Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU4033

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-09-2005
Datum publicatie
10-10-2005
Zaaknummer
04/1297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsvermoeden van art. 7:610a BW ontkracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 2 september 2005

Rolnummer: 04/1297

Rolnr. rechtbank: 497011/03

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. E. Grabandt,

tegen

HANDELSVEEM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Handelsveem,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 21 juni 2004 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 april 2004, door de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft Handelsveem de grieven bestreden.

[appellant] heeft voorafgaand aan de pleidooien een akte tot vermeerdering van eis genomen. Op 12 augustus 2005 hebben partijen hun zaak door hun raadslieden doen bepleiten, [appellant] door mr. drs. J.G. van Ommeren, advocaat te Rotterdam, en Handelsveem door mr. H.T. Kernkamp, advocaat te Rotterdam. Beide raadslieden hebben pleitnotities overgelegd.

Ten slotte heeft Handelsveem de processtukken gefourneerd en hebben partijen arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De vermeerdering van eis is niet in strijd met de eisen van een goede

procesorde, zodat het hof op de vermeerderde eis zal recht doen.

2. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder “De vaststaande feiten” van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

3. Het gaat, kort samengevat, om het volgende. [appellant] heeft van 1 april 1987 tot 11 november 2000 voor Handelsveem werkzaamheden verricht. Hij bracht zijn werkzaamheden middels facturen aan Handelsveem in rekening. In november 2000 is hij arbeidsongeschikt geworden. [appellant] stelt dat er tussen partijen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Op basis van deze stelling heeft [appellant] een aantal vorderingen ingesteld. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Hiertegen is [appellant] in hoger beroep gekomen.

4. Het hof zal eerst beoordelen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. [appellant] stelt dat er tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Volgens Handelsveem is er sprake van een overeenkomst van opdracht. Ten aanzien van de vraag wat partijen hebben beoogd en de wijze waarop partijen feitelijk aan hun contractuele relatie uitvoering hebben gegeven staat het volgende vast.

5. [appellant] heeft van 1 april 1987 tot 11 november 2000 werkzaamheden voor Handelsveem verricht, die voor een groot gedeelte in controle- en expeditie-werkzaamheden bestonden. [appellant] is van 1 april 1987 tot 13 november 2001 als eigenaar van een eenmanszaak ingeschreven geweest in het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Rotterdam met één werkzame persoon en als bedrijfsomschrijving controle- en expeditiebedrijf en als handelsnaam “Controle- en Expeditiebedrijf L. [appellant]”. Hij heeft over de gehele periode zijn werkzaamheden aan Handelsveem in rekening gebracht met facturen op naam van “[appellant] controle- en expeditiebedrijf”. Op die facturen werden bedragen in rekening gebracht afhankelijk van het voor Handelsveem gecontroleerd en ontvangen hebben van goederen met steeds wisselende aantallen kilogrammen tegen een bepaald bedrag per ton. Op alle facturen stond vermeld “B.T.W. 0 Tarief”. [appellant] had een eigen arbeidsongeschiktheids-verzekering. [appellant] voerde een eigen administratie en droeg zelf belastingen en premies af. Handelsveem kent een winstdelingsregeling voor werknemers. Volgens deze regeling geschiedt deelneming op verzoek van de werknemer en wordt het verzoek geacht te zijn gedaan tenzij de werknemer schriftelijk het tegendeel doet blijken. [appellant] heeft nooit aan deze winstdelingsregeling deelgenomen zonder dat gebleken is dat hij tijdens de periode van zijn werkzaamheden daar ooit bezwaar tegen heeft gemaakt of schriftelijk heeft doen blijken niet aan de regeling te willen deelnemen. Handelsveem kent een personeelsstichting die uitkeringen verstrekt aan deelnemers. Alle werknemers van Handelsveem worden als deelnemer aan de personeelsstichting toegelaten. [appellant] heeft nooit aan deze personeelsstichting deelgenomen, zonder dat gebleken is dat hij in de periode van zijn werkzaamheden daar ooit bezwaar tegen heeft gemaakt. Handelsveem kent een spaarloonregeling die verplicht is voor alle werknemers die tot Handelsveem in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan. [appellant] heeft aan deze verplichte spaarregeling nooit deelgenomen zonder dat gebleken is dat hij daar in de periode van zijn werkzaamheden ooit bezwaar tegen heeft gemaakt. Uit dit alles volgt dat het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW is ontkracht.

6. Uit het bovenstaande leidt het hof af dat partijen niet een arbeidsovereenkomst hebben beoogd en aan hun contractuele relatie niet uitvoering hebben gegeven in de vorm van een arbeidsovereenkomst. Hier tegenover heeft [appellant] de volgende – ten dele door Handelsveem betwiste – stellingen aangevoerd ter onderbouwing dat er desondanks sprake was van een arbeidsovereenkomst en van een bij een arbeidsovereenkomst passende gezagsverhouding.

7. Hij functioneerde structureel binnen de arbeidsorganisatie van Handelsveem. Hij diende zich te houden aan de dagplanningen van Handelsveem. Binnen deze dagplanningen gaf hij leiding aan de overige werknemers van Handelsveem. Hij werkte de eerste twee jaar als havencontroleur en daarna als pandbaas, hetgeen betekende dat hij in een expediteurspand leiding gaf aan personeel en zorg droeg voor expeditie. Hierbij diende hij zich te houden aan de reglementen die binnen Handelsveem golden. Hij is geregeld ’s nachts naar het pand gegaan waar hij zijn werkzaamheden verrichtte, omdat het alarm afging en de havenbeveiligingsdienst hem opbelde met de vraag om direct te komen. Zelfs als er geen expeditiewerkzaamheden waren, moest hij op het werk verschijnen. Dan moest hij desnoods de loodsen aanvegen. Hij was gebonden aan vaste tijden voor koffie en lunch en werkte op vaste tijden. Voor het opnemen van vakantiedagen moest hij overleg plegen met Handelsveem en hij kon niet zomaar besluiten om werkzaamheden voor Handelsveem niet te verrichten. Hij moest verantwoording afleggen aan [de adjunct directeur van de locatie Rotterdam]. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel geschiedde op aangeven van Handelsveem. [appellant] is ten opzichte van Handelsveem de economisch zwakkere partij en hij was van Handelsveem afhankelijk. Hij heeft in de periode dat hij voor Handelsveem werkte, niet voor een ander gewerkt. Handelsveem heeft hem in de jaren 1999, 2000 en 2001 enkele kleine betalingen niet op declaratie uitgekeerd waarop loonbelasting is ingehouden.

8. Naar het oordeel van het hof past een groot deel van deze stellingen, (zoals het zich houden aan dagplanningen van Handelsveem, het leiding geven aan personeel van Handelsveem, het zich houden aan de reglementen van Handelsveem, het gebonden zijn aan vaste werktijden en vaste tijden voor koffie en lunch, het overleg plegen over het opnemen van vakantiedagen, het verantwoording afleggen van zijn werk en het niet werken voor een ander), ook bij de overeenkomst van opdracht. Voor het overige acht het hof deze stellingen onvoldoende om ondanks de wijze waarop partijen hun contractuele relatie hebben ingericht, zoals hierboven onder 5 beschreven, aan te nemen dat er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst en een bij een arbeidsovereenkomst passende gezagsverhouding. Het hof kwalificeert de contractuele relatie van partijen niet als een arbeidsovereenkomst.

9. Naar het oordeel van het hof is de positie van [appellant], die geen arbeidsovereenkomst had, enerzijds en van werknemers van Handelsveem anderzijds zo verschillend, dat zij niet gelijk behoeven te worden behandeld. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Nu er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, zijn de vorderingen van [appellant] in ieder geval niet toewijsbaar. Dit betekent dat [appellant] geen belang heeft bij verdere behandeling van de grieven.

10. Het hof zal het bestreden vonnis, met verbetering van gronden, bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, van 7 april 2004;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Handelsveem begroot op € 8.137,-, waarvan € 241,- aan verschotten en € 7.896,- aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, C.G. Beyer-Lazonder en K. Aantjes en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2005 in aanwezigheid van de griffier.