Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3076

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2005
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
01/123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevolgen langdurig stilzitten rechter-commissaris en bewindvoerder.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 3 februari 2005

Rekestnummer: R04/1019

Rekestnr. rechtbank: 01/123 R

HET GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE, zesde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

A,

wonende te Gorinchem,

appellant,

hierna te noemen: A,

procureur: mr. K. Aantjes.

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank Dordrecht van 3 oktober 2001 is ten aanzien van A de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

Bij vonnis van rechtbank Dordrecht van 27 oktober 2004 is de schuldsanerings-

regeling ten aanzien van A beëindigd zonder verlening van de schone lei. Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie van het hof op 4 november 2005 heeft A hoger beroep inge¬steld tegen laatstgenoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2005 waarbij A is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. van der Kroon, advocaat te Gorinchem. De bewindvoerder, C.J. van der Linden, is hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van het hof verschenen.

Beoordeling van het hoger beroep

1. A heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem heeft beëindigd zonder aan hem de schone lei te verlenen op grond van het oordeel dat hij toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting om tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan en dat deze tekortkoming gezien het feit dat de schuld is ontstaan door het rijden onder invloed in combinatie met de hoogte van het bedrag niet buiten beschouwing kan worden gelaten.

2. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. Tijdens de schuldsaneringsregeling, op 8 juni 2002, heeft A een verkeersongeval veroorzaakt terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Na het ongeval heeft A direct contact opgenomen met de bewindvoerder en heeft hij de bewindvoerder volledige openheid van zaken gegeven. In zijn verslag van 1 augustus 2002 heeft de bewindvoerder het ongeval gemeld aan de rechter-commissaris. Tevens heeft de bewindvoerder in dat verslag gemeld dat de verzekeraar van de benadeelde, te weten Nationale Nederlanden, de schade op A wilde verhalen maar dat het schadebedrag nog niet bekend was.

3. Op 1 juli 2003 heeft Nationale Nederlanden A laten weten zij met betrekking tot het ongeval een bedrag van € 6.749,09 van hem vordert. Hierop heeft A contact opgenomen met de Gemeentelijke Kredietbank Gorinchem (hierna te noemen: de GKB). Bij brief van 15 september 2003 heeft de GKB aan Nationale Nederlanden de telefonische afspraak bevestigd dat Nationale Nederlanden de invordering tot na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zou opschorten. Voorts heeft de GKB bij die brief bevestigd dat na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling naar de mogelijkheid van een saneringskrediet zal worden gekeken waarbij de vordering van Nationale Nederlanden tegen 50 % van die vordering ter finale kwijting zou worden voldaan.

4. De bewindvoerder heeft bij brieven van 1 augustus 2004 en 6 oktober 2004 inlichtingen aan Nationale Nederlanden gevraagd omtrent de vordering op A. Uit een ter zitting van het hof overgelegde brief van 12 oktober 2004 is gebleken dat Nationale Nederlanden de bewindvoerder heeft laten weten dat in overleg met de GKB is afgesproken dat de vordering opeisbaar wordt gesteld nadat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van A is beëindigd.

In zijn verslag van 22 oktober 2004 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris echter laten weten dat hij nog niets heeft vernomen van Nationale Nederlanden of van A inzake de mogelijke schadeclaim wegens het veroorzaken van het verkeersongeval. De bewindvoerder heeft voorts in zijn verslag meegedeeld dat A zich naar zijn oordeel aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling heeft gehouden.

5. De rechter-commissaris heeft blijkens het bestreden vonnis geoordeeld dat de schuld aan Nationale Nederlanden bovenmatig is en derhalve een toerekenbare tekortkoming van A vormt die de verlening van de schone lei in de weg staat. Dat Nationale Nederlanden de vordering eerst na afloop van de schuldsaneringsregeling opeisbaar stelt, doet daar niet aan af.

6. Nu de rechter-commissaris zich op standpunt heeft gesteld dat de schuld aan Nationale Nederlanden bovenmatig is en derhalve een toerekenbare tekortkoming van A vormt die de verlening van de schone lei in de weg staat had het in de rede gelegen dat bij de eerste melding van die schuld door de bewindvoerder aan de rechter-commissaris, te weten op 1 augustus 2002, er een voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zou zijn gedaan. Dit is echter noch door de rechter-commissaris noch door de bewindvoerder gedaan. Het is ten opzichte van A niet aanvaardbaar dat de beslissing van de rechtbank tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling - zonder het verlenen van de schone lei op voornoemde grond - ruim twee jaar nadat de rechter-commissaris van die grond kennisnam, is genomen, gedurende welke periode de verplichtingen van A uit de schuldsaneringsregeling bleven voortbestaan. Nu voorts is gebleken dat A zich aan die verplichtingen heeft gehouden is het hof van oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat aan A alsnog de schone lei moet worden verleend.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 27 oktober 2004;

verwijst de zaak naar de rechtbank Dordrecht ter verdere afdoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vonk, Van Knobelsdorff en Pieters, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2005 in aanwezigheid van de griffier.