Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AS9295

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
09-03-2005
Zaaknummer
2200413604
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte.

Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank te Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest op de grondslag van de uitgebrachte inleidende dagvaarding de zaak te berechten en af te doen.

Het hof overweegt dienaangaande:

Ingevolge artikel 126 RO kan het nemen van de beslissing om tot vervolging van een bepaalde verdachte over te gaan, worden opgedragen aan een andere ambtenaar dan de officier van justitie, doch slechts wanneer deze een bij het parket werkzame ambtenaar is en voorzover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de vervolgingsbeslissing in het onderhavige geval is genomen door een zgn. politiesecretaris, een medewerker van de regiopolitie Rotterdam, die de opleiding tot politiesecretaris heeft afgerond, bij het Openbaar Ministerie is gedetacheerd, door de hoofd-officier is benoemd tot onbezoldigd parketsecretaris, zijn taken uitoefent onder het gezag en overeenkomstig de aanwijzingen van de hoofdofficier en geen bemoeienis heeft met de uitvoering van politiewerkzaamheden.

De onderhavige vervolgingsbeslissing is genomen krachtens en binnen de grenzen van de in Rotterdam geldende Mandaatregeling Politiesecretaris d.d. 12 januari 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 10-032175-04

Datum uitspraak: 17 februari 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van

23 juni 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 februari 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat het vonnis waarvan beroep strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte, moet worden bevestigd, op gronden zoals in zijn pleitaantekeningen vermeld.

De politierechter heeft zijn beslissing doen steunen op de volgende overweging:

De vervolgingsbeslissing is genomen door een politiesecretaris, terwijl het slachtoffer/aangever ook een functionaris van de politie is. Nu de politie partij is, bestaat het beeld dat de politie haar zaak door een collega laat vervolgen. In deze omstandigheden is gewenst en geboden dat de zaken waarin de politie partij is de officier van justitie zelf met de nodige afstand de vervolgingsbeslissing neemt. Dat past ook bij het grondbeginsel van het Nederlandse strafprocesrecht, waarbij beslissingen over vervolging zijn afgenomen van door strafbare feiten getroffen, en bij uitsluiting zijn toebedeeld aan het openbaar ministerie.

Het hof overweegt dienaangaande:

Ingevolge artikel 126 RO kan het nemen van de beslissing om tot vervolging van een bepaalde verdachte over te gaan, worden opgedragen aan een andere ambtenaar dan de officier van justitie, doch slechts wanneer deze een bij het parket werkzame ambtenaar is en voorzover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de vervolgingsbeslissing in het onderhavige geval is genomen door een zgn. politiesecretaris, een medewerker van de regiopolitie Rotterdam, die de opleiding tot politiesecretaris heeft afgerond, bij het Openbaar Ministerie is gedetacheerd, door de hoofd-officier is benoemd tot onbezoldigd parketsecretaris, zijn taken uitoefent onder het gezag en overeenkomstig de aanwijzingen van de hoofdofficier en geen bemoeienis heeft met de uitvoering van politiewerkzaamheden.

De onderhavige vervolgingsbeslissing is genomen krachtens en binnen de grenzen van de in Rotterdam geldende Mandaatregeling Politiesecretaris d.d. 12 januari 2004.

Het hof deelt niet de opvatting van de verdediging dat de voorwaarden waaronder het mandaat in casu is opgesteld ontoereikend zouden zijn, omdat bij deze voorwaarden geen uitzondering is opgenomen voor zaken waarbij ambtenaren van politie als slachtoffer/aangever zijn betrokken. Die opvatting vindt geen steun in het recht.

Anders dan de politierechter oordeelt het hof dat niet het beeld kan bestaan dat de politie haar zaak door een collega laat vervolgen. De politiesecretaris immers behoudt wel de rechtspositie van de politie, maar verricht zijn werkzaamheden namens en in opdracht van de officier van justitie. Vervolgingsbeslissingen zijn krachtens de mandaatregeling onderworpen aan het toezicht van de officier van justitie. Laatstgenoemde kan in door de politiesecretaris genomen vervolgingsbeslissingen zo nodig wijzigingen aanbrengen (vgl. artikel 8 van de Mandaatregeling). Aldus is voldoende gewaarborgd dat ook in gevallen waarin een functionaris van de politie slachtoffer/aangever is, de vervolgingsbeslissing met de nodige afstand wordt genomen.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie, gelet op het Bos/Polaris systeem, in de onderhavige zaak tot een transactie had moeten worden overgegaan.

Het hof deelt deze opvatting van de verdediging niet en overweegt daarbij als volgt. Niet gezegd kan worden dat het openbaar ministerie in deze heeft gehandeld in strijd met zijn eigen en bekend gemaakte beleidsregels door geen transactievoorstel aan te bieden. Enkel reeds de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 27 december 2004, in het verleden meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, kan zonder meer de vervolgingsbeslissing dragen.

Het vorenstaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte.

Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank te Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest op de grondslag van de uitgebrachte inleidende dagvaarding de zaak te berechten en af te doen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Verheij, Van der Putten-Göbbels en De Groot, in bijzijn van de griffier Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 februari 2005.