Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AT4379

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
511-H-04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vader en de moeder hebben samengewoond op het eiland Curaçao. Nadat tijdens de zwangerschap de relatie was beëindigd, is de moeder teruggekeerd naar de Verenigde Staten, waar op [geboortedatum] een kind is geboren. De vader heeft [kind] erkend door ondertekening van een zogeheten “Voluntary Acknowledgment of Parentage - At Birth”. De moeder heeft alleen het gezag over [kind]. De moeder en [kind] wonen in de Verenigde Staten. De vader heeft zijn woonplaats in Nederland.

Vaststelling (kinder)alimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/88 met annotatie van L.Th.L.G. Pellis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 13 april 2005

Rekestnummer : 511-H-04

Rekestnr. rechtbank : 00-6355

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. W. Taekema,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats], [x], VS,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. U.W.G. Thöle.

PROCESVERLOOP

De vader is op 7 juni 2004 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 9 maart 2004.

De moeder heeft op 21 juli 2004 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 18 juni 2004 en 2 februari 2005 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 10 februari 2005 aanvullende stukken ingekomen. Deze stukken zijn eveneens op 18 februari 2005 bij het hof ingekomen, inclusief enkele aanvullende producties.

Op 18 februari 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door mr. E.M. van Zelm, en namens de moeder, mr. A.M.R. van Ginneken. De moeder is, hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen.

Ter zitting heeft de advocaat van de vader bezwaar gemaakt tegen de door de advocaat van de moeder - te laat - overgelegde producties 3a en 12 en het hof zal deze derhalve buiten beschouwing laten.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder hebben van omstreeks maart 1992 tot medio 1995 samengewoond op het eiland Curaçao, Nederlandse Antillen. Nadat tijdens de zwangerschap de relatie was beëindigd, is de moeder teruggekeerd naar de Verenigde Staten, waar op [geboortedatum] is geboren te [woonplaats], Massachussets, Verenigde Staten, de [minderjarige]: [kind], hierna te noemen: [kind]. De vader heeft [kind] erkend door ondertekening van een zogeheten “Voluntary Acknowledgment of Parentage - At Birth”. De moeder heeft alleen het gezag over [kind]. De moeder en [kind] wonen in de Staat [x], Verenigde Staten. De vader heeft zijn woonplaats in Nederland.

Bij rechterlijke beslissing van 29 juni 1999 heeft de Probate and Family Court of the Commonwealth of [x] (samengevat) bepaald dat:

a. de vader de vader is van [kind];

b. de moeder belast wordt met het gezag over [kind] en haar verblijfplaats bij de moeder zal hebben;

c. de vader met ingang van 2 juli 1999 ten behoeve van [kind] aan de moeder zal betalen een kinderalimentatie van $ 418,- per week, een en ander conform de daarvoor bestaande richtlijnen;

d. de vader met terugwerkende kracht gehouden is het bedrag van $ 418,- per week te betalen en wel vanaf de geboorte van [kind], zodat de vader op 29 juni 1999 aan achterstallige kinderalimentatie (181 weken) verschuldigd is een bedrag van $ 75.658,- verminderd met de door hem reeds betaalde kinderalimentatie van $ 6.882,-, derhalve in totaal $ 68.776,- te vermeerderen met 12% rente per jaar vanaf 2 januari 2000;

e. de vader verantwoordelijk is voor het sluiten (en betalen) van een ziektekostenverzekering voor [kind];

f. de vader op zijn leven een levensverzekering afsluit voor een bedrag van tenminste $ 200.000,-, waarbij de moeder in haar hoedanigheid als beheerder van een trustfonds voor [kind] als eerste begunstigde wordt aangewezen. Het bedrag van $ 200.000,- mag jaarlijks op 29 juni worden verminderd met een bedrag van $ 10.000,- mits er geen sprake is van enigerlei achterstand in de betaling van de kinderalimentatie. Een bewijs van verzekering dient te worden overgelegd.

Deze beslissing is op 23 augustus 1999 aan de vader betekend.

Op 11 oktober 2000 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat:

? de vader aan de moeder met ingang van 13 oktober 2000 een kinderalimentatie zal betalen van $ 418,- per week;

? de vader met terugwerkende kracht vanaf de geboorte van [kind] gehouden is het bedrag van $ 418,- per week te betalen, zodat de vader op 29 juni 1999 aan achterstallige kinderalimentatie (249 weken) verschuldigd is een bedrag van $ 104.802,- verminderd met de door hem reeds betaalde kinderalimentatie van $ 6.882,-, derhalve in totaal $ 97.200,-, te vermeerderen met 12% rente per jaar vanaf de datum van de te geven beschikking;

? de vader binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking een ziektekostenverzekering afsluit en betaalt voor [kind];

? de vader binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking op zijn leven een levensverzekering afsluit voor een bedrag van tenminste $ 200.000,-, waarbij de moeder in haar hoedanigheid als beheerder van een trustfonds voor [kind] als eerste begunstigde wordt aangewezen. Het bedrag van $ 200.000,- mag jaarlijks op 29 juni worden verminderd met een bedrag van $ 10.000,- mits er geen sprake is van enigerlei achterstand in de betaling van de kinderalimentatie. Een bewijs van verzekering dient binnen dertig dagen na het sluiten van die verzekering door de vader aan de moeder te worden overhandigd;

? de vader wordt veroordeeld in de kosten van de onderhavige procedure.

De vader heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd en daarbij zelfstandig verzocht de door hem betaalde kinderalimentatie, zijnde ƒ 350,- per maand, hernieuwd vast te stellen, althans te wijzigen tot een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. De moeder heeft zich hiertegen verweerd.

Bij beschikking van 22 januari 2002 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage de behandeling pro forma aangehouden tot 1 maart 2002, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de aan het Internationaal Juridisch Instituut voor te leggen vragen en is de moeder verzocht de nationaliteitsbewijzen van haarzelf en [kind] aan de rechtbank over te leggen.

Partijen hebben hun reactie aan de rechtbank doen toekomen.

Bij opvolgende beschikking van 4 juni 2002 heeft de rechtbank het Internationaal Juridisch Instituut verzocht antwoord te geven op de volgende vragen:

- Hoe wordt naar het recht van de Staat [x] in de Verenigde Staten van Amerika de behoefte van een minderjarige beoordeeld?

- Hoe wordt naar het recht van de Staat [x] in de Verenigde Staten van Amerika de draagkracht van een onderhoudsplichtige beoordeeld?

- Speelt bij het bepalen van een bijdrage het inkomen van de ouder bij wie het kind verblijft een rol?

Voorts heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut. Na ontvangst van voornoemd rapport hebben partijen de gelegenheid gekregen te reageren, waarna de behandeling pro forma is aangehouden.

Het Internationaal Juridisch Instituut heeft bij brief van 7 oktober 2002 zijn rapport aan de rechtbank doen toekomen.

Partijen hebben hun akte van uitlaten na deskundigenbericht aan de rechtbank doen toekomen.

De vader heeft hierna een wijziging tevens zelfstandig verzoek ingediend en daarbij verzocht:

- de kinderalimentatie op nihil te stellen;

- een omgangsregeling vast te stellen;

- de moeder een informatieverplichting op te leggen;

- de moeder te verplichten toe te staan dat de vader eenmaal per maand telefonisch/per e-mail/of anderszins contact heeft met [kind], bij gebreke waarvan de moeder per overtreding een dwangsom van € 500,- verbeurt.

De moeder heeft zich hiertegen verweerd.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de kinderalimentatie met ingang van 13 oktober 2000 bepaald op $ 284,- per week en vanaf 1 januari 2003 op $ 77,- per week, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens is daarbij bepaald dat de vader ten behoeve van [kind] over de periode van [geboortedatum] tot 13 oktober 2000 aan de moeder een bedrag van $ 63.762,- dient te voldoen. Voorts is bepaald de vader binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking op zijn leven een levensverzekering afsluit voor een bedrag van tenminste $ 200.000,-, waarbij de moeder in haar hoedanigheid als beheerder van een trustfonds voor [kind] als eerste begunstigde wordt aangewezen. Het bedrag van $ 200.000,- mag jaarlijks op 29 juni worden verminderd met een bedrag van $ 10.000,- mits er geen sprake is van enigerlei achterstand in de betaling van de kinderalimentatie. Een bewijs van verzekering dient binnen dertig dagen na het sluiten van die verzekering door de vader aan de moeder te worden afgegeven. Het verzoek strekkende tot verplichting van de vader een ziektekostenverzekering af te sluiten en te betalen voor [kind], is afgewezen. Voorts is verklaard dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt in de verzoeken strekkende tot vaststelling van een omgangs- en informatievoorziening. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zonodig na aanvulling en/of verbetering van de gronden, het inleidende verzoek van de moeder alsnog als ongegrond af te wijzen met veroordeling van de moeder in de proceskosten in beide instanties. De moeder bestrijdt zijn beroep.

2. In zijn eerste grief betwist de vader de toepasselijkheid van het recht van [x]. Hij stelt dat de Child Support Guidelines (hierna: de Guidelines) geen kracht van wet hebben in de zin van artikel 4, eerste lid, van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (hierna: het Alimentatieverdrag), zodat ingevolge artikel 6 van dat verdrag de interne wet van de aangezochte rechter, in casu Nederlands recht, van toepassing is.

3. De moeder stelt in haar verweerschrift in hoger beroep dat de Engelse tekst van artikel 4 van het Alimentatieverdrag spreekt van “the international law”, hetgeen een ruimer begrip is, waaronder ook de Guidelines vallen.

4. Het hof verwerpt de grief. Immers, de Guidelines zijn van toepassing krachtens de [x] General Laws, zodat daaraan wel degelijk een wettelijke basis ten grondslag ligt. Overigens is het hof met de moeder van oordeel dat met “de interne wet” als vermeld in artikel 4 (evenals in artikel 6) van het Alimentatieverdrag bedoeld moet zijn: het interne recht. Ook het Internationaal Juridisch Instituut heeft de Guidelines als onderdeel van het toepasselijke recht van de Staat [x] aangewezen.

5. In zijn tweede grief voert de vader aan dat de rechtbank de zaak ten onrechte niet zelfstandig naar het recht van [x] heeft beoordeeld en getoetst aan de Nederlandse maatstaven.

6. Deze grief kan niet slagen. De moeder wijst er terecht op dat de rechtbank de zaak nu juist wel zelfstandig heeft beoordeeld, hetgeen noodzakelijk was omdat de uitspraak van de rechter in [x] bij gebreke van een toepasselijk executieverdrag niet in Nederland ten uitvoer kon worden gelegd.

7. In zijn derde grief klaagt de vader dat de rechtbank zijn standpunt met betrekking tot het feit dat hij in de Verenigde Staten geen verweer heeft gevoerd onjuist heeft samengevat. Hij verwoordt zijn standpunt thans aldus dat de gang van zaken in die procedure strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht oplevert, zodat de beslissing van de rechter in [x] terzijde moet worden gelaten.

8. Ook deze grief kan niet slagen. De vader ziet immers over het hoofd dat het hier geen verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak van de rechter in [x] betreft, doch een nieuw verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie.

9. Vervolgens klaagt de vader er in zijn vierde grief over dat de rechtbank het recht van [x] niet heeft vergeleken met dat van andere Staten in de Verenigde Staten. Hij stelt dat de alimentatie volgens de Guidelines onevenredig hoog is in vergelijking met die in andere Staten en verbindt daaraan de conclusie dat de Guidelines in strijd zijn met de openbare orde.

10. De grief faalt op de gronden die de rechtbank in rechtsoverweging 3, derde alinea, op bladzijde 3 van de bestreden beschikking heeft geformuleerd. Het hof maakt die gronden tot de zijne.

11. In zijn vijfde grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn draagkracht. Hij geeft aan € 93.156,05 aan achterstallige alimentatie te moeten betalen, terwijl hij een WAO-uitkering heeft.

12. Ook deze grief is ten onrechte voorgesteld, nu de rechtbank blijkens de rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 van de bestreden beschikking wel degelijk de draagkracht van de vader heeft beoordeeld. Het hof zal in het kader van grief X nader op de draagkracht van de vader ingaan.

13. In zijn zesde grief voert de vader aan dat de rechtbank ten onrechte uitgaat van een bruto in plaats van een netto inkomen en geen rekening heeft gehouden met het verschil in belastingdruk tussen Nederland en de Verenigde Staten en de destijds geldende valutaverschillen. Ook in zijn twaalfde grief stelt de vader het verschil in belastingdruk tussen Nederland en de Verenigde Staten aan de orde. Hij legt daartoe een rapport van KPMG over. Het hof beoordeelt deze grieven gezamenlijk. Daarbij zal het hof ook ingaan op het gestelde in grief XI.

14. Anders dan de vader stelt, heeft de rechtbank wel degelijk rekening gehouden met het verschil in belastingdruk. Blijkens het slot van rechtsoverweging 4.2 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit voor de vader nadelige verschil weggestreept tegen het inkomen uit vermogen van de vader, dat zij - bij gebrek aan duidelijkheid over de hoogte daarvan - gelijk heeft gesteld aan de hoogte van de correctie die de rechtbank zou aanbrengen in verband met de hogere belastingdruk in Nederland. Het hof neemt deze beslissing over, nu de vader ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen (inkomen uit) vermogen heeft, althans zou kunnen hebben. Uit de stukken blijkt dat de vader in 1993 op Curaçao een huis heeft gekocht voor NAF 310.000,-, hetwelk hij in 1996 voor NAF 405.000,- heeft verkocht. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij de aankoop van het huis heeft gefinancierd met uit Nederland meegebracht geld en dat hij de opbrengst van de verkoop weer naar Nederland mee terug heeft genomen. Hij stelt dat bedrag vervolgens geheel opgesoupeerd te hebben, doch geeft daarvoor een onvoldoende verklaring. Daar komt bij dat de vader over de jaren voor 2002 geen aangiftes heeft overgelegd en aldus onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie. Grief XI van de vader wordt derhalve verworpen.

15. Voor wat betreft de valutaverschillen miskent de vader dat de rechtbank ook daarmee wel degelijk rekening heeft gehouden. Aan het slot van rechtsoverweging 4 heeft de rechtbank aangegeven uit te gaan van de wisselkoers per datum indiening verzoekschrift, te weten een gemiddelde wisselkoers van € 1,15 tegen $ 1,-. Voorts heeft de rechtbank aangegeven ervan uit te gaan dat de fluctuaties in de wisselkoers niet van zodanige invloed zijn op de berekening van het inkomen van de vader, dat daaruit een wijziging in de kinderbijdrage van 20% of meer volgt, welke drempel ingevolge de Guidelines geldt. Het hof neemt deze overwegingen en beslissing van de rechtbank over, mede nu de vader daartegen geen concrete bezwaren heeft aangevoerd.

16. Uit het voorgaande volgt dat ook de grieven VI en XII worden verworpen.

17. In zijn zevende grief betoogt de vader dat door de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging in de Verenigde Staten zijn recht op family life ernstig wordt geschonden. Om die reden is volgens hem toepassing van het recht van [x] in strijd met de Nederlandse openbare orde.

18. Deze grief faalt. Immers, zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging niets van doen met (de toepassing van het recht van [x] in) deze procedure, maar is zij een gevolg van het feit dat de vader niet voldoet aan de uitspraak van de rechter in [x].

19. Vervolgens stelt de vader in zijn achtste grief dat de Guidelines buiten toepassing moeten blijven omdat deze uitgaan van een traditionele gezagsverhouding en omgangsregeling, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is.

20. De vader baseert zijn stelling kennelijk op het bepaalde sub D van de Guidelines: “These guidelines are based upon traditional custody and visitation arrangements.” Uit de daarop volgende toelichting blijkt evenwel dat de Guidelines juist toepassing missen wanneer de onderhoudsplichtige ouder het kind of de kinderen mede verzorgt en aldus reeds substantieel bijdraagt in de kosten van levensonderhoud, bijvoorbeeld in geval van co-ouderschap. De grief faalt derhalve.

21. In zijn negende grief beroept de vader zich op een afspraak met de moeder, inhoudend dat hij ƒ 350,- per maand zou betalen. Hij stelt dat hij dit bedrag altijd aan de moeder betaald heeft en dat hij daarmee pas gestopt is toen in 2000 het contact met hem verbroken werd.

22. De moeder erkent dat de vader een tijd lang ƒ 350,- per maand heeft betaald. Volgens haar was echter van een afspraak dienaangaande geen sprake. Zij stelt dat zij in verband met haar overtuiging dat de vader, vanwege zijn levensstijl op Curaçao, meer zou kunnen betalen, uiteindelijk op 21 mei 1998 een procedure aanhangig heeft gemaakt.

23. Onder 3 van de pleitnota in hoger beroep stelt de vader nader dat in elk geval tot mei 1998, toen de moeder een alimentatievordering indiende bij de Amerikaanse rechter, sprake was van een overeenkomst tussen partijen over de hoogte van de alimentatie.

24. De vader heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat in de jaren vanaf de geboorte van [kind] tot mei 1998 overeenstemming tussen partijen bestond over de hoogte van de door de vader te betalen onderhoudsbijdrage. Van de moeder had, indien zij het niet eens was met de door de vader betaalde bijdrage, verwacht mogen worden dat zij daartegen protesteerde. Dat zij dat voor mei 1998 heeft gedaan is niet gebleken. Uit het uitblijven van protest mocht de vader afleiden dat de moeder instemde met de door hem betaalde bijdrage. De vader heeft voorts voldoende aangetoond dat hij de bedoelde bijdrage tot mei 1998 (maar ook nog daarna) is blijven betalen. Grief IX slaagt derhalve in zoverre dat het verzoek tot vaststelling van de onderhoudsbijdrage voor wat betreft de periode vanaf de geboorte van [kind] tot mei 1998 zal worden afgewezen.

25. In zijn tiende grief betoogt de vader dat de rechtbank voor wat betreft de jaren 1996, 1997, 1998, 1999 en 2002 is uitgegaan van onjuiste jaarinkomens van de vader. Hij stelt dat zijn inkomen over deze jaren respectievelijk € 8.375,88, € 52.508,27, € 62.782,31, € 63.513,- en

€ 35.020,- bedroeg.

26. Het hof zal de inkomensgegevens over 1996 en 1997 buiten beschouwing laten, nu het het verzoek van de moeder, blijkens het in rechtsoverweging 24 overwogene, voor wat betreft die jaren zal afwijzen.

27. Voor wat betreft 1998 geldt dat het inkomen dat de vader noemt, overeenkomt met het inkomen dat de rechtbank blijkens rechtsoverweging 6 van de bestreden beschikking in aanmerking heeft genomen, zodat de grief in zoverre ongegrond is.

28. Ten aanzien van het jaar 1999 heeft de rechtbank niet aangegeven van welk jaarinkomen zij is uitgegaan. Aannemelijk is dat de rechtbank ook voor wat betreft dit jaar van een inkomen, als de vader in 1998 heeft genoten, is uitgegaan. Nu het inkomen over 1999 blijkens de thans door de vader overgelegde gegevens iets hoger is geweest dan dat in 1998, kan de grief ook in zoverre niet slagen.

29. Voor wat betreft 2002 is de rechtbank uitgegaan van de verdiencapaciteit van de vader, nu hij over dat jaar geen inkomensgegevens heeft overgelegd en niet onderbouwd heeft dat hij per 1 februari 2002 ontslag heeft genomen bij [werkgever X] en vervolgens heeft geleefd van gespaarde inkomsten.

30. In hoger beroep heeft de vader gesteld dat hij per 1 februari 2002 arbeidsongeschikt is geworden wegens een burn-out. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij overgelegd: een jaaropgave van Meeus, waaruit blijkt dat hij in 2002 een bruto-loon van € 8.853,- heeft ontvangen, betrekking hebbend op de maanden januari en februari, een jaaropgave van UWV Gak, waaruit blijkt dat de vader in 2002 een bruto uitkering van € 26.167,- heeft ontvangen en de aangifte over 2002, waarin een inkomen uit arbeid wordt opgegeven van € 35.410,-. Voorts bevindt zich bij de stukken een rapportage van UWV Gak van 9 december 2002, waaruit blijkt dat de vader per 1 februari 2002 ontslag heeft genomen omdat hij het werk niet meer aankon en dat de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat sprake was van een niet verwijtbaar ontslag.

31. De moeder heeft aangevoerd dat de vader kennelijk ziek is geworden, doch dat het zijn eigen keus is geweest om ontslag te nemen.

32. Het hof is van oordeel dat de vader thans voldoende heeft onderbouwd dat hij per 1 februari 2002 arbeidsongeschikt is geworden. Gelet op de ziekteverschijnselen (burn-out) en het oordeel van UWV Gak, rekent het hof het de vader niet aan dat hij ontslag heeft genomen. In zoverre slaagt grief X. Het hof zal voor wat betreft het jaar 2002 dan ook uitgaan van het uit de aangifte blijkende inkomen van € 35.410,-, ofwel (afgerond) $ 30.791,- per jaar, ofwel (afgerond) $ 592,- bruto per week. Dat levert ten opzichte van 2001 een verschil op van meer dan 20%, zodat de bijdrage van de vader per 2002 opnieuw dient te worden vastgesteld. Het hof zal daarbij, naast het genoemde weekinkomen, geen inkomen uit vermogen in aanmerking nemen, enerzijds omdat uit de aangifte over 2002 niet van een substantieel vermogen blijkt en anderzijds omdat het vermogen van de vader reeds in aanmerking is genomen bij de beoordeling van het verschil in belastingdruk tussen Nederland en de Verenigde Staten. Alvorens tot een nieuwe vaststelling van de over 2002 te betalen onderhoudsbijdrage te komen, zal het hof evenwel eerst de overige grieven van de vader bespreken.

33. In zijn dertiende grief stelt de vader het inkomen van de moeder, zoals door de rechtbank vastgesteld, ter discussie. Het hof zal de stellingen van de vader omtrent het jaar 1995 buiten beschouwing laten, nu hij enerzijds niet aangeeft waartoe die stellingen moeten leiden en anderzijds het verzoek van de moeder ziet op de jaren vanaf 1996.

34. Ten aanzien van 2001 stelt de vader dat niet blijkt dat de aangifte over 2001 van de moeder juist is geweest, nu geen belastingaanslag in het geding is gebracht. De moeder betwist dat haar opgaven niet juist zijn. Nu de vader geen concrete feiten naar voren heeft gebracht waaruit enig vermoeden kan worden afgeleid dat de opgave van de moeder niet deugt, gaat het hof aan zijn stelling voorbij.

35. De vader betoogt voorts dat de moeder van 1995 tot 1999 huur heeft ontvangen uit een aan haar en haar broer in eigendom toebehorend huis. Ook deze stelling wordt verworpen, nu de moeder middels overlegging van stukken en de verklaring van haar advocaat ter zitting van het hof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de huurinkomsten niet opwogen tegen de aan het huis verbonden lasten, reden waarom het huis uiteindelijk is verkocht. Grief XIII wordt derhalve verworpen.

36. In zijn veertiende grief maakt de vader bezwaar tegen de hoogte van de door de rechtbank in aanmerking genomen kosten van kinderopvang. De vader betoogt dat het wel degelijk uitmaakt wie het kind heeft opgevangen, dat de moeder de gestelde kosten niet met schriftelijke bescheiden heeft aangetoond en dat deze kosten overigens ook onredelijk hoog zijn.

37. De moeder heeft gesteld dat zij in alle gevallen kosten heeft moeten maken en voorts bescheiden overgelegd ter staving van haar uitgaven. Het hof acht de door de moeder aangegeven kosten aldus voldoende aannemelijk en niet onredelijk hoog. Grief XIV faalt mitsdien.

38. In grief XV beklaagt de vader zich over het feit dat de rechtbank zijn verzoek tot nihilstelling met ingang van 2002 heeft afgewezen en geen rekening heeft gehouden met zijn arbeidsongeschiktheid.

39. Zoals blijkt uit het in rechtsoverweging 32 overwogene zal het hof, anders dan de rechtbank, vanaf 2002 rekening houden met de arbeidsongeschiktheid van de vader, zodat de grief in zoverre slaagt. Dat leidt tot een aanpassing van de onderhoudsbijdrage, doch niet tot een nihilstelling. Op basis van de tabel in de Guidelines en rekening houdend met het inkomen van de moeder en de correcties zoals door de rechtbank in de laatste alinea van rechtsoverweging 4.3 van de bestreden beschikking in aanmerking genomen, stelt het hof de door de vader te betalen bijdrage over 2002 vast op $ 131,- per week.

40. Hoewel de vader vanaf 14 juni 2004 weer werkt zal het hof, nu de moeder geen incidenteel appèl heeft ingesteld, de beschikking van de rechtbank voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2003 overnemen.

41. De zestiende grief van de vader ziet op het door de rechtbank vastgestelde bedrag dat de vader dient te betalen over de periode van [geboortedatum] tot 13 oktober 2000. De vader betoogt allereerst dat hij in die periode niet $ 6.882,- heeft betaald, maar $ 10.909,-. In de tweede plaats voert de vader aan dat zijn inkomen over 1996 en 1997 niet vergelijkbaar was met zijn inkomen over 1998.

42. Nu de vader met stukken heeft aangetoond en de moeder ook niet heeft betwist dat de vader het bedrag van $ 10.909,- heeft betaald, is de grief in zoverre gegrond. Voorts blijkt uit hetgeen het hof in rechtsoverweging 24 heeft overwogen, dat de vader over de periode tot mei 1998 geen aanvullende bijdrage verschuldigd is, zodat de grief ook in zoverre slaagt. Een en ander leidt tot een door de vader terzake van achterstallige alimentatie tot 13 oktober 2000 te betalen bedrag van $ 25.328,-.

43. De laatste grief van de vader betreft de veroordeling tot het afsluiten van een levensverzekering ten behoeve van het kind. De vader stelt dat hij vanwege zijn medische toestand geen levensverzekering kan afsluiten. Ter staving van die stelling heeft de vader een offerte overgelegd, gedateerd 15 april 2004. Daarin staat dat nog wel medische acceptatie dient plaats te vinden en dat daarbij rekening zal worden gehouden met het recente medische verleden van de vader ten aanzien van burn-out.

44. Naar het oordeel van het hof heeft de vader aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij geen levensverzekering kan afsluiten. Ter zitting heeft de vader aangegeven vooralsnog niet te hebben gereageerd op de offerte. Derhalve is niet komen vast te staan dat geen medische acceptatie zal plaatsvinden. Wellicht zal de burn-out leiden tot een premieverhoging of uitsluitingsclausule, doch onmogelijk is de verzekering daarmee niet. Het hof ziet voorts geen aanleiding om de premie in mindering te brengen op de te betalen onderhoudsbijdrage, nu de verplichting tot het betalen van een onderhoudsbijdrage en de verplichting tot het afsluiten van een levensverzekering naast elkaar staan. Evenmin ziet het hof grond om, zo dat al zou kunnen, te bepalen dat het kind zelf, in plaats van de moeder, als beheerder van het trustfonds zal optreden. Grief XVII faalt mitsdien.

45. Blijkens het bovenstaande is een deel van de grieven gegrond. Het hof ziet geen reden om, zoals de vader heeft verzocht, de moeder in de kosten van beide instanties te veroordelen.

46. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de moeder tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage over de periode van [geboortedatum] tot 1 mei 1998;

bepaalt dat de vader over de periode 1 mei 1998 tot 13 oktober 2000 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van, [kind], geboren op [geboortedatum]

$ 25.328,- dient te voldoen;

bepaalt de door de vader vanaf 13 oktober 2000 tot en met 31 december 2001 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] op $ 284,- per week;

bepaalt de door de vader over het jaar 2002 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] op $ 131,- per week;

bepaalt de door de vader vanaf 1 januari 2003 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] op $ 77,- per week;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kok, Labohm en Tanja-van den Broek, bijgestaan door mr. Quarles van Ufford-van Waning als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 2005.