Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3851

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
1130-H-04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Behoeftebepaling alimentatiegerechtigde. Behoefte kind. Draagkracht alimentatieplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 28 september 2005

Rekestnummer : 1130-H-04

Rekestnr. rechtbank : 03/5204

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.M.M. van der Valk,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 november 2004 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de recht-bank te ‘s-Gravenhage van 14 september 2004.

De vrouw heeft op 13 januari 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 13 december 2004, 11 maart 2005 en 4 augustus 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 september 2005 is de zaak mondeling behandeld door mr. Labohm als raadsheer-com-missaris. Verschenen is: de vrouw, bijgestaan door advocaat mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, ad-vocaat te Rotterdam. De man is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen. Na-mens hem is verschenen mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven. De aanwezigen heb-ben het woord gevoerd, de raadsman van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger be-roep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is het volgende nog min-derjarige kind [geboren]:

[kind], geboren op [geboortedatum], verder: [kind].

Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [kind]. Tussen hen bestaat een co-ouderschapre-geling.

Op 17 september 2003 heeft de vrouw bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met een aantal nevenverzoeken ingediend. Zij heeft onder meer verzocht de man te veroordelen om aan haar een partneralimentatie te betalen van € 12.500,- per maand en een kinderalimentatie van € 1.250,- per maand, beide alimentaties bij vooruitbetaling te vol-doen met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de re-gisters van de burgerlijke stand. De man heeft tegen de nevenverzoeken van de vrouw ver-weer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgespro-ken. Bij die beschikking heeft de rechtbank verder - uitvoerbaar bij voorraad - ten laste van de man de alimentatie voor de vrouw bepaald op € 9.100,- per maand en de kinderalimentatie op € 750,- per maand, beide alimentaties telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

De echtscheidingsbeschikking is op 14 januari 2005 ingeschreven in de registers van de bur-gerlijke stand.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de alimentatie voor de vrouw en de kinderalimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor-zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw alsnog in haar alimentatieverzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen.

3. De vrouw heeft het beroep van de man gemotiveerd bestreden. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans de door hem aangevoerde grieven te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover het betreft de alimentatie-verplichtingen van de man jegens haar en [kind].

Samenleven als waren zij gehuwd; bewijsaanbod

4. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een duurzame relatie tussen de vrouw en een andere man en dat een situatie zoals bedoeld in artikel 1:160 BW zich dan ook niet voordoet. Hij stelt dat deze situ-atie zich wel voordoet. Hij voert daartoe aan dat de vrouw inmiddels al enige jaren een duur-zame vaste relatie heeft met een Amerikaanse man en dat zij op alle momenten dat zulks mogelijk is, met elkaar samenleven.

5. De grief faalt reeds op de grond dat de man niet genoegzaam de stelling van de vrouw heeft betwist dat haar Amerikaanse vriend thans nog gehuwd is met een andere vrouw. Sa-menleving met een gehuwde man valt immers volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet onder de reikwijdte van art. 1:160 BW. Het bewijsaanbod van de man terza-ke het bestaan van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:160 BW is hierdoor niet terzake dienend. De door de man opgeworpen tweede grief, inhoudende dat de rechtbank ten on-rechte zijn bewijsaanbod terzake het bestaan van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW heeft afgewezen, faalt derhalve eveneens.

6. Ten overvloede overweegt het hof dat, indien de Amerikaanse vriend van de vrouw niet meer gehuwd zou zijn met een andere vrouw, de door de man aangevoerde feiten en om-standigheden noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, kunnen leiden tot het oordeel dat de vrouw met een ander is gaan samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet er naast een duurzame affectieve relatie in het geval van art. 1:160 BW zijn voldaan aan de volgende cu-mulatieve vereisten: samenwoning, een gemeenschappelijke huishouding en het elkaar we-derzijds verzorgen, hetzij door bij te dragen in de kosten van een gemeenschappelijke huis-houding, hetzij door op andere wijze in elkaars verzorging te voorzien. De man heeft niet ge-steld, laat staan aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige zaak aan al deze vereisten is vol-daan. In zoverre heeft hij niet voldaan aan zijn stelplicht. Evenmin heeft de man aangetoond dat de vrouw als gevolg van haar relatie met haar Amerikaanse vriend substantieel schaal-voordelen heeft genoten dan wel geniet, waardoor zij geen althans minder behoefte heeft aan partneralimentatie.

Behoeftigheid vrouw

7. In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw behoefte heeft aan alimentatie omdat zij niet in staat is om in voldoende mate in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Hij is van oordeel dat de vrouw volledig in haar levens-onderhoud zou kunnen voorzien door weer te gaan werken als bejaardenverzorgster. De man voert daartoe aan dat de vrouw ten tijde van hun huwelijk een goed inkomen had, dat zij haar baan vrijwillig heeft opgegeven, dat zij nog in de bloei van haar leven is en dat zij haar oude baan weer kan opnemen. De man is van oordeel dat de vrouw in staat moet wor-den geacht om een inkomen te verwerven van € 1.800,- netto per maand. Hij nodigt de vrouw uit om stukken over te leggen waaruit blijkt wat zij heeft gedaan om weer aan werk te komen. De man stelt verder dat de vrouw in redelijkheid geen aanspraak kan maken op een aanvullende alimentatie, omdat zij degene is geweest die ervoor heeft gekozen om hem te verlaten en een relatie aan te gaan met een andere man. Naar het oordeel van de man dient de nieuwe partner van de vrouw te voorzien in het levensonderhoud van de vrouw.

8. De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat zij hooguit € 1.000,- per maand zou kunnen verdienen.

9. Ook deze grief faalt. Het hof is van oordeel dat de vrouw, die thans bij een uitgeverij werkt, genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij, mede vanwege haar gebrek aan ar-beidservaring en de zorg die zij heeft voor [kind], niet in staat is om meer te verdienen dan de verdiencapaciteit die de rechtbank haar heeft toegedicht, te weten € 1.000,- per maand. De overige stellingen van de man behoeven, gelet op hetgeen het hof hiervoor in rechts-overweging 6 heeft overwogen, geen bespreking.

Behoefte vrouw

10. In zijn vierde grief stelt de man dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de vrouw ten onrechte heeft geoordeeld dat uitgegaan dient te worden een netto besteedbaar inkomen van partijen van € 10.300,-. Hij voert daartoe aan dat hij een bruto inkomen heeft van € 5.161,94 per maand, te vermeerderen met de netto onttrekkingen uit de rekening-courant. De man stelt dat er gemiddeld ongeveer € 81.680,- per jaar wordt onttrokken aan zijn vennootschap en dat dit bedrag in de rekening-courant wordt gedebiteerd. Hiertegeno-ver wordt zijn netto salaris in de rekening-courant gecrediteerd. De man stelt dat het opge-nomen bedrag ter hoogte van € 81.680,- dan ook inclusief zijn netto salaris is zodat de som niet vermeerderd dient te worden met het salaris. Naar zijn oordeel is de maximale grond-slag voor de berekening van de alimentatie in totaal € 81.680,- per jaar of € 6.800,- per maand. Na aftrek van de kinderalimentatie, de kosten voor het gebruik en onderhoud van de voormalige echtelijke woning en de verdiencapaciteit van de vrouw resteert naar het oor-deel van de man een behoefte van € 975,- per maand.

11. De vrouw stelt dat zij zich kan verenigen met de door de rechtbank vastgestelde alimen-tatie van € 9.100,- per maand. Zij kan zich echter niet vinden in het door de rechtbank vast-gestelde inkomen van de man van € 5.164,94 bruto per maand. Onder verwijzing naar de overgelegde jaaropgaven van de man stelt zij dat zijn inkomen veel hoger is. Onder verwij-zing naar de door haar overgelegde geconsolideerde jaarstukken 2001 tot en met 2003 van [bedrijf] stelt zij verder dat de rekening-courant in de afgelopen jaren enorm is toegenomen en dat er derhalve op zeer ruime schaal besteed en eventueel ge-spaard is.

12. Het hof is van oordeel dat voor het berekenen van de behoefte in beginsel gekeken dient te worden naar het inkomen van partijen ten tijde van de laatste jaren van het huwelijk, de uit-gaven van partijen in de laatste jaren van hun huwelijk en dat voorts zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens een begroting dient te worden opgesteld terzake de behoefte van de alimentatiegerechtigde.

13. Het hof stelt voorop dat de man het door de vrouw in eerste aanleg overgelegde overzicht van haar behoefte onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de man verklaard dat de privé-opnames uit zijn bedrijf in het jaar 2001 € 93.728,72 bedroegen, in het jaar 2002 € 108.640,43 en in het jaar 2003 € 95.701,45. Naar het oordeel van het hof geven deze bedragen terzake de privé-uitgaven echter slechts een tamelijk beperkt overzicht van de werkelijke uitgaven ten behoeve van privé. Het hof is van oordeel dat de vrouw in de door haar overgelegde stukken alsmede - en vooral - ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de welstand van partijen tijdens hun huwelijk, die naast vele luxe bezittingen (een woning van

€ 4.500.000,-, een jacht van 25 meter van enkele miljoenen euro’s gelegen te Marbella en een tweede jacht te Nederland) ook tot uiting kwam in onder meer dure vakanties, dermate aan-zienlijk is geweest, dat zij die welstand onmogelijk hebben kunnen financieren door middel van louter de gestelde privé-opnamen. Het hof is van oordeel dat partijen tijdens hun huwelijk over aanzienlijkere hoeveelheden geld hebben moeten kunnen beschikken. Gezien ondermeer vorenstaande feiten en omstandigheden acht het hof het aannemelijk dat de vrouw, naast het inkomen dat zij zelf verdient, thans nog behoefte heeft aan de door de rechtbank opgelegde aanvullende alimentatie. Een dergelijke aanvullende alimentatie is alleszins redelijk. De vierde grief faalt dan ook.

Behoefte [kind]

14. In zijn vijfde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [kind] behoefte heeft aan een alimentatie van € 750,- per maand. Hij acht een bijdrage van € 250,- per maand redelijk. De man voert daartoe aan partijen beide het gezag over [kind] behouden en dat zij in gelijke mate voor [kind] zorgen. Het hoofdverblijf is gelijk verdeeld. De man stelt dat [kind] in redelijke luxe heeft geleefd en dat dit patroon ook kan worden voortgezet bij be-taling van € 250,- per maand.

15. De vrouw stelt dat, het netto besteedbaar inkomen van partijen tijdens het huwelijk en de levensstijl van partijen in aanmerking nemend, een kinderalimentatie van € 750,- per maand alleszins redelijk is.

16. Ook deze grief faalt. Het hof heeft hiervoor overwogen dat partijen, gelet op onder meer hun bezittingen en vakanties, tijdens hun huwelijk in een aanzienlijke welstand hebben ge-leefd. Het hof gaat er vanuit dat ook [kind] van deze welstand heeft meegeprofiteerd. Dit wordt door de man ook bevestigd. Gelet hierop acht het hof de door de rechtbank vastge-stelde kinderalimentatie ook alleszins redelijk. Het feit dat de man [kind] de helft van de tijd bij zich heeft, brengt in het oordeel van het hof geen verandering.

Draagkracht man

17. Wat de man ook stelt ten aanzien van zijn draagkracht is het hof van oordeel dat hij over meer dan voldoende draagkracht beschikt dan wel kan beschikken. Ter terechtzitting in ho-ger beroep heeft mr. Sliepenbeek gesteld - hetgeen niet door mr. Van de Laar is weerspro-ken - dat de man zijn inkomen uit [bedrijf] op nihil heeft gesteld om beslag-legging ten behoeve van de vrouw op zijn inkomen te voorkomen. Mr. Van de Laar bevestig-de dat de man thans onbezoldigd directeur is van [bedrijf]. Uit de geconsoli-deerde jaarrekening van [bedrijf] volgt dat het eigen vermogen op basis van boekwaarde € 3.986.570,- bedraagt. Voorts volgt uit de verlies en winstrekening dat het resultaat van de onderneming na belasting € 603.372,- bedraagt. Onweersproken is de stelling van de vrouw dat de man de volledige zeggenschap heeft binnen [bedrijf] en dat hij zelf zijn salaris en de dividendpolitiek van de onderneming kan bepalen. Uit de in geding gebrachte financiële gegevens volgt derhalve dat de man over vele miljoenen euro’s kan beschikken. Naar het oordeel van het hof heeft de man geen enkel relevant argument naar voren ge-bracht dat hij niet in staat is om de verschuldigde alimentatie te voldoen.

Limitering alimentatieduur

18. De man stelt tot slot dat de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie in duur be-perkt dient te worden en wel tot twee jaar, en dat de rechtbank ten onrechte aan zijn ver-weer dienaangaande voorbij is gegaan. Hij voert daartoe aan dat de vrouw al twee jaar de tijd heeft gehad om haar leven aan te passen en dat zij aldus nog eens twee jaar extra krijgt om haar leven opnieuw in te richten. De man acht een termijn van twee jaar redelijk, mede gelet op het feit dat [kind] gedurende de helft van de tijd bij hem is.

19. De vrouw stelt dat er geen enkele reden is om de alimentatieverplichting in duur te be-perken, gelet op de duur van het huwelijk van partijen, het feit dat uit hun huwelijk een kind is geboren, de verdiencapaciteit van de vrouw, de mate waarin de vrouw behoeftig is en de riante financiële positie van de man.

20. In verband met de ingrijpende gevolgen van limitering dienen hoge eisen te worden ge-steld aan de te stellen en zonodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering recht-vaardigen. Het hof is van oordeel dat door de man geen zodanige bijzondere feiten en om-standigheden zijn gesteld. Het hof zal het betreffende verzoek van de man dan ook afwijzen.

21. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van den Wildenberg en Dusamos, bijge-staan door mr. Sierksma als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 28 sep-tember 2005.