Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AT6246

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
923-R-03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man en de vrouw zijn op [datum] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee nog minderjarige kinderen geboren. Na echtscheiding oefenen partijen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw. Afwijzing verzoek wijziging omgangsregeling. Bepaling van de hoogte van de kinder- en partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 25 mei 2005

Rekestnummer : 923-R-03

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 02-3108

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens inciden-teel verzoe-kster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M. Bruins.

PROCESVERLOOP

De man is op 10 oktober 2003 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 11 juli 2003.

De vrouw heeft op 28 november 2003 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De man heeft op 20 januari 2004 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 31 oktober 2003, 5 november 2003 en 23 juli 2004 aanvullende stukken ingekomen.

De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Rotterdam, hierna te noemen: de raad, heeft het hof bij brief, ontvangen op 18 mei 2004, laten weten niet ter terechtzitting van 5 november 2004 te zullen verschijnen.

Op 5 november 2004 is de zaak mondeling behandeld. De zaak is vervolgens aangehouden tot 21 januari 2005 voor een gezamenlijke inhoudelijke behandeling van zowel de omgangsregeling als de alimentatiekwesties. Partijen hebben ingaande 5 november 2004 drie weken de tijd gekregen om een schriftelijke toelichting te geven, en aansluitend nog een periode van drie weken om op elkaars stukken te reageren. Voor zover gewenst zijn partijen ook in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na de zitting van 5 november 2004 schriftelijk te reageren op de hiervoor genoemde, door de man ingediende aanvullende stukken.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de vrouw op 26 november 2004 een nadere akte appèl gewijzigde omstandigheden tevens houdende gewijzigd verzoek, met bijlagen;

- van de zijde van de man op 6 december 2004 een schriftelijke toelichting, met bijlagen;

- van de zijde van de vrouw op 24 december 2004 een schriftelijke reactie ,met bijlagen;

- van de zijde van de man op 27 december 2004 een antwoordakte, met bijlagen;

- van de zijde van de vrouw op 13 januari 2005 een aantal nadere stukken.

Op 21 januari 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. F.M.J.A. Lohuis en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

mr. Ch.L. van den Puttelaar.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op [datum] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

[kind 1], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 1] en

[kind 2], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 2],

hierna ook tezamen te noemen: de kinderen.

Na echtscheiding oefenen partijen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.

Bij verzoekschrift van 19 september 2002 heeft de man bij de rechtbank te Rotterdam een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Hij heeft onder meer verzocht een omgangsregeling te bepalen, inhoudende dat de kinderen éénmaal per veertien dagen vanaf donderdag na school tot dinsdag voor school bij hem zullen zijn, alsmede de helft van alle vakanties en feestdagen, jaarlijks alternerend en in onderling overleg te bepalen, met dien verstande dat hij de kinderen haalt en brengt en de vrouw op de momenten dat de kinderen bij hem verblijven één vaste belafspraak krijgt.

Voorts heeft hij verzocht te bepalen dat hij aan de vrouw een kinderalimentatie zal betalen van ƒ 750,-/ € 340,34) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van de geldende wetten en regelingen voor die minderjarigen zal worden verleend. Tenslotte heeft hij verzocht de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en zelfstandig verzocht de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de kinderen het hoofdverblijf bij haar zullen hebben en een omgangsregeling te bepalen van één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag rond 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, jaarlijks alternerend en in onderling overleg te bepalen, en voorts te bepalen dat de kinderen de drie weken zomervakantie niet aaneengesloten maar in twee afzonderlijke perioden van respectievelijk 2 en 1 weken bij de man zullen verblijven. Voorts heeft de vrouw verzocht ten laste van de man een kinderalimentatie te bepalen van € 700,77 per maand per kind, met aftrek van de door haar te ontvangen kinderbijslag en aantoonbaar door de man betaalde bedragen voor kinderopvang en zorgverzekering, bij vooruitbetaling te voldoen, subsidiair een kinderalimentatie van € 500,- per maand per kind alsmede de kosten van kinderopvang en zorgverzekering, bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens heeft zij verzocht ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud te bepalen van € 800,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en de afwikkeling huwelijksvoorwaarden vast te stellen conform een nader door haar in het geding te brengen voorstel en voor zover partijen niet tot een regeling dienaangaande komen te dien einde vooralsnog een pro forma aanhouding te verlenen.

De man heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw en verzocht deze verzoeken, behoudens de verzoeken tot echtscheiding en tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw, af te wijzen. Voorts heeft hij verzocht de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen conform een nader door hem in het geding te brengen voorstel, indien en voor zover partijen niet tot een regeling gaan komen vooralsnog de vermogensrechtelijke afwikkeling gedurende 6 maanden pro forma aan te houden met bepaling van de stukken welke partijen over en weer binnen deze gestelde termijn dienen te produceren om tot een mondelinge behandeling te kunnen komen.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Verder is ten laste van de man de alimentatie voor de vrouw bepaald op € 770,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag, dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is bepaald dat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een kinderalimentatie zal betalen van € 700,77 per maand per kind, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve de minderjarigen kan of zal worden verleend, verminderd met de door de vrouw te ontvangen kinderbijslag, de door de man te betalen kinderopvang, premie ziektekostenverzekering van de kinderen en de niet door de verzekering vergoede ziektekosten van de kinderen. Door de rechtbank is verstaan dat genoemde bijdragen voor de kinderen en de vrouw jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, worden gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering. De rechtbank heeft voorts ten behoeve van de man een omgangsre-ge-ling bepaald, inhoudende dat de man de kinderen bij zich mag hebben een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag rond 18.00 uur, alsmede een gelijke verdeling van de grote en kleine vakanties en de feestdagen, één en ander in overleg tussen partijen vast te stellen. De beschikking is, behalve ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is de zaak pro forma aangehouden tot 1 december 2003.

De echtscheidingsbeschikking is op 5 januari 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de vrouw verzochte alimentatie voor haarzelf af te wijzen en de kinderalimentatie slechts toe te wijzen tot een bedrag van € 340,34 per maand per kind, te vermeerderen met de door hem via zijn huidige werkgever betaalde kosten kinderopvang, premie ziektekostenverzekering en niet vergoede ziektekosten. Voorts verzoekt de man de weekendomgangsregeling met de kinderen geleidelijk uit te breiden, in die zin dat hij de kinderen vanaf 1 september 2004 van donderdagmiddag uit school tot zondagavond bij zich heeft, alsmede een gelijke verdeling van de grote en kleine vakanties, feestdagen en roostervrije dagen, een en ander in overleg tussen partijen vast te stellen, althans een omgangsregeling te bepalen die het hof juist acht, zonodig, ter beoordeling van het hof, onder gelijktijdige verwijzing van partijen naar een begeleidend (kinder)psycholoog, waarvan de man de kosten voor zijn rekening neemt. Subsidiair verzoekt de man partijen naar een forensisch mediator te verwijzen, teneinde in onderling overleg tot een uitbreiding van de omgang te komen, waarvan de man de kosten voor zijn rekening neemt.

2. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft de omgangsregeling en de vastgestelde kinderalimentatie en te vernietigen voor wat betreft de partneralimentatie en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van € 1.300,- per maand, althans met een bedrag dat het hof juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts verzoekt de vrouw te bepalen dat de te bekrachtigen kinderalimentatie alsmede de toe te kennen partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf 27 augustus 2002 verschuldigd zullen zijn. Tot slot verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de kosten van de procedure. De man verzet zich tegen deze verzoeken.

3. De vrouw heeft bij nadere akte appèl gewijzigde omstandigheden tevens houdende gewijzigd verzoek verzocht om de door de man te betalen kinderalimentatie per 1 februari 2005 te verhogen tot € 859,95 per maand per kind, althans tot een door het hof te bepalen bedrag. Voorts heeft zij verzocht haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud per 1 februari 2005 te verhogen tot een bedrag van € 2.906,19, althans tot een door het hof te bepalen bedrag.

4. In zijn antwoordakte persisteert de man bij zijn appèlrekest en verzoekt hij het hof de bestreden beschikking te vernietigen en in redelijkheid de kinderalimentatie vast te stellen op een zodanig bedrag, dat partijen een gelijk te besteden bedrag aan vrije ruimte hebben, onder afwijzing van de gevraagde partneralimentatie. Tevens verzoekt hij het hof de proceskosten te compenseren.

De omgangsregeling

5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte nu en op termijn zijn verzoek tot vaststelling van een ruimere omgangsregeling dan de door de vrouw gewenste “standaard-weekendregeling” heeft afgewezen en geen acht heeft geslagen op het advies van de raad voor de kinderbescherming van februari 2003 om de gevraagde uitbreiding van de omgangsregeling een jaar na de rapportage opnieuw te bezien. De emotionele en fysieke reacties van de vrouw ten aanzien van de scheidingsproblematiek mogen naar de man meent thans geen belemmering meer zijn om de omgang uit te breiden. De man wil meer zijn dan een weekendvader en hij wil meedraaien in het dagelijkse leven van de kinderen. Het (enigszins) deel hebben aan hun dagelijkse activiteiten, contacten met school en naschoolse opvang, vindt hij van groot belang om een relatie met zijn kinderen te kunnen hebben. Subsidiair stelt de man forensische mediation voor, waarbij hij de kosten van een (kinder)psycholoog, dan wel een forensisch mediator voor zijn rekening wil nemen.

6. De vrouw heeft wel begrip voor de wens van de man, maar in het leven van de kinderen is de vastgestelde omgangsregeling, naar zij stelt, het maximaal haalbare. De huidige omgangsregeling is uitvoerbaar dankzij tijdig onderling overleg, strakke regelingen en duidelijkheid. Het is wel een omgangsregeling die veel van de kinderen vergt, en die reeds om die reden niet nader uitgebreid kan worden. Uit het rapport van de raad blijkt dat een uitbreiding voor de kinderen en voor haarzelf zowel emotioneel als logistiek te belastend is. De door de man verzochte uitbreiding zou inhouden dat de kinderen drie verschillende woonplekken zouden hebben. De vrouw heeft de man steeds op de hoogte gehouden van de (school)activiteiten van de kinderen waarbij ouders ook uitgenodigd zijn. Hij kon aldus betrokken worden bij de school, de buitenschoolse activiteiten van de kinderen (zoals zwemles) en bij hun vriendjes en vriendinnetjes (kinderfeestjes). De man heeft hier slechts spaarzaam gebruik van gemaakt.

7. Ten aanzien van de omgangsregeling oordeelt het hof als volgt. De man woont in [woonplaats] en werkt in Rotterdam. Door de week verblijft hij in [verblijfplaats] in de vakantiebungalow van zijn nieuwe partner. De door de man verzochte uitbreiding van de omgangsregeling zou inhouden dat de kinderen op donderdag in [verblijfplaats] verblijven, op vrijdag met de man naar [woonplaats] gaan voor het weekend en zondag aan het eind van de middag weer bij de moeder thuis in [wo[werkplaats] komen. De kinderen hebben dan te maken met drie verschillende woonsituaties. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een uitbreiding van de omgangsregeling met een aantal dagen door de week zoals door de man verzocht niet in hun belang is. Het hof heeft begrip voor de wens van de man om (meer) deel uit te maken van het dagelijkse leven van de kinderen. Echter, mede gelet op hun jonge leeftijd, zou het rouleren tussen drie verschillende woonplekken naar het oordeel van het hof teveel onrust voor de kinderen met zich meebrengen en derhalve niet in hun belang zijn. Het hoger beroep dient in zoverre te worden afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, wordt ook het verzoek van de man tot verwijzing naar een forensisch mediator teneinde in onderling overleg tot een uitbreiding van de omgang te komen, afgewezen.

De partneralimentatie

De behoefte van de vrouw

8. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage zijnerzijds in de kosten van haar levensonderhoud. Hij stelt dat het door de vrouw opgestelde behoefteoverzicht niet overeenkomt met het welstandsniveau ten tijde van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding gedurende het huwelijk en hij betwist voorts nadrukkelijk een aantal posten in de door de vrouw overgelegde behoefteberekening. De man is daarnaast van mening dat de vrouw – indien hij een redelijke kinderalimentatie betaalt alsmede de premie ziektekosten en de niet vergoede ziektekosten voor de kinderen en de kosten van kinderopvang – geacht mag worden volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien met het inkomen dat zij als advocaat gedurende vier dagen per week genereert dan wel kan genereren.

9. Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw neemt het hof als uitgangspunt het door de vrouw opgestelde behoefteoverzicht (inventarisstaat 7 van productie 1-b bij haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl). De vrouw heeft in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl aangegeven dat in het behoefteoverzicht de post auto gecorrigeerd moet worden tot een bedrag van € 680,- per maand. Het door haar berekende behoeftebedrag moet echter worden vermeerderd met een bedrag van € 127,-. De rechtbank heeft namelijk de door haar te ontvangen kinderbijslag in mindering gebracht op de door de man te betalen kinderbijdrage, terwijl zij de kinderbijslag in haar behoefteoverzicht reeds had afgetrokken van de door haar te betalen kinderbijdrage van € 803,-. De vrouw stelt derhalve dat zij een behoefte heeft van € 650,- netto per maand en € 1.300,- bruto per maand.

10. De man heeft een aantal door de vrouw in haar behoefteoverzicht opgevoerde posten betwist. Alvorens op deze posten in te gaan, overweegt het hof het volgende. Partijen hebben vanaf eind 1993 tot 2001 vanwege een ex-patriatecontract van de man in het buitenland verbleven. Beide partijen wisten dat op het moment dat ze terug zouden keren naar Nederland, de hoge inkomsten op basis van het ex-patriate salaris van de man zouden komen te vervallen. Derhalve brengt de redelijkheid en billijkheid met zich mee dat van dat hoge inkomen voor de berekening van de behoefte niet kan worden uitgegaan. Dit geldt temeer gezien het bijzondere karakter van een ex-patriate inkomen, waarbij in het algemeen elementen zijn ingebouwd ter compensatie van ontheemding, extra woonkosten, extra kosten van school voor de kinderen en extra kosten in verband met sociale verplichtingen. Het hof overweegt voorts dat het bij de bepaling van de behoefte van de vrouw gaat om haar eigen kosten en niet tevens die van de kinderen.

11. De man heeft de door de vrouw in haar behoefteoverzicht opgevoerde posten met betrekking tot de auto, pensioen, vakanties en uitjes, kleding en hulpstukken en boodschappen betwist. Voor zover de man heeft bedoeld de overige posten te betwisten, heeft hij deze betwisting naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd dan wel onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de door de man betwiste posten oordeelt het hof als volgt.

Auto

De vrouw heeft aan lasten met betrekking tot de auto (afschrijving, onderhoud, wegen- en motorrijtuigenbelasting, autoverzekering, lidmaatschap ANWB, kosten diesel en parkeerkosten) een bedrag van € 680,- per maand opgevoerd. Uit de overgelegde salarisspecificaties van 2002, 2003 en 2004 blijkt dat de vrouw van haar werkgever een bedrag van € 567,- per maand ontving in het kader van een leaseregeling. Het hof gaat er, mede gelet op de door de vrouw opgevoerde kosten van onderhoud en parkeerkosten, welke het hof aan de hoge kant vindt, vanuit dat de vergoeding welke de vrouw van haar werkgever ontving, kostendekkend is. Het hof houdt, onder verwijzing naar hetgeen het hierna, onder 13 zal overwegen, bij de bepaling van de behoefte van de vrouw dan ook geen rekening met een bedrag aan kosten voor een auto.

Pensioen

De vrouw heeft een bedrag van € 249,- per maand opgevoerd ter zake van een zogeheten pensioengat. In haar pleitnotitie heeft de vrouw verklaard dat zij de berekende pensioenvoorziening nog niet heeft kunnen treffen, maar dat zij voornoemd bedrag plus nog wat extra wel steeds hiervoor heeft gereserveerd. Nu de vrouw naar het oordeel van het hof niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom zij nog steeds geen pensioenvoorziening heeft getroffen, houdt het hof bij de bepaling van de behoefte van de vrouw geen rekening met enig bedrag ter zake van het aldus aangeduide pensioengat. Voorts is het hof van oordeel dat de vrouw, mede gezien haar leeftijd en haar verdiencapaciteit, uit haar eigen draagkracht een passende pensioenvoorziening voor de jaren na het huwelijk kan opbouwen. Zulks geldt eens te meer nu de vrouw voor wat betreft de ten tijde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten recht heeft op pensioenverevening.

Boodschappen

De vrouw heeft een totaalbedrag aan boodschappen opgevoerd van € 600,- per maand. De vrouw heeft geen onderbouwing gegeven van de kosten die zij daadwerkelijk voor zichzelf aanwendt voor boodschappen. De man betwist de kosten van boodschappen voor de vrouw en twee kinderen voor zover deze een bedrag van € 413,- per maand te boven gaan. Het hof stelt in redelijkheid de kosten van boodschappen voor de vrouw alleen vast op € 300,- per maand.

Vakanties/uitjes

De vrouw heeft een bedrag opgevoerd van € 400,- per maand. De vrouw heeft geen specificatie gegeven van de kosten die in het verleden aan vakanties en uitjes werden besteed noch heeft zij een deugdelijke begroting opgesteld aan de hand waarvan de toekomstige kosten van vakanties en uitjes kunnen worden vastgesteld. De man betwist de kosten van vakanties en uitjes boven de € 300,- per maand. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen stelt het hof in redelijkheid de kosten van vakanties en uitjes vast op € 300,- per maand.

Kleding/hulpstukken

De vrouw heeft een bedrag van € 75,- per maand opgevoerd voor een bril/zonnebril op sterkte. De vrouw heeft geen deugdelijke onderbouwing gegeven voor de kosten van brillen. De man stelt deze post op € 12,50 per maand. Ervan uitgaande dat de vrouw iedere twee jaar een nieuwe bril aanschaft, stelt het hof de kosten van de bril in redelijkheid vast op € 25,- per maand. Het hof acht het voorts redelijk rekening te houden met het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 250,- per maand aan kleding, mede gelet op haar functie en het feit dat zij blijkens de overgelegde salarisspecificaties een vergoeding representatiekosten van haar werkgever ontvangt van € 25,- per maand.

12. Uitgaande van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden begroot het hof in redelijkheid de behoefte van de vrouw op € 2.550,- netto per maand.

13. De man stelt dat de vrouw – indien hij een redelijke kinderalimentatie betaalt alsmede de premie ziektekosten en de niet vergoede ziektekosten voor de kinderen en de kosten van kinderopvang – geacht mag worden volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien met het inkomen dat zij als advocaat gedurende vier dagen per week genereert dan wel kan genereren. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. De vrouw is vanaf 1 mei 2001 gedurende 4 dagen per week als advocaat werkzaam geweest bij advocatenkantoor [werkgever], alwaar zij blijkens de overgelegde jaaropgaven een jaarinkomen genoot van bruto € 58.345,- in 2002 en € 60.113,- in 2003. De vrouw is begin 2004 een periode thuis geweest als gevolg van een burn out. In mei 2004 is het reïntegratietraject gestart (beginnend met twee ochtenden per week aangepast werk) en vanaf ongeveer eind september werkte zij twee dagen per week op kantoor en was zij twee dagen per week met behoud van salaris vrijgesteld van werk om te solliciteren. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van 13 augustus 2004 is op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst van de vrouw per 31 januari 2005 ontbonden. Met instemming van de vrouw is geen vergoeding als bedoeld in artikel 7: 685 lid 8 BW aan haar toegekend. Anders dan de vrouw, acht het hof het verlies van de baan van de vrouw bij [werkgever] verwijtbaar aan de zijde van de vrouw. De vrouw is akkoord gegaan met een ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten tijde van haar arbeidsongeschiktheid, terwijl zij als advocaat wist, dan wel redelijkerwijs geweten kon hebben dat een ontslagverbod geldt bij arbeidsongeschiktheid. Dat de vrouw bij de kantonrechter heeft erkend dat het verzoek van haar werkgever niet met het bestaan van een opzegverbod verband houdt, doet hieraan niet af. Ter zitting van het hof heeft de vrouw bovendien verklaard

dat zij als advocate ter zitting van de kantonrechter geen inhoudelijk verweer tegen het ontbindingsverzoek wenste te voeren, aangezien zij tevens bij die rechtbank als advocaat optreedt en zij het niet wenselijk achtte dat persoonlijke omstandigheden van haar bekend zouden worden bij de rechtbank. Het hof is van oordeel dat deze handelwijze voor rekening en risico komt van de vrouw en het verlies van haar baan en inkomsten onder deze omstandigheden in redelijkheid niet ten laste van de man kunnen worden gebracht. Gezien het feit dat de vrouw vanaf terugkomst in Nederland werk heeft kunnen vinden, acht het hof de stelling van de man aannemelijk dat haar inkomensverlies herstelbaar is. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij niet meer arbeidsongeschikt is en er weer aan toe is en druk doende is om een passende werkkring te vinden. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw in staat was en is om uit het voorheen verdiende netto salaris volledig in de hiervoor vastgestelde behoefte te voorzien. Bovendien blijkt uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting met betrekking tot het vermogen van de vrouw, dat zij de beschikking heeft over een bedrag van ruim € 130.000,-. Haar verzoek tot het vaststellen van een bijdrage zijdens de man in de kosten van haar levensonderhoud dient dan ook te worden afgewezen.

De kinderalimentatie

De behoefte van de kinderen

14. Partijen zijn het niet eens over het netto gezinsinkomen waarvan uitgegaan dient te worden bij de bepaling van de behoefte van de kinderen. Ook speelt tussen partijen de vraag of en zo ja, in hoeverre de (bij het tremarapport behorende) tabel kosten van kinderen lineair doorgetrokken mag worden voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen per maand bij een netto gezinsinkomen dat de hoogste tabel overstijgt.

15. De vrouw stelt dat het - gezien het feit dat partijen tijdens het huwelijk in verband met het werk van de man in het buitenland hebben gewoond alsmede de huidige inkomenssituatie, die reeds tijdens het huwelijk bestond – redelijk is om voor de bepaling van de mate van welstand waarin partijen leefden uit te gaan van de twee huidige inkomens van de man en van de vrouw als het gezinsinkomen. De Nibudtabellen zijn gebaseerd op de resultaten van onderzoek van het CBS, waaruit blijkt dat gezinnen met twee kinderen 27% van hun inkomen (in-)direct aan de kinderen besteden. Uit het door de vrouw opgestelde overzicht van de kosten van de kinderen blijkt dat de Nibudrichtlijnen overeenkomen met de reële kosten van de kinderen. Het is derhalve volgens de vrouw redelijk de Nibudtabel lineair te extrapoleren.

16. De man betwist het door de vrouw opgestelde behoefteoverzicht van de kinderen en stelt dat de Nibudnormen slechts een richtlijn geven. De 27% norm over de huidige twee inkomens van de man en de vrouw, waar de vrouw aan refereert, doet volgens de man geen recht aan de huwelijkse situatie, waarin feitelijk werd geleefd van alleen het inkomen van de man. De vrouw leverde tijdens het huwelijk geen bijdrage in de kosten van de huishouding, maar zette haar inkomen weg op spaarrekeningen. In zijn pleitnotitie stelt de man dat uitgegaan moet worden van het hoogste bedrag van de Nibudtabel op basis van zijn netto salaris in die tijd of op hooguit € 4.500,- op basis van een draagkrachtberekening uitgaande van zijn toenmalige bruto jaarinkomen als alleenstaande met een huurwoning. Mocht het hof oordelen dat het gezinsinkomen de tabel wel ontstijgt, dan moet de hogere behoefte van de kinderen aan de hand van justificatoire bescheiden vastgesteld en aannemelijk gemaakt worden en moet in redelijkheid uitgegaan worden van een opslag op het in de tabel blijkende bedrag. De man stelt deze toeslag op hooguit € 100,- tot € 150,- per maand voor twee kinderen, waarmee de totale bijdrage volgens de hoogste Nibudtabel met toeslag uitkomt op

€ 1.000,- per maand voor 2 kinderen, exclusief kosten kinderopvang en premie ziektekostenverzekering en niet vergoede ziektekosten.

17. Uitgangspunt bij de bepaling van de behoefte van de kinderen is het netto gezinsinkomen ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen. Partijen zijn in september 2001 feitelijk uit elkaar gegaan. Het hof acht het derhalve redelijk uit te gaan van een inkomen van de man van € 4.188,- netto per maand, exclusief een premie ziektekostenverzekering van ƒ 559,- / € 254,- per maand, zoals dit blijkt uit een salarisspecificatie van juli 2001. De vrouw is in mei 2001 parttime gedurende 4 dagen per week gaan werken. Aan de zijde van de vrouw beschikt het hof niet over een salarisspecificatie in 2001. Blijkens de overgelegde jaaropgaaf 2001 heeft de vrouw in de maanden mei 2001 tot en met december 2001 een inkomen verworven van

€ 34.788,- bruto. Het hof beschikt wel over een salarisspecificatie van de vrouw van juli 2002, volgens welke specificatie zij € 3.013,- netto per maand verdiende, exclusief € 66,- spaarloon. Het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het feitelijk uiteengaan ligt met een bedrag van rond de € 7.000,- per maand beduidend hoger dan het hoogste bedrag in de (bij het tremarapport behorende) tabel kosten van kinderen, te weten € 3.500,- per maand. Het hof is van oordeel dat in een dergelijk geval het eigen aandeel in de kosten van de kinderen in beginsel niet moet worden afgeleid uit lineaire doortrekking van deze tabel, maar dat de behoefte van de kinderen voor zover die hoger is dan het maximum dat eerdergenoemde tabel aangeeft, aan de hand van justificatoire bescheiden zal moeten worden vastgesteld en aannemelijk gemaakt. De vrouw heeft deze bescheiden niet aan het hof overgelegd. Zij heeft buiten het door haar opgestelde behoefteoverzicht van de kinderen (inventarisstaat 7 van productie 1-b bij haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl) alleen een factuur gedateerd 22 november 2004 overgelegd, waaruit blijkt van een bedrag van € 590,- per jaar voor viool- en gitaarlessen van de kinderen – welke in de plaats zijn gekomen van de in het behoefteoverzicht genoemde balletlessen van € 80,- per maand. Gelet op het vorenstaande en hetgeen de man in zijn pleitnotitie heeft gesteld, zal het hof de behoefte van de kinderen bepalen op € 1.000,- per maand voor twee kinderen, exclusief kosten van kinderopvang en premie ziektekosten en de niet door de verzekering vergoede ziektekosten.

18. Naar het oordeel van het hof dienen beide partijen in beginsel naar rato van ieders draagkracht bij te dragen in de kosten van de minderjarigen. Gelet op de wederzijdse inkomens van partijen, te weten een inkomen aan de zijde van de vrouw van circa € 60.000,- bruto per jaar en een inkomen aan de zijde van de man van circa € 90.000,- bruto per jaar, is het hof van oordeel dat het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen – naast het betalen van de kosten voor kinderopvang en ziekte(kostenverzekering) - 60% bedraagt en het aandeel van de vrouw 40%, indien hun draagkracht dit toelaat. Nu het aandeel van de man aldus zou uitkomen op € 600,- voor de beide kinderen tezamen en hij verzoekt om zijn bijdrage vast te stellen op € 340,34 per maand per kind, derhalve € 680,68 in totaal, stelt het hof zijn aandeel op (afgerond) € 681,- en dat van de vrouw op € 319,-. Het hof oordeelt hierbij als volgt.

De draagkracht van de vrouw

19. Gelet op hetgeen het hof in rechtsoverwegingen 12 en 13 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de vrouw in staat is om haar aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, welk aandeel neerkomt op afgerond € 319,- per maand voor beide kinderen tezamen, te voldoen.

De draagkracht van de man

20. Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van het inkomen zoals dit blijkt uit de jaaropgaaf 2003, derhalve van een inkomen van € 90.681,-. De vrouw stelt dat in de draagkrachtberekening bij het inkomen van de man rekening moet worden gehouden met emolumenten, zoals bonusuitkering en eventueel opties. Het hof verwerpt deze stelling van de vrouw, nu hiervan uit de door de man overgelegde jaaropgaven 2002 en 2003 niet is gebleken.

21. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken, beschouwt het hof de man bij de berekening van zijn draagkracht als alleenstaande. Niet aannemelijk is geworden dat zijn partner, gezien haar opleiding, arbeidshistorie en het eigen vermogen waarover zij kan beschikken, niet in staat is in eigen levensonderhoud te voorzien.

22. De man heeft in zijn bij brief van 27 december 2004 overgelegde draagkrachtberekening (productie 4 bij de antwoordakte van 24 december 2004) de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

- € 2.082,- woonlasten, bestaande uit € 1.987,- ren-te hypothecaire geldlening en € 95,- woon-las-ten-for-fait.

- € 270,- premie ziek-te-kosten-ver-zekering;

- € 240,- omgangskosten, bestaande uit € 45,- reiskosten per kind en € 75,- verblijfkosten per kind;

- € 325,- kosten kinderopvang.

Met betrekking tot de premie ziektekosten heeft de man ter zitting van het hof aangegeven dat deze kosten in feite moeten worden verdubbeld tot € 540,- per maand, omdat in de draagkrachtberekening nog geen rekening is gehouden met de premie ziektekostenverzekering en de niet vergoede ziektekosten van zijn nieuwe partner en haar kinderen. Met betrekking tot de omgangskosten heeft de man ter zitting van het hof aangegeven dat deze kosten € 40,- per kind hoger zullen zijn indien de omgang ten behoeve van de man wordt uitgebreid met een donderdag en vrijdag per veertien dagen. De reiskosten zullen niet veranderen.

De vrouw betwist genoemde posten.

23. Het hof oordeelt als volgt.

Woonlasten

De door de man opgevoerde woonlasten zijn verbonden aan een in [woonplaats] betrokken boerderij. De man stelt in zijn pleitnotitie dat zijn keuze om naar [woonplaats] te verhuizen mede is ingegeven door zijn relatie met zijn huidige partner. Zij heeft een sociale binding met [woonplaats] vanwege haar kinderen die daar op school zitten. De kinderen, die onder behandeling zijn geweest in verband met verlatingsangst, hebben een stabiele omgeving nodig. Ook zijn de kansen op de arbeidsmarkt in [woonplaats] voor zijn huidige partner aanzienlijk beter dan in de Randstad. Het hof kan deze stelling van de man niet goed rijmen met hetgeen de man in zijn aan het hof overgelegde schriftelijke toelichting van 3 december 2004, bij het hof ingekomen op 6 december 2004, opmerkt. De man vermeldt hier immers dat hij zijn huidige partner voor het eerst heeft leren kennen rondom de aankoop van de monumentale boerderij, in welke boerderij deze partner na haar echtscheiding met haar twee kinderen woonde en welke boerderij haar eigendom was. Het hof leest hierin dat de man kennelijk al van zins was naar [woonplaats] te verhuizen voordat hij zijn huidige partner ontmoette. De man is werkzaam in [werkplaats]. Door de week maakt hij gebruik van een vakantiewoning in [verblijfplaats], welke eigendom is van zijn partner. Hij heeft geen woonlasten in [verblijfplaats]. Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om aan woonlasten voor de man rekening te houden met een bedrag dat zijn woonlasten die hij in [werkplaats] had, voor zijn samenwoning met zijn huidige partner, te boven gaat. Het hof houdt dan ook rekening met een bedrag aan woonlasten van € 872,- per maand. Het daarboven uitgaande bedrag aan woonlasten dient de man uit zijn vrije draagkrachtruimte te betalen of wel zijn partner kan deze meerdere woonlasten voor haar rekening nemen, nu het hof van oordeel is dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Ziektekosten

Uit de overgelegde polis ziektekosten van 3 maart 2004 blijkt van een premie ziektekosten voor de man en de twee kinderen van partijen van € 356,- per maand. Het hof houdt met dit bedrag, verminderd met de nominale premie voor een volwassene, rekening, derhalve met een bedrag van € 335,- per maand. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 21 is overwogen, is het hof van oordeel dat de huidige partner van de man zelf de maandelijkse ziektekosten van haar en haar twee kinderen dient te betalen en dat deze kosten niet ten laste kunnen komen van de door de man te betalen kinderalimentatie.

De vrouw heeft aangegeven zelf zorg te willen gaan dragen voor de ziektekostenverzekering van de kinderen. Zij voert daartoe aan dat ook nu alle niet-vergoede ziektekosten al door haar worden voldaan. Het hof gaat hieraan voorbij, nu blijkens de overgelegde salarisspecificaties van de man de premie ziektekostenverzekering voor de man en de twee kinderen van partijen rechtstreeks door de werkgever aan de verzekeraar wordt betaald. Het hof gaat er vanuit dat de man op het eerste verzoek van de vrouw de niet-vergoede ziektekosten zal voldoen.

Omgangskosten

Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met een bedrag aan omgangskosten hoger dan € 90,- per maand voor beide kinderen tezamen, met welk bedrag de rechtbank in de bestreden beschikking rekening heeft gehouden. Het hof zal, zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 7, de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de omgangsregeling bekrachtigen. De man heeft dit bedrag in eerste aanleg ook zelf opgegeven als zijnde de verblijfskosten van beide kinderen gedurende de omgangsregeling. De man stelt in zijn pleitnotitie dat hij een kilometeradministratie voert voor zijn lease-auto en dat de opgevoerde reiskosten in verband met de omgang daadwerkelijk worden gemaakt met de privé-auto. Het hof acht deze stelling door de man, mede gezien de in zijn aangifte IB 2003 opgevoerde bijtelling voor privé-gebruik van de auto van de werkgever van € 9.815,-, niet voldoende aannemelijk gemaakt.

Kosten kinderopvang

Het hof houdt rekening met een bedrag aan kosten kinderopvang van € 325,- per maand, welk bedrag blijkt uit de door de man overgelegde brief van 7 januari 2004 van [kinderopvang].

Het hof gaat voorbij aan het verzoek van de vrouw om het bedrag kosten kinderopvang direct aan haar te voldoen, nu het hof deze kosten in de draagkracht van de man verwerkt.

24. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man in staat is zijn aandeel in de kosten van de kinderen, te weten afgezien van de kosten kinderopvang en ziektekosten een bedrag van € 681,- per maand voor beide kinderen, te voldoen.

Ingangsdatum

25. Het hof wijst het verzoek van de vrouw om de vast te stellen kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf de datum volgend op die van de eerste vaststelling bij beschikking voorlopige voorzieningen, derhalve per 27 augustus 2002, toe te kennen, af. Het hof ziet geen reden om af te wijken van de gebruikelijke ingangsdatum, zijnde datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Bovendien is de door het hof vastgestelde bijdrage gelijk aan die, welke bij voornoemde beschikking is vastgesteld, zodat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek.

Overige

26. Voor zover de vrouw meer alimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof gelet op het consumptieve karakter ervan, bepalen dat zij het teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

27. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de vrouw is verzocht, de man te veroordelen in de kosten van de procedure en wijst dit verzoek af.

28. Hetgeen ieder der partijen voor zich nog naar voren heeft gebracht behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

29. Gelet op al het vorengaande wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver het de partner- en de kinderalimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kin-derali-mentatie met ingang van 5 januari 2004 op € 340,34 per maand per kind, wat de na heden te ver-schij-nen termijnen betreft bij voor-uitbe-ta-ling te vol-doen;

bepaalt dat de man daarnaast de kosten voor kinderopvang, de premie ziektekostenverzekering en de niet vergoede ziektekosten voor zijn rekening neemt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;

wijst het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud af;

bepaalt dat de vrouw de eventueel door de man aan haar teveel betaalde alimentatiebedragen niet behoeft terug te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oor-deel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Labohm en Tanja-van den Broek, bijge-staan door mr. Buiting als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 25 mei 2005.