Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU1864

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2005
Datum publicatie
01-09-2005
Zaaknummer
04/506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsziekte RSI.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2005/220
JA 2005/99
RAR 2005, 113
JAR 2005, 220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 1 juli 2005

Rolnummer: 04/506

Zaaknr. rechtbank: 440126/02/417

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

de maatschap naar burgerlijk recht

MAATSCHAP ERNST & YOUNG ACCOUNTANTS,

appellante,

hierna te noemen: EY,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[WERKNEMER],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. P.H. Mahieu.

Het geding

Bij exploot van 15 maart 2004 is EY in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 december 2003 door rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen met [werknemer] als eisende en EY als gedaagde partij. Bij memorie van grieven heeft EY tien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die door [werknemer] bij memorie van antwoord zijn bestreden. Ter zitting van dit hof van 29 april 2005 hebben partijen hun standpunten mondeling doen toelichten, EY door mr. S.M. Christiaan, advocaat te Rotterdam en [werknemer] door mr. A.C. Dabekaussen, advocaat te Brunssum, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de vaststelling van de feiten, zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis onder het kopje “De vaststaande feiten” onder 1 tot en met 9 zijn vastgesteld, is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 [werknemer] is op 1 januari 1986 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) EY in de functie van beginnend assistent-accountant. Vanaf 1993 oefende hij de functie van leidinggevend assistent-accountant uit.

2.2. [werknemer] werd betaald voor 40 uur in de week. Voor 32 uur per week was hij werkzaam voor EY, de andere 8 uren waren bestemd voor zijn NIVRA-opleiding tot registeraccountant.

2.3. In 1989 is [werknemer] naar aanleiding van een ongeval tijdens een kanotocht geopereerd aan zijn rechterpols, waarbij een ganglion werd verwijderd.

2.4. In 1996 heeft [werknemer] weer twee operaties aan zijn rechterpols ondergaan.

2.5. Sinds 1998 is [werknemer] veelvuldig medisch onderzocht.

2.6. In februari 1998 is [werknemer] uitgevallen in verband met zijn klachten, waarna hij in oktober 1998 zijn werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis heeft hervat.

2.7. Per 1 april 1999 is [werknemer] in dienst getreden bij de gemeente Maastricht in de functie van accountmanager planning en control. Vervolgens heeft hij gedurende enige tijd een aanvulling op zijn salaris ontvangen ter compensatie van het verschil in secundaire arbeidsvoorwaarden tussen EY en de gemeente Maastricht.

2.8. [werknemer] heeft zijn opleiding tot register-accountant niet voltooid.

2.9. Het ziektebeeld van [werknemer] heeft een medische eindtoestand bereikt.

2.10. [werknemer] stelt dat zijn gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door zijn werkzaamheden bij EY, bestaande uit veel beeldschermwerk onder slechte (ergonomische) omstandigheden, en dat EY niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als werkgever. [werknemer] stelt EY voor de daardoor geleden schade aansprakelijk. Hij vordert in deze procedure voor recht te verklaren dat EY aansprakelijk is voor de gevolgen van zijn beroepsziekte RSI en veroordeling van EY tot betaling van zijn schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. [werknemer] baseert zijn vordering primair op artikel 7:658 BW, subsidiair op artikel 7:611 BW en meer subsidiair op artikel 6:162 BW.

2.11. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [werknemer] toegewezen.

3.1. De eerste grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank, dat op grond van de bevindingen van de revalidatiearts G.J. Lankhorst en revalidatiearts M.D.F. van Eijsden-Besseling voldoende aannemelijk is, dat de klachten van [werknemer] veroorzaakt zijn door zijn werk bij EY, met verwerping van de uit de andere overgelegde medische stukken blijkende andere conclusie. De grief richt zich voorts tegen het oordeel, dat met het rapport van de Commissie van de Gezondheidsraad van november 2000 en het Saltsa-rapport van mei 2000, nog niet is gezegd, dat de stand van de wetenschap het thans niet toelaat om op verantwoorde wijze deze beoordelingen te maken.

3.2. In de toelichting op de grief wijst EY er op dat thans nog geen enkel ontstaansmechanisme voor RSI wetenschappelijk is vastgesteld, dat de stand van de wetenschap nog ontoereikend is voor normstelling van risicofactoren en dat ook een definitief uitgewerkt pakket voor preventieve maatregelen nog niet kan worden opgesteld. Op alle gebieden is nader onderzoek noodzakelijk.

EY wijst er op dat niet eerder dan in juli 1998 bij [werknemer] voor het eerst de diagnose RSI is gesteld door Van Eijsden, hoewel hij daarvóór door andere artsen is gezien. EY wijst op het commentaar op het rapport van Van Eijsden door drs. J.W. Baggelaar van Medas Medisch Adviseurs en drs. M.C.J. Klop van Klop Medisch advies. Van Eijsden heeft bij [werknemer] geen specifieke afwijking gevonden. De houdingsafwijking die Van Eijsden bij [werknemer] heeft gevonden betreft de rug, nek en schouders, terwijl de problemen zich voordoen in de armen. Voorts betwist EY de werkomstandigheden van [werknemer] waar Van Eijsden vanuit gaat. Andere mogelijke oorzaken zijn niet onderzocht.

3.3. EY stelt dat het rapport van Lankhorst summier is, het maakt bovendien een onzorgvuldige en weinig geïnteresseerde indruk. Andere omstandigheden dan die welke het werk betreffen zijn als mogelijke oorzaken niet door hem onderzocht. Voorts beschrijft Lankhorst [werknemer] als een gezonde jongeman met een goede zit- en stahouding in afwijking van de conclusie van Van Eijsden, Meijers en Baggelaar die juist een slechte zithouding beschrijven.

4. Grief twee richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van de stelling dat de klachten van [werknemer] het gevolg kunnen zijn van eerdere polsklachten in verband met het kano-ongeval of de door hem beoefende sporten en zijn privé-beeldschermwerk.

5. De derde grief betreft het uitgangspunt van de rechtbank dat [werknemer] 46,25% van zijn tijd beeldschermwerk verrichtte en dat de rechtbank van belang heeft geacht dat [werknemer] is 1995 is gaan werken met een laptop, die vanwege het smalle en hoge toetsenbord minder geschikt is voor langdurig beeldschermwerk.

In de toelichting wijst EY er op dat van de tijd, die [werknemer] doorbracht achter zijn beeldscherm, maar ongeveer 25% effectief met de computer werd gewerkt. De resterende tijd werd besteed aan het lezen van stukken.

6. Grief 4 luidt:

“ Ten onrechte en zonder deugdelijke motivering heeft de Rechtbank overwogen dat tijdens het dienstverband van [werknemer] sprake is geweest van een RSI-bevorderende combinatie van hoge werkdruk en veel beeldschermwerk en dat deze kwetsbare positie van [werknemer] meebrengt, dat EY voor hem op maat toegesneden voorzorgsmaatregelen diende te treffen.”

EY betwist dat [werknemer] werkweken van 50 à 60 uren maakte. Zelfs met zijn studieactiviteiten overschreed hij de 40-urige werkweek niet of nauwelijks.

7. Deze grieven betreffen alle de vraag of [werknemer] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn klachten zijn veroorzaakt door zijn werkzaamheden bij EY en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor zover grief vier betrekking heeft op de zorgplicht van EY zal dat bij de bespreking van de grieven vijf tot en met zeven aan de orde komen.

7.1. De Gezondheidsraad gaat in haar rapport uit van de volgende definitie van RSI.

“ Een tot beperkingen of participatieproblemen leidend multifactorieel klachtensyndroom aan nek, bovenrug, schouder, boven- of onderarm, elleboog, pols of hand of een combinatie hiervan, gekenmerkt door een verstoring van de balans tussen belasting en belastbaarheid vooraf gegaan door activiteiten met herhaalde bewegingen of een statische houding van één of meer van de genoemde lichaamsdelen als een van de veronderstelde etiologische factoren.”

7.2. Onder deze definitie valt een aantal specifieke aandoeningen, zoals het karpaal tunnelsyndroom, maar er kan ook sprake zijn van klachten aan deze lichaamsdelen, zonder dat een medisch objectief aantoonbare oorzaak kan worden geconstateerd. In dat laatste geval wordt wel gesproken van a-specifieke RSI.

7.3. Het is inderdaad juist, dat in medische kringen zeker geen eenstemmigheid bestaat over de oorzaak van RSI-klachten en over de risicoverhogende factoren. Ook de effectiviteit van de maatregelen ter voorkoming van deze klachten staat thans nog niet vast. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de beroepsgroepen waar zich dergelijke klachten voordoen en de richting waarin naar de oorzaken en de maatregelen ter voorkoming van deze klachten wordt gezocht, de heersende mening onder de deskundigen is, dat (onder meer) veelvuldig beeldschermwerk dergelijke klachten kan veroorzaken en dat slechte ergonomische omstandigheden en een grote werkdruk risicoverhogende factoren zijn. Hiervan dient dan ook te worden uitgegaan. Absolute zekerheid over de oorza(a)k(en) van RSI kan thans niet worden verkregen.

7.4. Omtrent de werkomstandigheden van [werknemer] is het volgende gebleken.

Vaststaat dat hij veel bij klanten werkte en dat dus sprake was van wisselende werkplekken. Door [werknemer] is een overzicht overgelegd van de omstandigheden waaronder hij bij de klanten werkte en van het aantal uren dat hij bij die klant doorbracht. Daaruit blijkt dat daarbij veelal sprake was van hardschalen kantinestoelen of gestoffeerde danwel ongestoffeerde keukenstoelen, diepe vergaderstoelen en vergadertafels, een ronde tafel en slechts bij uitzondering van een goede stoel en een goede tafel, bij een klant waar [werknemer] maar weinig tijd doorbracht. Dit overzicht is door EY onvoldoende gemotiveerd weersproken. EY stelt slechts dat bij AZL, een klant waar [werknemer] veel tijd doorbracht, aan [werknemer] een speciale stoel ter beschikking was gesteld. Niet gesteld door EY is, wat voor soort stoel dit was, terwijl [werknemer] meermalen juist met name wijst op de slechte werkomstandigheden bij AZL, (tot 1996) waarvan een video-opname is gemaakt.

Voorts staat vast dat [werknemer] vanaf 1995 met name bij de klanten veel werkte met een laptop, waarvan wordt aangenomen dat het (intensieve) gebruik daarvan, door het smalle hoge toetsenbord en het vaste beeldscherm, risico-verhogend is voor wat betreft RSI.

7.5. Vaststaat dat [werknemer] tenminste 46,25 % van zijn tijd achter de computer doorbracht. Dat een deel daarvan, zoals door EY is gesteld, niet feitelijk op de computer werd gewerkt, acht het hof niet van grote betekenis. Daarbij verwijst het hof naar het door EY genoemde artikel van mr. L. Dommering-van Rongen (A&V april 1995/2) waarin wordt vermeld, dat de meeste ergonomen meer belang hechten aan de duur van het werk achter het toetsendbord dan aan het aantal aanslagen.

Uit het in opdracht van de verzekeraar van EY opgemaakte rapport van Robins Takkenberg blijkt dat zowel volgens [werknemer] als volgens [de personeelsfunctionaris in Zuid-Limburg van EY] sprake was van pieken in het werk van januari tot april. EY heeft de stelling van [werknemer], dat hij 50 tot 60 uur per week werkte, bestreden door zich te beroepen op een urenoverzicht dat door [werknemer] zelf is opgesteld. [werknemer] heeft daartegen aangevoerd dat veel uren uit budgetoverwegingen niet werden geregistreerd. EY stelt op haar beurt dat de budgetdruk in het algemeen bij assistenten beperkt is en, gezien de cliënten waarbij [werknemer] betrokken was, nauwelijks een rol van betekenis speelde alsmede dat [werknemer] zich nogal strikt aan de werktijden hield. EY stelt dat een gemiddeld assistent 50 á 60 uur per week werkt, inclusief studiebelasting, maar dat [werknemer] zeker niet boven het gemiddelde uitkwam.

7.6. Uit hetgeen hiervoor omtrent de werkomstandigheden van [werknemer] is overwogen kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat [werknemer] veel heeft gewerkt onder slechte ergonomische omstandigheden: niet verstelbare stoelen die niet geschikt zijn voor beeldschermwerk en de laatste jaren (te) veel op een laptop.

Gelet op de werkweken van een gemiddelde assistent van 50 tot 60 uren, het bestaan van pieken in de werkbelasting en het feit dat EY op zichzelf niet heeft betwist dat als gevolg van budgetdruk niet alle gewerkte uren werden geregistreerd, acht het hof voorts aannemelijk, dat [werknemer] regelmatig periodes heeft gehad waarin de werkdruk hoog was. Er was dus sprake van een aantal factoren in zijn werk, die het risico op RSI verhogen.

7.7. Uit de overgelegde stukken, waaronder de medische rapportage blijkt, dat [werknemer] na de operatie in 1989, waarbij een ganglion werd verwijderd, polsklachten is blijven houden, doch waarmee hij wel kon omgaan. In 1996 kreeg hij klachten aan zijn rechterpols en rechterschouderregio, die verergerden. Hij heeft in dat jaar tweemaal een operatie ondergaan om te zien of wederom sprake was van een ganglion. Een ganglion werd echter niet gevonden. [werknemer] is blijven doorwerken, doch de klachten verergerden zodanig, dat [werknemer] in 1998 veelvuldig medisch is onderzocht.

De revalidatiearts in Tilburg spreekt van mogelijke RSI.

De revalidatiearts Vonken spreekt van RSI-achtige beelden.

Van Eijsden stelt de diagnose RSI. Uit haar rapport, alsmede uit haar reactie op het commentaar daarop van Klop, blijkt dat deze diagnose impliceert, dat de oorzaak is gelegen in het werk van [werknemer] bij EY.

De revalidatiearts Lankhorst, ingeschakeld op verzoek van partijen heeft [werknemer] in 2001 onderzocht en komt tot de conclusie dat sprake is van arbeidsgebonden RSI.

7.8. Het hof is van oordeel dat deze medische rapportage, mede in aanmerkingen genomen de risicoverhogende factoren, de conclusie rechtvaardigen dat de klachten van [werknemer] zijn veroorzaakt door zijn werk bij EY. Hetgeen door EY is aangevoerd tegen het rapport van Van Eijsden wordt door het hof verworpen. In de eerste plaats hebben Klop en Baggelaar [werknemer] niet zelf onderzocht. Nu absolute zekerheid omtrent de oorzaak van RSI thans nog niet kan worden verkregen, moet voor een deel worden afgegaan op de deskundigheid en het oordeel van de artsen en dan met name de artsen die [werknemer] zelf hebben onderzocht. Een discrepantie tussen de verkeerde houding van [werknemer] en zijn klachten in de armen leest het hof niet in het rapport van Van Eijsden. Zij verklaart juist dat: “ een adequate lichaamshouding in het sagittale vlak, ondersteund door aanspannen van de posturale musculatuur, voorwaarde is om vrij armarbeid te kunnen verrichten”. Dat het rapport van Lankhorst summier is, acht het hof, gelet op de reeds voorhanden zijnde rapportage, van minder belang dan het medische oordeel van deze deskundige die [werknemer] in 2001 zelf heeft onderzocht. Het feit dat Lankhorst, in tegenstelling tot Van Eijsden, spreekt van een goede houding van [werknemer], hoeft daar niet mee in strijd te zijn, nu Lankhorst [werknemer] in 2001 heeft onderzocht en Van Eijsden in 1998.

7.9. Andere oorzaken voor de klachten van [werknemer] dan zijn werk bij EY acht het hof niet aannemelijk geworden. Vaststaat dat in 1998 tot tweemaal toe geen ganglion is aangetroffen, zodat die oorzaak niet in aanmerking komt. De geconstateerde slechte houding van [werknemer] is onvoldoende om als zelfstandige oorzaak te worden aangemerkt, reeds omdat die houding mede kan zijn veroorzaakt door de slechte ergonomische werkomstandigheden. Gelet op de werkbelasting van [werknemer] in combinatie met zijn studie, waarbij het hof computergebruik voor zijn studie als werkgerelateerd aanmerkt, kan worden aangenomen dat [werknemer] weinig tijd overhield voor zodanige intensieve sportbeoefening of langdurig computergebruik dat deze bezigheden als zelfstandige oorzaken van zijn klachten in aanmerking kunnen worden genomen. Dat [werknemer] sportte met een polsbrace duidt ook niet op intensief sporten, reeds omdat [werknemer] vanaf 1989 polsklachten had.

7.10. Aangezien, zoals hiervoor sub 7.3 is overwogen, absolute zekerheid op dit moment niet kan worden verkregen, acht het hof nader onderzoek door deskundigen niet zinvol.

7.11. De conclusie is dat de grieven één tot en met drie en grief vier voorzover hiervoor besproken falen.

8. Met grief vijf klaagt EY erover, dat de rechtbank de zorgplicht voor EY te ruim heeft geformuleerd. EY betoogt dat de werkgever die maatregelen moet nemen, die redelijkerwijs nodig zijn. De zorgplicht is in de jurisprudentie in de loop der jaren veranderd en thans wordt ook van de werknemers eigen oplettendheid vereist en behoeft de werkgever niet te anticiperen op het niet-inachtnemen van een voor de hand liggende minimale voorzichtigheid door de werknemer.

EY stelt dat zou kunnen worden aangesloten bij de destijds geldende normen van het Besluit beeldschermwerk, doch merkt op dat die regelgeving geen betrekking heeft op de preventie van RSI-achtige klachten. Het besluit bevatte, aldus EY, geen regelgeving met betrekking tot maatregelen gericht op houding verbetering, krachtvermindering, bekorting van de duur van de belasting zoals aanbrengen van ergonomische aanpassingen van de werkplek, het invoeren van pauzes en het bevorderen van de afwisseling van de werkzaamheden. EY wijst wederom naar de conclusie van de Gezondheidsraad over de onzekerheid met betrekking tot de effectiviteit van de maatregelen.

9. Grief zes richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door EY getroffen maatregelen voor [werknemer] te laat kwamen en dat EY om die reden haar zorgplicht jegens [werknemer] heeft geschonden.

EY wijst er op dat zij, vanaf het moment dat [werknemer] in 1996 melding maakte van zijn klachten, allerlei maatregelen heeft genomen om hem te ontlasten. Ook voordien voldeed EY voor wat betreft de arbeidsomstandigheden aan de toen geldende normen. EY verwijst naar de hoogte van het inrichtingsbudget voor de verhuizing naar Heerlen in 1993/1994, waarvoor meubilair werd aangeschaft en waarbij werd aangesloten bij de toen geldende NEN-normen.

EY benadrukt dat zij vanaf 1996 tot 1998 doende is geweest met het treffen van maatregelen voor [werknemer] en dat in die periode RSI net in opgang was. Voorts mag niet voorbij worden gegaan aan de eigen verantwoordelijkheid van [werknemer]. Wanneer hij de arbeidsomstandigheden te zwaar had gevonden had hij daarvan melding moeten maken.

10. Grief zeven bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat EY haar zorgplichtheeft geschonden met betrekking tot de inrichting van de werkplekken bij opdrachtgevers. EY voert aan dat de partner belast was met het bezoeken van de klanten. Daarbij werd gekeken naar werkplekken van medewerkers. De ervaring heeft geleerd dat de werklocaties van de werknemers, onder wie [werknemer], over het algemeen gelijk waren aan die van de werknemers van de klanten zelf. Als er reden tot klagen zou zijn, was het de taak van de leidinggevende assistent om dit bij de klant aan de orde te stellen. [werknemer] heeft in 1994/1997 voor een groot gedeelte gewerkt bij AZL, waar voor [werknemer] een speciale stoel ter beschikking was gesteld. Daarnaast bestond de mogelijkheid bij AZL, om anders dan in het trappenhuis op andere werkplekken in de organisatie te werken.

11.1. Deze grieven betreffen alle de vraag wat de zorgplicht was van EY als werkgever en of EY daaraan heeft voldaan.

Het hof is van oordeel dat in 1986, toen [werknemer] bij EY in dienst kwam, er nog niet veel aandacht bestond voor het probleem RSI. Naarmate het aantal klachten toenam en er meer over bekend werd, is die aandacht toegenomen. De van de werkgever te verwachten zorg ter voorkoming van dergelijke klachten is in de jaren na 1986 eveneens geleidelijk aan toegenomen. Het hof verwerpt de stelling dat pas in 1996/1998 RSI in opgang was. Het door EY genoemde Besluit beeldschermwerk dateert van december 1992 en is gebaseerd op de EEG-richtlijn van 29 mei 1990 (90/270/EEG; PbEG 1990 L156). Anders dan EY heeft aangevoerd blijkt uit de nota van toelichting bij dat besluit, dat voor wat betreft de inrichting van de beeldschermwerkplek de ergonomische aspecten van bijzonder belang zijn en daarnaast ook afwisseling in de functie-inhoud en verdeling van de arbeid aan een beeldscherm over de dag. Ingevolge artikel 6 dient de inrichting van de werkplek te voldoen aan de voorschriften neergelegd in de bijlage van de richtlijn. Ingevolge deze bijlage mag het toetsenbord geen geheel vormen met het beeldscherm en moet hellend kunnen worden geplaatst, teneinde voor de gebruiker een comfortabele houding mogelijk te maken, die geen vermoeidheid in handen of armen veroorzaakt.

11.2. Derhalve had EY in elk geval vanaf 1992 een zorgplicht ten aanzien van de inrichting van de beeldschermwerkplekken. Uit het onderzoek door de Arbo-dienst De Twaalf Provinciën in 1998 van de werkplek van [werknemer] bij EY blijkt, dat zijn stoel niet voldeed aan de NEN-norm 1812. Voorts heeft EY niet in overeenstemming met het Besluit beeldschermwerk gehandeld door [werknemer] te laten werken op laptops.

Voorts is het hof van oordeel dat EY ook een zorgplicht had ten aanzien van de inrichting van de werkplekken bij de klanten, zeker gelet op wat daarover vaststaat, zie daarvoor rechtsoverweging 7.4. Daaruit blijkt, dat die werkplekken veelal niet gelijk waren aan die van de eigen werknemers, hetgeen EY toch op zijn minst had kunnen verlangen. Uit hetgeen EY op dit punt heeft gesteld, zoals hiervoor sub 10 weergegeven, blijkt niet van voldoende aandacht van de partners voor de inrichting van de werkplekken voor de werknemers van EY, laat staan dat daarover is gesproken. EY kan niet volstaan met het verwijzen naar de leidinggevende assistent om daarover te klagen, teminder nu EY in haar brief van 16 september 1998 aan [werknemer] zelf aangeeft dat er nauwelijks invloed is uit te oefenen op de ergonomische aspecten van de werkplek bij de klant. Overigens blijkt niet, waar die mening van EY op is gebaseerd, bijvoorbeeld op eerdere vergeefse pogingen tot verbetering van de werkplekken bij de klant. Dat die er zijn geweest, is gesteld noch gebleken. De conclusie is dan ook dat EY, met name in de jaren 1992 tot 1996, niet heeft voldaan aan haar zorgplicht jegens [werknemer]. Daarbij laat het hof in het midden of EY vanaf 1996 daar wel aan heeft voldaan. [werknemer] betwist dit gemotiveerd. Uit de medische rapportage kan de conclusie worden getrokken dat de klachten van [werknemer] zich vóór 1996 hebben ontwikkeld, zodat met name die periode relevant is. Het niet nakomen door EY van haar verplichtingen in die periode is ook voldoende om tot aansprakelijkheid te concluderen. Voor zover grief vier zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat EY haar verplichtingen jegens [werknemer] tussen 1996 en 1998 niet is nagekomen, behoeft deze geen behandeling.

11.3. De conclusie is, dat de grieven vijf tot en met zeven falen en dat grief vier voor het overige niet meer behoeft te worden besproken.

12. Grief acht luidt:

“ Ten onrechte, althans niet gemotiveerd is de Rechtbank voorbij gegaan aan het door EY gevoerde verweer omtrent het ontbreken van het conditio-sine-qua-non-verband. De Rechtbank heeft terzake in het vonnis niets overwogen.”

In de toelichting wijst EY er op dat de oorzaak van RSI ook buiten het werk kan liggen. EY wijst op de eerdere polsklachten van [werknemer], zijn slechte houding danwel overige privé-activiteiten zoals volleybal en badminton.

13. Deze grief slaagt niet. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor sub 7.9 is overwogen.

Niet aannemelijk is geworden dat [werknemer] zonder zijn werk bij EY dezelfde klachten zou hebben ontwikkeld.

14. De negende grief luidt:

“ Ten onrechte, althans zonder deugdelijke motivering heeft de Rechtbank overwogen dat [werknemer] zijn schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt zodat een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat toewijsbaar is. “

In de toelichting wijst EY er op dat het niet vaststaat dat [werknemer] zijn opleiding zonder zijn ziekte zou hebben voltooid, dat hij altijd bij EY zou zijn blijven werken en dat hij partner zou zijn geworden. Voorts betwist EY dat hij er in zijn functie bij de gemeente Maastricht ten opzichte van zijn functie bij EY financieel op achteruit is gegaan, mede gelet op de door EY gefinancierde aanvulling voor de eerste twee jaar.

15. Ook deze grief faalt. Vaststaat dat [werknemer] geruime tijd arbeidsongeschikt is geweest en uit het rapport van Lankhorst, die concludeert dat sprake is van een definitieve eindtoestand, blijkt dat er een groot aantal activiteiten is die [werknemer] niet of slechts in beperkte mate kan uitvoeren, zowel in zijn werk als privé. Op grond hiervan is voldoende aannemelijk, dat [werknemer] schade heeft geleden, zodat de vordering tot vergoeding daarvan, op te maken bij staat toewijsbaar is. Hetgeen verder door EY is aangevoerd dient in de schadestaatprocedure aan de orde te komen.

16. De tiende grief betreft het oordeel van de rechtbank dat [werknemer] zijn buitengerechtelijke kosten voldoende heeft gespecificeerd.

EY voert aan dat [werknemer] weliswaar geen vergoeding vraagt voor de werkzaamheden ter voorbereiding van de gedingstukken, doch dat uit de door [werknemer] overgelegde overzichten niet blijkt, dat sprake is van redelijke kosten ter verkrijging van afdoening buiten rechte. EY betoogt dat, nu die kosten niet nader zijn gespecificeerd, daaruit niet valt op te maken dat sprake is van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

17. Ook deze grief faalt. Door EY is niet weersproken dat sprake is geweest van vele pogingen om de zaak in der minne te regelen. [werknemer] vordert vergoeding van de werkzaamheden van zijn gemachtigde. Het gaat om:

1,17 uur in 1998, 11,75 uur in 1999, 3,2 uur in 2000, 4,1 uur in 2001 en 5,8 uur in 2002, derhalve totaal 22,22 uur verdeeld over vier jaren. Het hof acht een dergelijk aantal uren voor vele pogingen tot regeling in der minne, mede gelet op de complexiteit van de zaak, niet onredelijk. Een andere specificatie van de aard van de werkzaamheden is dan ook niet nodig.

18. De conclusie is dat alle grieven falen. Het door EY in hoger beroep gedane bewijsaanbod zal worden gepasseerd, nu niet wordt aangegeven welke feiten door het horen van deze getuigen zouden kunnen worden bewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en EY zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, van 19 december 2003, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt EY in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] bepaald op € 241,= aan verschotten en op € 2.682,= aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In ’t Velt-Meijer, A.H. de Wild en L.F.A. Husson en uitgesproken op 1 juli 2005 in aanwezigheid van de griffier.