Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9501

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
19-07-2005
Zaaknummer
007-D-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning. Belangenafweging valt i.c. uit in het voordeel van de verzoeker tot erkenning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 13 juli 2005

Rekestnummer : 007-D-05

Rekestnr. rechtbank : 49931 FA RK 03-7845

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[belanghebbende]

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.J.P. Nolet,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. J.C. Meijroos.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.,

2. [belanghebbende],

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige [kind],

kantoorhoudende te Dordrecht,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 3 januari 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 27 oktober 2004.

De moeder heeft op 26 april 2005 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De man heeft geen verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 14 januari 2005 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 25 april 2005 laten weten ter terechtzitting te zullen verschijnen. Bij voornoemde brief is het raadsrapport van 16 juni 2004 gevoegd.

Op 22 juni 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. R.A.A.H. van Leur, namens de moeder haar advocaat mr. A. Jhingoer, en de bijzondere curator. De man, zijn advocaat, de advocaat van de moeder en de bijzondere curator hebben het woord gevoerd. Van de raad is niemand verschenen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de man en de moeder het volgende vast.

De man is de biolo-gische vader van [kind], geboren op [geboortedatum]. [kind] verblijft sinds haar geboorte bij de moeder, die alleen het gezag over haar heeft.

Op 9 juli 2003 heeft de man de rechtbank te Dordrecht verzocht hem vervangende toestemming ex artikel 1: 204 lid 3 Burgerlijk Wetboek te verlenen tot erkenning van [kind] en voorts om een omgangsregeling tussen hem en [kind] vast te stellen. De moeder heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd.

De rechtbank heeft bij beschikking van 23 juli 2003 [belanghebbende] benoemd tot bijzondere curator.

Bij tussenbeschikking van 17 december 2003 heeft de rechtbank alvorens verder te beslissen aan de raad verzocht onderzoek te doen naar de vraag of door de erkenning door de man de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind] en de belangen van [kind] zouden worden geschaad, alsmede naar de wenselijkheid van een omgangsregeling en daarover rapport en advies uit te brengen. De raad heeft op 16 juni 2004 rapport en advies uitgebracht.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank vervangende toestemming tot de erkenning verleend, doch het meer of anders verzochte afgewezen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de omgangsregeling tussen de man en [kind] en de erkenning van [kind] door de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voorzover daarbij zijn verzoek om een omgangsregeling is afgewezen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling vast te stellen als volgt:

de eerste drie maanden: iedere zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur;

de tweede drie maanden iedere zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;

na zes maanden: iedere week van vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 19.00 uur.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij vervangende toestemming tot erkenning is verleend. De man verzet zich daartegen.

4. Nu de man de verwekker is van [kind], komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de erkenner bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen. Op de moeder rust de plicht feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afge-leid dat zij en/of de minderjarige een in rechte te respecteren belang hebben bij de weigering tot het verlenen van toestemming tot de erkenning van [kind] door de man.

5. Als zodanige feiten en omstandigheden heeft de moeder in haar incidentele beroep gesteld dat zij emotionele weerstand tegen erkenning heeft, omdat zij bang is, dat de man bij erkenning macht over de moeder zal uitoefenen. Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat door de vervangende toestemming tot erkenning de belangen van moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind zo ernstig worden geschaad, dat daardoor aan het belang van de vader bij erkenning voorbij moet worden gegaan; belangen van moeder en kind gaan vóór op die van de vader. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder verklaard dat de moeder kampt met zware problemen wegens haar psychische en fysieke gesteldheid: de moeder is reumapatiënte en heeft een spieraandoening, en het gezin ondervindt problemen wegens agressiviteit van de vader van de tienjarige [half zusje], een halfzusje van [kind]. Erkenning van [kind] zou de onrust in het gezin van de moeder vergroten.

6. De man ontkent dat hij van de erkenning misbruik zou willen maken om macht uit te oefenen over de moeder. Hij stelt dat hij [kind] als zijn dochter wilde erkennen, omdat ze op het moment van indiening van het verzoekschrift zijn enige familielid was, en dat het in het belang van [kind] is, dat zij weet wie haar vader is, te meer, nu de 10-jarige [half zusje] wel weet wie de vader van [kind] is.

7. De bijzondere curator heeft ter zitting verklaard dat zij door de rechtbank in het proces-verbaal en in de bestreden beschikking onjuist is geciteerd. In tegenstelling tot het advies van de raad is zij van oordeel, dat het goed is voor [kind] om te weten wie haar vader is, en dat de emotionele weerstand van de moeder tegen de erkenning van [kind] niet zwaarwegend genoeg is voor de stelling, dat de moeder in geval van erkenning geen ongestoorde verhouding met [kind] kan hebben. Zij concludeert derhalve tot bekrachtiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning.

8. Het hof oordeelt dat het belang van [kind] om haar vader te leren kennen in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de moeder, die zich tegen de erkenning verzet. De moeder heeft onvoldoende argumenten aangevoerd voor de stelling, dat, ingeval van erkenning door de man de belangen van de moeder en [kind] bij een ongestoorde verhouding of de belangen van [kind] zo ernstig worden geschaad, dat daardoor aan het belang van de man bij erkenning voorbij moet worden gegaan. Het verzoek van de moeder in incidenteel beroep dient mitsdien te worden afgewezen.

9. Het hof beoordeelt vervolgens het principale verzoek in hoger beroep ten aanzien van de omgangsregeling. Uitgangspunt daarbij is dat de man en [kind] op grond van art. 1:377a BW recht hebben op omgang met elkaar, tenzij één van de gronden tot ontzegging van het recht op omgang genoemd in art. 1:377a lid 3 BW aanwezig is. Uitgaande van de vervangende toestemming tot erkenning van [kind] door de man kan in het midden blijven in hoeverre sprake is geweest van family life van de man met [kind].

10. Hetgeen de moeder heeft aangevoerd over de gezondheidsproblemen van [kind], zoals longproblemen, is niet onderbouwd. De gestelde psychische problemen van [kind], zoals verlatingsangst, acht het hof op zichzelf onvoldoende grond tot ontzegging van omgang tussen haar en haar vader.

11. Emotionele weerstand van de moeder tegen omgang van de man met [kind] is op zich ook geen grond tot ontzegging. De angst van de moeder voor ontvoering van [kind] naar Marokko, het geboorteland van de man, acht het hof ongegrond, nu de man wees is en stelt geen familie in Marokko te hebben, sinds 1991 in Nederland verblijft en hier te lande een vaste verblijfsvergunning heeft en een vaste baan als bedrijfsleider. Bovendien heeft hij thans in Nederland een nieuwe partner, met wie hij is getrouwd, uit welk huwelijk een kind is geboren. Zelfs al zou de vader [kind] mee willen nemen naar Marokko, dan zou dat niet mogelijk zijn zonder toestemming van de moeder, die alleen het gezag heeft over [kind], mede omdat de vader haar niet zonder paspoort kan meenemen.

12. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende argumenten aangevoerd, waaruit de conclusie voortvloeit, dat de man ongeschikt is of niet in staat moet worden geacht tot omgang met [kind]. Ook anderszins is niet gebleken, dat zwaarwegende belangen van het kind zich verzetten tegen elke vorm van omgang. De stelling van de moeder, dat de man de moeder en haar gezin diverse malen heeft lastiggevallen en bedreigd, is door de man slechts in zoverre erkend, dat er inderdaad in 2003 een incident is geweest, toen de moeder [kind] een broodje ham te eten wilde geven, hetgeen niet strookt met zijn Islamitische achtergrond. Niet gebleken is van bedreiging door de man. Er zijn door de moeder geen aangiften van bedreiging door de man overgelegd.

13. Nu wel gebleken is, dat de draagkracht van het gezin van de moeder, mede door de psychische en de gezondheidsproblemen van de moeder gering is, terwijl [kind] nog een jong kind is, en voorts, dat de man haar voor het laatst in het voorjaar van 2003 heeft gezien, acht het hof het verzoek van de man tot vaststelling van een onbegeleide omgangsregeling echter niet zonder meer toewijsbaar. Daarom zal het hof op het punt van de omgangsregeling een tussenbeschikking geven, en de raad verzoeken via het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding een drietal proefcontacten te organiseren, en over het verloop daarvan aan het hof te rapporteren en het hof te adviseren.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de daarbij gegeven vervangende toestemming tot erkenning door de man van de op [geboortedatum] te [geboorteplaats] geboren [kind];

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – indien daartegen geen cassatie is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwijndrecht;

en, alvorens te beslissen ten aanzien van het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen de vader en [kind]:

verzoekt de raad om een drietal proefcontacten te organiseren tussen de vader en [kind] via het Project Rotterdamse Omgangsbegeleiding en over het verloop van die contacten aan het hof verslag uit te brengen en omtrent het verdere verloop te adviseren;

houdt iedere verdere beslissing aan tot pro forma 31 december 2005.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Duindam, Van Leuven en Van Montfoort, bijge-staan door mr. Arnbak-d’Aulnis de Bourouill als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 13 juli 2005.