Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AT2637

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
2200020804
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1131
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict, waarbij de zakelijke partner van een medeverdachte met behulp van een metalen pijp en een mes van het leven is beroofd. Het slachtoffer is naar de werkvloer gelokt en is daar 's ochtends vroeg vermoord. Aan het plegen van de moord is een langdurige planning vooraf gegaan. De verdachte heeft degene die de moord heeft uitgevoerd (hierna te noemen: de huurmoordenaar) met de opdrachtgever in contact gebracht. Vervolgens is de verdachte bij verschillende overleggen tussen de opdrachtgever en de huurmoordenaar aanwezig geweest. Een week eerder bestond het voornemen om het slachtoffer in de bedrijfsruimte op te wachten en te vermoorden en daartoe hadden de verdachte en de huurmoordenaar die avond een mes klaargelegd. Dat voornemen hebben zij toen niet kunnen uitvoeren, maar een week later heeft de verdachte met de huurmoordenaar het slachtoffer opgewacht. Vervolgens heeft de verdachte op de uitkijk gestaan terwijl het slachtoffer door de mededader werd vermoord. Daarna zou de verdachte 'de rommel' opruimen. Ten gevolge van de onverwachte komst van twee werknemers is de verdachte aan de schoonmaakwerkzaamheden nauwelijks meer toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000208-04

Parketnummer(s): 09-753227-03 en 09-030153-03

Datum uitspraak: 18 maart 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 30 december 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Utrecht, huis van bewaring Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 5 oktober 2004, 28 januari 2005 en 4 maart 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, zoals op de terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaardingen en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van de voortgezette handeling van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde, alsmede terzake van het onder 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Terzake van het onder 6 tenlastegelegde heeft de rechtbank geen straf of maatregel opgelegd.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens mededelingen ter terechtzitting van de advocaat-generaal en de verdediging niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft gesteld, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde. Daartoe is, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. In de eerste plaats is de verdachte als getuige verstoken geweest van rechtsbijstand. De verdachte heeft, toen hij als getuige bij de rechter-commissaris werd gehoord, op enig moment gevraagd om rechtsbijstand van een advocaat. Hij is weliswaar in de gelegenheid gesteld om contact te zoeken met zijn raadsman, maar dat is feitelijk niet gelukt. Het verhoor van de getuige heeft daarop verder plaatsgevonden zonder dat de getuige, thans verdachte, was voorzien van rechtsbijstand. In de tweede plaats is het dossier incompleet aangeleverd door het openbaar ministerie. Pas ter zitting in hoger beroep is door ambtshalve interventie van het hof duidelijk geworden op welk moment de beëdiging van de verdachte als getuige bij de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het enkele feit dat de verdachte als getuige bij de rechter-commissaris in de zaak tegen een medeverdachte niet was voorzien van rechtsbijstand, ook al had hij daarom verzocht, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dit geldt evenzeer voor het feit, dat het dossier incompleet was tot op het moment waarop de terechtzitting in hoger beroep reeds was aangevangen, aangezien ter zitting deze tekortkoming kon worden hersteld. Ook de combinatie van beide door de verdediging aangevoerde argumenten leidt niet tot een ander oordeel. Het hof acht niet aannemelijk, dat door het openbaar ministerie doelbewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

a. Het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof met betrekking tot het onder 2 primair tenlastegelegde het volgende gebleken.

In de nacht van 2 op 3 mei 2003 was de verdachte met een medeverdachte bereid om in de vroege morgen van 3 mei 2003 in de wasserij [slachtoffer] in opdracht van een ander om het leven te brengen. Door de onverwachte confrontatie met een derde, ruim voordat het beoogde slachtoffer in de wasserij verwacht werd, is door de opdrachtgever de uitvoering van het voornemen afgeblazen. Niet gebleken is dat het beoogde slachtoffer in de nacht van 2 op 3 mei 2003 ter plaatse is verschenen. Het hof acht gezien het voorgaande geen begin van uitvoering van moord aanwezig.

b. Het onder 5 tenlastegelegde

Met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde stelt het hof vast dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting weliswaar is gebleken dat de verdachte aanwezig is geweest bij het verkennen van de route en de plaats waar de auto (met het slachtoffer) zou worden geplaatst en het wegbrengen van de vluchtauto van een medeverdachte, maar dat de verdachte in de tenlastegelegde periode zelf geen feitelijke handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl evenmin is komen vast te staan dat hij op dat moment op de hoogte was van het doel van de verkenning van de vluchtroute.

c. Het onder 6 tenlastegelegde

Uit het proces-verbaal van verhoor van getuigen in de zaak tegen [medeverdachte] door de rechter-commissaris van 12 november 2003 blijkt, acht slaand op het gedeelte dat door de getuige [verdachte], thans verdachte, en de tolk is ondertekend, niet voldoende eenduidig op welk moment de getuige, thans verdachte, is beëdigd. Enerzijds staat onder punt 1 dat de getuige is beëdigd. Anderzijds is aan het verhoor een niet ondertekende notitie gehecht van de rechter-commissaris waarin is aangegeven, dat de verdachte na punt 5 van het verhoor op verzoek van de officier van justitie is beëdigd. Het moment van de interventie door de officier van justitie blijkt verder niet uit het proces-verbaal van verhoor. Uit dat proces-verbaal lijkt te kunnen worden opgemaakt dat de beëdiging en het wijzen op het recht van verschoning samenvallen, maar op grond van eerder genoemde notitie lijkt dat niet het geval. Niet ondenkbaar is dat verdachte in de veronderstelling heeft verkeerd na de beëdiging niet gerechtigd te zijn zich te verschonen. In samenhang met hetgeen hiervoor onder het kopje niet-ontvankelijkheid is besproken, voor zover daarin aan de orde is dat de verdachte op enig moment om rechtsbijstand heeft verzocht, acht het hof de feitelijke gang van zaken tijdens het verhoor onvoldoende inzichtelijk om vast te kunnen stellen dat de getuige, thans verdachte, voldoende op de hoogte was van de strekking van de beëdiging en in verband daarmee van de juridische context waarin hij een verklaring aflegde. Het hof ziet derhalve af van gebruik van de verklaring van de getuige, thans verdachte, voor het bewijs. De verdachte dient, bij gebrek aan bewijs, van het onder 6 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair, 5 en 6 is tenlastegelegd, zodat de verdachte van deze feiten behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde: Medeplegen van moord.

Ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde: Medeplegen van voorbereiding van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair, 5 en 6 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict, waarbij de zakelijke partner van een medeverdachte met behulp van een metalen pijp en een mes van het leven is beroofd. Het slachtoffer is naar de werkvloer gelokt en is daar 's ochtends vroeg vermoord. Aan het plegen van de moord is een langdurige planning vooraf gegaan. De verdachte heeft degene die de moord heeft uitgevoerd (hierna te noemen: de huurmoordenaar) met de opdrachtgever in contact gebracht. Vervolgens is de verdachte bij verschillende overleggen tussen de opdrachtgever en de huurmoordenaar aanwezig geweest. Een week eerder bestond het voornemen om het slachtoffer in de bedrijfsruimte op te wachten en te vermoorden en daartoe hadden de verdachte en de huurmoordenaar die avond een mes klaargelegd. Dat voornemen hebben zij toen niet kunnen uitvoeren, maar een week later heeft de verdachte met de huurmoordenaar het slachtoffer opgewacht. Vervolgens heeft de verdachte op de uitkijk gestaan terwijl het slachtoffer door de mededader werd vermoord. Daarna zou de verdachte 'de rommel' opruimen. Ten gevolge van de onverwachte komst van twee werknemers is de verdachte aan de schoonmaakwerkzaamheden nauwelijks meer toegekomen.

Door deze moord is op brute wijze aan een man het leven ontnomen en is aan de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Een dergelijke moord draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Mede gelet op verdachtes essentiële bijdrage aan de bewezenverklaarde feiten, acht het hof oplegging van een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende en geboden reactie.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 46, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Silvis, Van Rijnberk en Fonteijn-Van der Meulen,

in bijzijn van de griffier mr. Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 maart 2005.