Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9558

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
19-07-2005
Zaaknummer
2200381504
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AZ8413, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ8413
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie, welke organisatie zich op professionele wijze bezig hield met de (organisatie van) invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland en de uitvoer van XTC-pillen. In dat verband heeft de verdachte zich binnen een periode van ruim een jaar intensief en op grote schaal, samen met anderen, bezig gehouden met de invoer van zeer grote hoeveelheden

(onder meer 446 en 3065 kilo) cocaïne, alsmede met

voorbereidingshandelingen voor andere cocaïnetransporten.

Verdachte maakte daarbij gebruik van zijn bedrijf en bedrijven van medeverdachten, waarbij door deze bedrijven te importeren fruit als dekmantel voor de invoer van de cocaïne fungeerde. De handelingen van verdachte waren er kennelijk op gericht - ook nadat hoeveelheden cocaïne in beslag waren genomen - met een regelmatige frequentie cocaïne in te voeren. Verdachte trachtte daartoe telkenmale 'invoerlijnen' op te zetten.

Daarnaast hebben de verdachte en medeverdachten zich beziggehouden met de uitvoer van XTC-pillen naar het buitenland en de voorbereiding van een dergelijk feit.

Deze feiten dragen bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne en XTC, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen.

Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Bovendien leidt de grootschalige handel in verdovende middelen tot samenhangende vormen van ernstige criminaliteit. Er is sprake van een zeer ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Het hof heeft voorts bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte in de criminele organisatie een actieve en leidende rol heeft gespeeld. Zo onderhield de verdachte veel contact met

-al dan niet eventuele- overzeese leveranciers en had hij een sturende rol bij door medeverdachten verrichte handelingen.

Het hof rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003815-04

Parketnummer: 09-754080-02

Datum uitspraak: 28 juni 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 21 juli 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 21 maart 2005, 10 juni 2005, 13 juni 2005 en 14 juni 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie nader omschreven, vermeld staat.

Van de dagvaarding en nadere omschrijving tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 7 primair en 9 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 subsidiair en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen en beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als vermeld in het vonnis.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte en de officier van justitie is blijkens door de raadsman en de advocaat-generaal gedane mededelingen op de terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

7 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt met betrekking tot de vrijspraak ten aanzien van feit 7 primair het volgende.

Het hof is van oordeel dat, nu de desbetreffende pillen kennelijk al enige tijd werden bewaard op het kantoor van het bedrijf van verdachte en die pillen nog niet ter verzending waren aangeboden aan enig vervoersbedrijf, poging tot uitvoer van die pillen niet bewezen kan worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair,

5 primair, 6 primair, 7 subsidiair en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair : medeplegen van opzettelijk handelen in

strijd met een in artikel 2 onder A van de

Opiumwet gegeven verbod;

2 : deelneming aan een organisatie die tot

oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

3 primair : medeplegen van opzettelijk handelen in

strijd met een in artikel 2, eerste lid,

onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

4 primair : medeplegen van opzettelijk handelen in

strijd met een in artikel 2, eerste lid,

onder A, van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd;

5 primair : medeplegen van opzettelijk handelen in

strijd met een in artikel 2, eerste lid,

onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

6 primair : medeplegen van opzettelijk handelen in

strijd met een in artikel 2, eerste lid,

onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

7 subsidiair: medeplegen van een feit, bedoeld in het

vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voorbereiden door voorwerpen en stoffen

voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat

zij bestemd zijn tot het plegen van dat

feit;

8 : medeplegen van een feit, bedoeld in het

vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voorbereiden door zich of een ander

gelegenheid, middelen of inlichtingen tot

het plegen van dat feit trachten te

verschaffen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair,

7 primair en 8 tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen en omtrent de vordering van de benadeelde partij als vermeld in de vordering.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie, welke organisatie zich op professionele wijze bezig hield met de (organisatie van) invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland en de uitvoer van XTC-pillen. In dat verband heeft de verdachte zich binnen een periode van ruim een jaar intensief en op grote schaal, samen met anderen, bezig gehouden met de invoer van zeer grote hoeveelheden

(onder meer 446 en 3065 kilo) cocaïne, alsmede met voorbereidingshandelingen voor andere cocaïnetransporten.

Verdachte maakte daarbij gebruik van zijn bedrijf en bedrijven van medeverdachten, waarbij door deze bedrijven te importeren fruit als dekmantel voor de invoer van de cocaïne fungeerde. De handelingen van verdachte waren er kennelijk op gericht - ook nadat hoeveelheden cocaïne in beslag waren genomen - met een regelmatige frequentie cocaïne in te voeren. Verdachte trachtte daartoe telkenmale 'invoerlijnen' op te zetten.

Daarnaast hebben de verdachte en medeverdachten zich beziggehouden met de uitvoer van XTC-pillen naar het buitenland en de voorbereiding van een dergelijk feit.

Deze feiten dragen bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne en XTC, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen.

Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Bovendien leidt de grootschalige handel in verdovende middelen tot samenhangende vormen van ernstige criminaliteit. Er is sprake van een zeer ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Het hof heeft voorts bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte in de criminele organisatie een actieve en leidende rol heeft gespeeld. Zo onderhield de verdachte veel contact met

-al dan niet eventuele- overzeese leveranciers en had hij een sturende rol bij door medeverdachten verrichte handelingen.

Het hof rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte eerder

in de Verenigde Staten is veroordeeld terzake van (voorbereiding op) de handel in verdovende middelen.

Hij heeft daarvoor aldaar een langdurige gevangenisstraf ondergaan. Dit heeft hem er echter kennelijk niet van weerhouden zich in te laten met zowel de invoer als de uitvoer van verdovende middelen, en dan nog wel in een leidende rol en op zeer grote schaal.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof overweegt in dit verband nog dat de ernst van de feiten en de rol van verdachte, hoezeer ook aanzienlijk, niet een gevangenisstraf als door de advocaat-generaal gevorderd rechtvaardigen.

Beslag

De op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 4, 5, 31 en 32 inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1, 27 tot en met 29 inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het onder 7 subsidiair bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden

onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Ten aanzien van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 2, 3, 6 tot en met 12, 14 tot en met 26B, 30, 33 tot en met 36 en 38 tot en met 51 vermelde voorwerpen, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Ten aanzien van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 13 en 37 vermelde voorwerpen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 100.000,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag EUR 100000, vermeerderd met de kosten van rechtsbijstand ad EUR 850,-, alsmede EUR 150,- terzake van kosten opvragen bankschriften ABN-AMRO.

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering met bepaling dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding en deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 2 (oud), 10, 10 (oud) en 10a van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

7 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair,

7 subsidiair en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 4, 5, 31 en 32 vermelde voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen onder 1, 27 tot en met 29 vermelde voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 2, 3, 6 tot en met 12, 14 tot en met 26B, 30, 33 tot en met 36 en 38 tot en met 51 vermelde voorwerpen.

Gelast de bewaring van de op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 13 en 37 vermelde voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende(n).

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Oosterhof, De Groot en Heemskerk,

in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 juni 2005.

Mr. Heemskerk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.