Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AT7751

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
05/375
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AX8845
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AX8845
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verval van instantie, overgangsrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 16 juni 2005

Rolnummer: 05/375

Rolnr. Hoge Raad: C00/163 HR

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

WOONSTICHTING JUTPHAAS, rechtsopvolger van WONINGBOUWVERENIGING JUTPHAAS,

gevestigd te Nieuwegein,

appellante in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

hierna te noemen: Jutphaas,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

GEÏNTIMEERDE,

wonende te X,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

hierna te noemen: Geïntimeerde,

procureur: mr. E. Grabandt.

Het geding

Bij exploot van 17 februari 1999 is Jutphaas in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 16 april 1997 en 18 november 1998, door de rechtbank te Utrecht gewezen tussen partijen.

Bij arrest van 3 februari 2000 heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis van 16 april 1997 bekrachtigd en het vonnis van 18 november 1998 vernietigd en de door Geïntimeerde ingestelde vordering afgewezen.

Bij arrest van 8 maart 2002 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2000 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te ’s-Gravenhage.

Bij exploot van 9 maart 2005 heeft Geïntimeerde Jutphaas opgeroepen en in het incident verval van instantie gevorderd.

Jutphaas heeft een memorie na verwijzing door de Hoge Raad tevens akte in het incident tot verval van instantie genomen.

Geïntimeerde heeft een antwoordakte in het incident tot verval van instantie genomen.

Jutphaas heeft een akte bij wege van dupliek in het incident tot verval van instantie genomen.

Ten slotte hebben partijen de processtukken gefourneerd en arrest in het incident gevraagd. Geïntimeerde heeft slechts de processtukken in het incident gefourneerd.

De beoordeling van het incident

1. Geïntimeerde heeft verval van instantie gevorderd. Jutphaas heeft de vordering bestreden. Partijen verschillen van mening of op deze vordering het vóór 1 januari 2002 geldende recht, dan wel het vanaf 1 januari 2002 geldende recht van toepassing is.

2. Het hof overweegt het volgende. De wet waarbij het recht met betrekking tot verval van instantie is gewijzigd (Stb. 2001,580), is op 1 januari 2002 in werking getreden. De overgangsbepaling van de wet waarbij het recht met betrekking tot verval van instantie is gewijzigd, luidt als volgt:

“artikel VII lid 1

Ten aanzien van de verdere behandeling door een kantongerecht, een arrondissementsrechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn, blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.”

3. Vast staat dat op 1 januari 2002 de zaak nog niet aanhangig was bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Dit betekent, dat op de vordering tot verval van instantie het vanaf 1 januari 2002 geldende recht van toepassing is.

4. Weliswaar is langer dan twaalf maanden geen proceshandeling verricht, maar inmiddels heeft Jutphaas een memorie na verwijzing genomen. Daarom behoeft geen roldatum te worden bepaald waarop Jutphaas een laatste uitstel kan vragen of Geïntimeerde verval van instantie kan vorderen. De vordering tot verval van instantie behoeft niet meer te worden behandeld.

5. Het hof zal een datum bepalen waarop de hoofdzaak weer ter rolle wordt uitgeroepen.

De beslissing in het incident

Het hof:

bepaalt dat de hoofdzaak weer wordt uitgeroepen ter rolle van donderdag 21 juli 2005, waarbij Geïntimeerde aan het woord is voor het nemen van een memorie na verwijzing;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In ’t Velt-Meijer, E.J. van Sandick en A.A. Schuering en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2005 in aanwezigheid van de griffier.