Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9163

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
2200389204
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partiele niet-ontvankelijkheid van het OM ter zake van de vervolging van de verdachte die niet (tevens) de Nederlandse nationaliteit bezit voor feiten gepleegd uitsluitend in het buitenland.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 250 kilo amfetamine en aan het samen met anderen opzettelijk met bestemming naar het buitenland vervoeren van een andere grote handelshoeveelheid amfetamine. Aldus heeft de verdachte zich ingelaten met grootschalige internationale en dus professionele handel in harddrugs, alsmede daarop gerichte dan wel daarmee samenhangende activiteiten ontplooid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003892-04

Parketnummer: 10-150321-03

Datum uitspraak: 12 juli 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 19 juli 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in het huis van bewaring '[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 april 2005, 28 juni 2005 en 1 juli 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding vermeld staat, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven. Van de vordering nadere omschrijving tenlastelegging is een kopie in dit arrest gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze vordering zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1, 2 en 3 telkens als eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

Door de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens een mededeling van de verdachte ter terechtzitting niet gericht tegen de in eerste aanleg ter zake van het onder 4 tenlastegelegde gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte overweegt het hof ambtshalve als volgt. Vaststaat dat de verdachte de Britse en niet - tevens - de Nederlandse nationaliteit bezit, zodat - nu geen van de overige situaties, als voorzien in de te dezen relevante bepalingen van titel I van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht, zich voordoet - de omvang van de werking van de Nederlandse strafwet in casu wordt bepaald door artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht. Dat brengt met zich dat, voor zover de vervolging ter zake van het onder 1, 2 en 3 telkens als eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde blijkens de zinsnede "of in Spanje" is gericht op niet althans niet mede in Nederland gepleegde feiten, het openbaar ministerie in zijn vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vrijspraak

Op grond van het bewijsmateriaal, betrekking hebbende op hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, valt slechts vast te stellen dat op 25 juli 2003, 29 juli 2003 en 5 augustus 2003 respectievelijk (ongeveer) 144 kilo, 77 kilo en 124 kilo amfetamine is vervoerd teneinde deze ter bewaring bij de medeverdachte Manuhutu onder te brengen. Uit de bewijsmiddelen valt evenwel niet af te leiden dat bij dat vervoer de intentie heeft voorgezeten de drie onderscheiden hoeveelheden amfetamine op genoemde data aansluitend naar het buitenland (Spanje) uit te voeren - op welke uitvoer het onder het eerste cumulatief tenlastegelegde ziet - en valt mitsdien niet af te leiden dat de amfetamine met bestemming naar het buitenland is vervoerd dan wel met bestemming naar het buitenland ten vervoer is aangeboden, reden waarom het op die data plaatsgehad hebbende vervoer naar het oordeel van het hof niet onder het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet valt te scharen.

Daarenboven wijst slechts een aantal opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, gevoerd tussen de verdachte en diens medeverdachte Reid in de periode van 26 juli 2003 tot en met 31 juli 2003, op een betrokkenheid van de verdachte bij de activiteiten die rondom de hier bedoelde hoeveelheden amfetamine zijn verricht. Die betrokkenheid heeft in ieder geval niet uit enige uitvoeringshandeling zijnerzijds bij de in artikel 10 en artikel 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten bestaan, terwijl die betrokkenheid, afgaande op bedoelde telefoongesprekken, ook niet zo vergaand is geweest dat deze valt te duiden als een bewuste, zodanig nauwe en volledige samenwerking met de medeverdachten dat ten aanzien van de verdachte boven iedere redelijke twijfel is verheven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de in artikel 10 en artikel 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder

2 eerste en tweede cumulatief is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste cumulatief en 3 eerste cumulatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1, 2 en 3 telkens als eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 250 kilo amfetamine en aan het samen met anderen opzettelijk met bestemming naar het buitenland vervoeren van een andere grote handelshoeveelheid amfetamine. Aldus heeft de verdachte zich ingelaten met grootschalige internationale en dus professionele handel in harddrugs. Dergelijke handel gaat gepaard met onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid en de openbare orde en dient dan ook, zeker waar het hoeveelheden betreft als in de onderhavige zaak, krachtig bestreden te worden. Het gebruik van amfetamine is immers niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar werkt ook direct en indirect vele vormen van criminaliteit, die in verband staan met het verwerven van (gelden benodigd voor) verdovende middelen, in de hand. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep uiteindelijk heeft verklaard, doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel en het behoud van een nieuwe levensstijl heeft nagestreefd zonder zich er rekenschap van te geven dat hij dusdoende een ernstige inbreuk maakte op niet alleen de nationale, maar ook de internationale rechtsorde.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 telkens als eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde voor zover deze vervolging blijkens de zinsnede "of in Spanje" is gericht op niet althans niet mede in Nederland gepleegde feiten.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste cumulatief en 3 eerste cumulatief tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (ZES) JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J.M. van Dijk,

J.A. van Kempen en A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. M. van Kuilenburg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juli 2005.