netto per maand bedroeg, hetgeen uit de jaaropgave van 2003 afgeleid kan worden. Het hof gaat er van uit dat de vader in 2002 een nagenoeg gelijk bedrag verdiende. Derhalve bedroeg het gezamenlijk netto inkomen destijds € 3.598,- per maand. Rekening houdend met dit netto maandinkomen, alsmede met de leeftijd van [kind 1] in 2002 bedraagt zijn behoefte in ieder geval € 600,- per maand. Hoewel deze behoefte is gerelateerd aan een netto inkomen van € 3.500,- per maand en het netto inkomen van de ouders € 100,- per maand hoger lag, oordeelt het hof dat door de moeder niet aannemelijk is gemaakt dat de behoefte van [kind 1] een bedrag van € 600,- per maand overstijgt. Het hof gaat derhalve uit van een behoefte van € 600,- per maand.

verdeling behoefte

11. Gelet op de verhouding tussen vorenvermelde netto inkomens van de ouders, komt een bedrag van € 120,- per maand voor rekening van de moeder en een bedrag van € 480,- per maand voor rekening van de vader. Nu de draagkracht van de vader niet in geschil is, gaat het hof er van uit dat de vader in staat is dit bedrag te kunnen betalen, met ingang van de hierna te melden ingangsdatum.

ingangsdatum

12. De moeder heeft desgevraagd ter zitting erkend dat de vader met ingang van augustus 2002 tot en met maart 2003 een bijdrage voor [kind 1] van € 200,- per maand heeft geleverd. Voorts heeft de (advocaat van de) vader ter zitting nader verklaard dat de ouders nadien in het kader van de boedelscheiding afspraken hebben gemaakt, met als component de kinderalimentatie, hetgeen door de moeder niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is weersproken. Gelet op het vorenstaande acht het hof het redelijk dat als ingangsdatum van de alimentatieverplichting van de vader zal gelden de datum van indiening van het inleidende verzoek, te weten 27 april 2004. Het hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de moeder had gelegen eerder een alimentatieverzoek in te dienen.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kin-derali-mentatie met ingang van 27 april 2004 op € 480,- per maand, wat de na heden te ver-schij-nen termijnen betreft bij voor-uitbe-ta-ling te vol-doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voor-raad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Gerretsen-Visser, Van Nievelt en Van der Burght, bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2005.