Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AS8928

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
2200172304
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders, naast het opzettelijk vervoeren van een geringe hoeveelheid cocaïne, schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting door een hoeveelheid lidocaïne, geprepareerd met vorenbedoelde geringe hoeveelheid cocaïne, mee te nemen naar de woning in Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001723-04

Parketnummer: 09-757382-03

Datum uitspraak: 22 februari 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 29 maart 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 28 januari 2005 en 8 februari 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat. Van de inleidende dagvaarding en van de nadere omschrijving tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, en met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen -met oplegging van een schadevergedingsmaatregel- als vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Inleidende overwegingen ter beoordeling van de tenlastegelegde feiten

In de loop van de maand maart 2003 heeft de verdachte -in het hiernavolgende ook aangeduid als: [verdachte]- in een Surinaamse winkel te Purmerend Akaash Nadeem [naam 1] ontmoet, die hem op enig moment gedurende die ontmoeting de vraag heeft voorgelegd of hij iemand wist die in staat en bereid zou zijn zes kilo cocaïne te leveren. [verdachte] -die zich in het contact met [naam 1] van de bijnaam "Diamond" heeft bediend- heeft alstoen laten weten enkele dealers in Amsterdam te kennen en heeft daarop de medeverdachte Ricardo Ruben [mededader 1] benaderd. Deze heeft [verdachte] te kennen gegeven de gevraagde zes kilo te kunnen regelen. In de daaropvolgende onderhandelingen hebben meerdere telefonische contacten plaatsgevonden, zowel tussen [naam 1] en [verdachte] als tussen [verdachte] en [mededader 1], en zijn tevens enkele ontmoetingen belegd te Purmerend en te Amsterdam tussen [naam 1] enerzijds en [verdachte] en [mededader 1] -die daarbij gebruik heeft gemaakt van de bijnaam "Sergio"- anderzijds. Bij de eerste ontmoeting in Purmerend, welke tegen eind maart 2003 heeft plaatsgevonden, is een prijs van [€] 24.000,-- per kilo cocaïne overeengekomen.

In de loop van de ochtend van 4 april 2003 heeft [naam 1] telefonisch contact met [verdachte] gezocht en hem daarbij medegedeeld dat hij nog die dag één kilo cocaïne nodig had, welke -naar later bleek- diende te worden afgeleverd in Den Haag. [verdachte] heeft daarop wederom telefonisch contact met [mededader 1] gelegd en beiden hebben elkaar omstreeks 15.30 uur die dag op de Albert Cuyp in Amsterdam ontmoet. [mededader 1] heeft vervolgens de medeverdachte Howard Otmar [mededader 2], die op dat moment in het gezelschap van Patrick Clarence [naam 3] bleek te verkeren, trachten te bereiken en is daar uiteindelijk -via telefonische contacten met ene "Pukkie" en genoemde [naam 3]- rond 17.00 uur in geslaagd. Nadat [mededader 1] [mededader 2] bij monde van [naam 3] heeft laten weten dat hij een "jonta" -een klus- had, is de afspraak gemaakt elkaar in de Bijlmer te Amsterdam te treffen. Aldaar heeft korte tijd later een bespreking tussen [mededader 1], [verdachte] en [mededader 2] plaatsgevonden, waarbij [mededader 1] [mededader 2] heeft laten weten dat zij een bestelling voor "één" hadden en [mededader 2] op zijn beurt [mededader 1] heeft laten weten een "blok" te kunnen bemachtigen. Terwijl [mededader 2] het "blok" in een flatwoning in de Bijlmer gaat halen, gaan [mededader 1] en [verdachte] naar een restaurant om wat eten in te slaan. Enige tijd later hebben [mededader 2], inmiddels in het bezit van het "blok", [mededader 1] en [verdachte] elkaar weer getroffen en zijn zij in de auto van [mededader 2] -een huurauto- naar Den Haag gereden. [mededader 1] heeft de auto op weg naar Den Haag bestuurd, [mededader 2] en [verdachte] hebben gedurende deze rit respectievelijk op de bijrijdersstoel en op de achterbank -in het midden- gezeten.

Bedoeld "blok" heeft, zo is later bij onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut vastgesteld, voor het grootste deel uit lidocaïne bestaan en bleek slechts een (zeer) geringe hoeveelheid cocaïne te bevatten. Van de omstandigheid dat voor de op handen zijnde deal van zogenaamde nepcocaïne gebruik zou worden gemaakt, is in ieder geval [mededader 2] op de hoogte geweest. De vraag of ook [mededader 1] en [verdachte] vooraf met die omstandigheid bekend zijn geweest, zal eerst hierna -bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten- worden beantwoord.

Eenmaal in Den Haag aangekomen, is [mededader 1] naar een benzinestation gereden, bij welk benzinestation zich korte tijd nadien Ravi Shekhar [naam 6], zwager van [naam 1], heeft gemeld. Nadat partijen, tevens middels telefonische interventie van [naam 1], zijn geïntroduceerd, heeft [mededader 1] plaatsgenomen in de auto van [naam 6] en zijn zij, gevolgd door [mededader 2] en [verdachte] in eerder bedoelde huurauto, naar een horecagelegenheid gereden, alwaar zij Mohamed Faroek [naam 5] hebben ontmoet. Na enig overleg wordt besloten om door te rijden naar de Melodiestraat in Den Haag. Te bestemder plaatse aangekomen, is [naam 5] als eerste zijn aan de [adres] gelegen portiekwoning binnengegaan. [naam 6] heeft daarop laten weten dat het "blok" in die betreffende woning eerst zou moeten worden getest. Zijn voorstel, inhoudende dat hem het "blok" daartoe zou worden overhandigd en dat hij als onderpand zijn auto en daarbij behorende sleutels bij [mededader 2], [mededader 1] en [verdachte] zou achterlaten, is door [mededader 2] en [mededader 1] verworpen. Het voorstel van [mededader 2], inhoudende dat [naam 6] en [naam 5] in de gelegenheid zouden worden gesteld het "blok" in de woning te testen en dat dit "blok" daartoe aan [naam 6] zou worden overhandigd mits deze op voorhand [€] 10.000,-- zou betalen, heeft op zijn beurt geen genade kunnen vinden bij [naam 6]. De daardoor ontstane impasse is niet doorbroken door de voorgenomen deal geen doorgang te laten vinden, doch door het besluit dat [mededader 2] de woning tezamen met [naam 6] zou betreden teneinde het "blok", alvorens de deal zou kunnen worden afgerond, aan een test te laten onderwerpen.

In de woning heeft [naam 5] het "blok" opengesneden en het zich daarin bevindende poeder door [naam 6] laten testen. Ondanks het feit dat deze test -volgens [mededader 2] althans- positief is uitgevallen, heeft [naam 5] te kennen gegeven het "blok" te willen breken teneinde het aan een diepergaand onderzoek te onderwerpen. [mededader 2] heeft daarop laten weten dat [mededader 1] daartoe toestemming zou moeten geven. Vervolgens is [naam 6] op verzoek van [mededader 2] naar buiten gegaan om [mededader 1] te halen. [mededader 1] heeft, nadat [naam 6] hem had medegedeeld dat [mededader 2] hem nodig had, tegen [verdachte] gezegd dat deze maar met [naam 6] naar de woning moest gaan om te vragen wat [mededader 2] precies wilde. Daaraan is door [verdachte] gehoor gegeven. Het "blok" is vervolgens metterdaad door [naam 5] door midden gebroken, waarop de situatie is geëscaleerd. [mededader 2] heeft [naam 5] tijdens die escalatie in diens linkeronderbeen geschoten, waarna achtereenvolgens een worsteling tussen [verdachte] en [naam 6] is ontstaan, [naam 5] op [mededader 2] is afgelopen, laatstgenoemden eveneens in een worsteling verzeild zijn geraakt en [mededader 2] daarop [naam 5] heeft uitgeschakeld door op een afstand van tussen de 0 en ongeveer 10 centimeter een kogel op de rechterzijde van diens hals af te vuren en onmiddellijk daarna [naam 6] heeft uitgeschakeld door middel van een zogenaamd opgelegd schot rechts op diens schouder. De vraag of [mededader 2] al dan niet van aanvang af in het bezit is geweest van het door hem gebruikte vuurwapen zal hierna -bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten- nog aan de orde worden gesteld.

[naam 5] en [naam 6] hebben de schietpartij niet overleefd. [verdachte] is door het op [naam 6] afgevuurde schot -waarbij de kogel het lichaam van [naam 6] rechtsachter op de schouder is binnengedrongen en linksvoor aan de borst heeft verlaten- aan zijn rechterhand gewond geraakt. Nadat [naam 5] en [naam 6] dodelijk waren getroffen, heeft [mededader 2] geld uit de kleding van [naam 5] weggenomen en zich vervolgens, evenals [verdachte], naar buiten begeven. Aldaar hebben zij [mededader 1] achter het stuur van meergenoemde huurauto aangetroffen, heeft [mededader 2] [mededader 1] medegedeeld dat het "niet goed" was gegaan, dat hij "de twee mannen had geschoten" en dat ze "weg" moesten "wezen", waarop [mededader 1] met [mededader 2] en [verdachte] naar Amsterdam is gereden. Op weg van Den Haag naar Amsterdam heeft [mededader 2] aan [verdachte] een bedrag van [€] 1.100,-- gegeven.

Beoordeling van de tenlastegelegde feiten

De nog openstaande vraag of niet alleen [mededader 2], maar ook [mededader 1] en [verdachte] voorafgaande aan de ontmoeting met [naam 6] en [naam 5] ervan op de hoogte waren dat het door [mededader 2] geregelde "blok" uit nepcocaïne bestond, wordt door het hof bevestigend beantwoord en wel op grond van de navolgende overwegingen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Vaststaat dat tijdens een bespreking tussen de organisatoren van de deal -[verdachte], [mededader 1] en [naam 1]- reeds in maart 2003 is overeengekomen dat laatstgenoemde in geval van levering een prijs van [€] 24.000,-- per kilo cocaïne diende te betalen. Vaststaat voorts dat niet alleen [mededader 2], maar ook [mededader 1] en [verdachte] aan de deal die op 4 april 2003 zijn beslag moest krijgen geld wilden overhouden, doch dat noch [mededader 1] noch [verdachte] op enig moment aan [mededader 2] heeft gevraagd welke prijs verbonden was aan het door laatstgenoemde geregelde "blok" en dat mitsdien noch [mededader 1] noch [verdachte] enige aanleiding heeft gezien om na te gaan of die prijs niet het met [naam 1] overeengekomen bedrag van [€] 24.000,-- te boven zou gaan, zoals zij overigens ook geen van beiden aanleiding hebben gezien het poeder uit het "blok" te testen. Dat behoeft, gezien de verklaringen van [mededader 2], ook geen verwondering te wekken. Deze heeft immers bij herhaling en in zoverre consistent verklaard dat hem door [mededader 1] onderweg naar Den Haag in de auto is gevraagd of het "blok" al was geprepareerd, dat hij [mededader 1] daarop heeft laten weten dat dat volgens hem niet het geval was, dat [mededader 1] hem toen een kleine hoeveelheid echte cocaïne heeft gegeven, dat hij vervolgens het met tape omwikkelde "blok" heeft ingesneden, deze cocaïne bovenop in het "blok" heeft gestrooid en dit vervolgens weer dicht heeft getapet en dat een en ander [verdachte], zittende in het midden van de achterbank van de auto, niet kan zijn ontgaan, temeer niet waar hij -[mededader 2]- deze handelingen, zo heeft hij daar tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris aan toegevoegd, gepaard heeft laten gaan met woorden als: "Houd even vast", "Is het goed zo?" en dergelijke. Het hof acht de verklaringen van [mededader 2] in zoverre betrouwbaar, niet alleen vanwege de hiervoor als vaststaand aangegeven omstandigheden, doch ook vanwege het navolgende.

Zoals reeds is overwogen, hebben [mededader 1] en [verdachte] elkaar op 4 april 2003, nadat [naam 1] had laten weten die dag één kilo cocaïne nodig te hebben, met het oog daarop omstreeks 15.30 uur op de Albert Cuyp in Amsterdam getroffen. Volgens de door [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring hebben zij de rest van die dag onafgebroken in elkaars gezelschap doorgebracht, behoudens de korte periode dat zij bij een restaurant eten zijn gaan halen, aangezien [verdachte] het betreffende restaurant alleen is binnengegaan. Uit hetgeen eerder is overwogen blijkt dat die periode is gelegen na hun eerste ontmoeting met [mededader 2] in de Bijlmer. Voorafgaande aan die ontmoeting heeft [mededader 1] om 16.54 uur - (ook) volgens diens ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring: in aanwezigheid van [verdachte]- blijkens een zich in het dossier bevindend tapverslag telefonisch contact met eerder genoemde "Pukkie" gehad. In de van dat verslag vanuit het Sranan gemaakte vertalingen, afkomstig van de door de politie ingeschakelde tolk en van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde deskundige drs. Koorndijk, valt te lezen dat [mededader 1], alvorens "Pukkie" aan de telefoon te krijgen, tegen iemand die bij hem op de achtergrond aanwezig is zegt: "We moeten de monster gaan zoeken om het te zetten hoor" dan wel "Wij zouden het monster moeten vinden om het daar te plaatsen", waarbij door hem ook in het Sranan de term "monster" is gebruikt. Desgevraagd heeft [mededader 1] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij alstoen zijn neef -die zich, naast [verdachte], op dat moment ook in zijn gezelschap zou hebben bevonden- heeft gevraagd voor hem een bij een wit overhemd -beweerdelijk: het monster- passende broek uit te zoeken. Deze verklaring komt het hof niet alleen uitermate ongeloofwaardig voor, doch is ook door de tevens ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde deskundige Hathie-Akkal van tafel geveegd, waarbij zij desgevraagd heeft aangegeven dat de term "monster" vanuit het Sranan, afhankelijk van de context, ofwel als een wezen met een gedrochtelijk voorkomen dan wel gedrochtelijke eigenschappen ofwel als een "sample" -een kleine hoeveelheid van iets- dient te worden vertaald. Indien de context in aanmerking wordt genomen -te weten dat [verdachte] en [mededader 1] elkaar hebben getroffen in het kader van een op handen zijnde deal en [mededader 1] met het oog op die deal [mededader 2] tracht te bereiken-, kan de conclusie geen andere zijn dan dat [mededader 1] de term "monster" in de betekenis van "sample" heeft gebruikt en wel, nu niet is gebleken dat een neef van [mededader 1] enige rol rondom deze deal heeft gespeeld, tegenover [verdachte], welke conclusie bevestiging vindt in de verklaringen van [mededader 2], inhoudende dat [mededader 1] hem -tijdens de rit die zij met hun drieën naar Den Haag hebben ondernomen- een kleine hoeveelheid echte cocaïne heeft gegeven teneinde het "blok" te preparen.

Uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen en al hetgeen op grond daarvan hiervoor is overwogen, is er naar het oordeel van het hof tussen [mededader 1], [verdachte] en [mededader 2] dan ook sprake geweest van een zodanig nauwe en volledige samenwerking -waarbij het gemeenschappelijke plan heeft voorgezeten [naam 5] en/of [naam 6] op te lichten en in het kader waarvan zij alledrie uitvoeringshandelingen hebben verricht- dat ieder van hen zich schuldig heeft gemaakt aan het -aan [verdachte] onder 4 tenlastegelegde- medeplegen van poging tot oplichting, alsmede aan het -aan [verdachte] onder 3 tenlastegelegde- medeplegen van, kort gezegd, opzettelijk handelen in strijd met een in de Opiumwet gegeven verbod, een en ander als verderop in dit arrest nader aan te geven.

Waar het de aan [verdachte] onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten betreft, wordt vooropgesteld dat het hof de tenlastelegging in zoverre aldus begrijpt dat kennelijk is beoogd primair het medeplegen van moord, subsidiair het medeplegen van -kort gezegd- gekwalificeerde doodslag en -impliciet- meer subsidiair het medeplegen van doodslag op [naam 5] respectievelijk [naam 6] ten laste te leggen.

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op [naam 5], noch dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op [naam 6]. Nu niet alleen de verdediging, doch ook het openbaar ministerie tot deze conclusie is gekomen, voelt het hof zich niet genoodzaakt dienaangaande een nadere motivering te geven.

Het openbaar ministerie heeft zich, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, op het -blijkens het beroepen vonnis door de rechtbank onderschreven- standpunt gesteld dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [naam 5] en het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [naam 6]. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft het openbaar ministerie onder meer een aantal omstandigheden aangevoerd welke de conclusie wettigen dat sprake is geweest van het medeplegen van poging tot oplichting, meer in het bijzonder -naar aan het door de advocaat-generaal gehouden en op schrift gestelde requisitoir valt te ontlenen- de omstandigheid dat [verdachte] het contact tussen [naam 1] en [mededader 1] heeft gelegd en ook de onderhavige deal "op poten" heeft gezet en de omstandigheid dat [verdachte] mee is gereden naar Den Haag om deze deal plaats te laten vinden terwijl hij, evenals [mededader 2] en [mededader 1], wist dat daarbij door hen nepcocaïne zou worden aangeboden.

Het hof benadrukt dat voor een bewezenverklaring van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag vooreerst -het door artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht vereiste oogmerk nog daargelaten- naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op basis van wettige bewijsmiddelen boven iedere redelijke twijfel moet kunnen worden vastgesteld dat bij de mededaders een gemeenschappelijk opzet op de aan het medeplegen inherente samenwerking èn op de levensberoving van -in casu- [naam 5] respectievelijk [naam 6] heeft bestaan. In dit kader verdient in de eerste plaats overweging dat, ook naar de mening van het openbaar ministerie, niet is gebleken van een door [verdachte] tevoren met [mededader 1] en/of -minst genomen- [mededader 2] beraamd plan om [naam 5] en [naam 6] van het leven te beroven. Voorts verdient overweging dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat [verdachte] enige uitvoeringshandeling heeft verricht die tot de dood van [naam 5] en [naam 6] heeft geleid. Het openbaar ministerie heeft, waar het dit laatste aangaat, een ander standpunt ingenomen, stellende dat [verdachte], nadat hij de woning had betreden, in de deuropening is gaan staan, aldus -naar het hof begrijpt- een mogelijke vluchtweg blokkerend, en dat hij daarenboven [naam 6] met zijn handen bij diens borst heeft tegengehouden op het moment dat [mededader 2] een kogel op [naam 6] afvuurde. Het door het openbaar ministerie ingenomen standpunt mondt uit in de conclusie dat "het er op lijkt ... dat Ravi (hof: [naam 6]) probeerde te vluchten maar deze daarbij is tegengehouden door [verdachte]". Deze conclusie is gebaseerd op het proces-verbaal d.d. 2 februari 2004, opgenomen op de pagina's 417 en 418 van het procesdossier, in welk proces-verbaal aan de hand van een aantal omstandigheden -die met name zijn afgeleid uit de bij gelegenheid van de driedimensionale reconstructie gedane bevindingen, het rapport inzake het bij [verdachte] aan diens hand geconstateerde letsel en het rapport inzake het schotrestenonderzoek- is gerelateerd dat "wordt verondersteld dat de schotverwonding van de verdachte [verdachte] is ontstaan doordat hij het slachtoffer [naam 6] aan de voorzijde heeft vastgehouden terwijl de verdachte [mededader 2] deze middels een opgelegd schot van achteren op de rechterschouder heeft neergeschoten" en dat "wordt ... verondersteld dat het slachtoffer [naam 6] met zijn rug naar de verdachte [mededader 2] heeft gestaan. Hierdoor ontstaat", aldus genoemd proces-verbaal, "mede gelet op de indeling van de woning de indruk dat het slachtoffer [naam 6] uit de woning wilde vluchten".

Naar aanleiding van vorenbedoeld standpunt van het openbaar ministerie wordt in de eerste plaats overwogen dat de stelling, inhoudende dat [verdachte] in de deuropening is gaan staan, geen steun vindt in voornoemd proces-verbaal d.d. 2 februari 2004, noch in enig ander bewijsmiddel. Voorts wordt overwogen dat uit dat proces-verbaal geen voor het bewijs ten dezen redengevende feiten en omstandigheden naar voren komen. Nog daargelaten het feit dat uit het gegeven, dat de kogel die zowel [naam 6] als [verdachte] heeft getroffen het lichaam van [naam 6] rechtsachter op de schouder is binnengedrongen en linksvoor aan de borst heeft verlaten om vervolgens het lichaam van [verdachte] binnen te dringen aan de zijde van de handrug -niet de handpalm- van diens rechterhand bij de basis van de middelvinger, naar het gevoelen van het hof niet logischerwijze voortvloeit dat [verdachte] [naam 6] aan de voorzijde heeft vastgehouden, bevat bedoeld proces-verbaal louter veronderstellingen en een "indruk". Ook het door het openbaar ministerie ingenomen standpunt komt uiteindelijk niet verder dan de stelling dat het erop "lijkt" dat [naam 6] tijdens een vluchtpoging door [verdachte] is tegengehouden, doch een dergelijke stelling kan de door de advocaat-generaal bij requisitoir aan het hof voorgelegde bewijsconstructie niet mede dragen. Volledigheidshalve wordt in dit kader nog overwogen dat het hof, nu in meergenoemd proces-verbaal geen voor het bewijs ten dezen redengevende feiten en omstandigheden als resultaat van de driedimensionale reconstructie zijn gerelateerd, geen noodzaak aanwezig acht in te gaan op het uitdrukkelijk bij requisitoir gedane aanbod de bij die reconstructie betrokken deskundige(n) te doen horen.

Uit vorenstaande overwegingen vloeit voort dat het aan [verdachte] onder 1 subsidiair en 2 subsidiair -dan wel onder 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair- tenlastegelegde slechts dan tot een bewezenverklaring kan leiden indien uit de voorhanden bewijsmiddelen een bewuste, zodanig nauwe en volledige -stilzwijgende- samenwerking tussen hem en [mededader 1] en/of -minst genomen- [mededader 2], gericht op de levensberoving van [naam 5] en [naam 6], kan worden afgeleid dat hij, niettegenstaande het ontbreken van een tevoren beraamd plan en niettegenstaande het ontbreken van enige in dit kader relevante uitvoeringshandeling zijnerzijds, desalniettemin ter zake als medepleger kan worden aangemerkt.

Het behoeft naar het oordeel van het hof in het licht van het vorenoverwogene geen nader betoog dat eerder bedoelde, door het openbaar ministerie aangehaalde omstandigheden -welke, naast andere, ook door het hof aan de bewijsmiddelen zijn ontleend en welke het hof, mede op basis van de eerder in dit arrest weergegeven overwegingen, tot het oordeel hebben gebracht dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot oplichting- nog niet de conclusie rechtvaardigen dat hij zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag op [naam 5] en [naam 6].

Naast de omstandigheid dat [verdachte] het contact tussen [naam 1] en [mededader 1] heeft gelegd en ook de onderhavige deal "op poten" heeft gezet en de omstandigheid dat [verdachte] mee is gereden naar Den Haag om deze deal plaats te laten vinden terwijl hij, evenals [mededader 2] en [mededader 1], wist dat daarbij door hen nepcocaïne zou worden aangeboden, heeft het openbaar ministerie in de opmaat tot de bewijsconstructie in een als kanttekening "terzijde" aangeduid deel van het requisitoir gewezen op het reeds in dit arrest gememoreerde telefoongesprek tussen [mededader 1] en "Pukkie", waarbij door [mededader 1], op dat moment op zoek zijnde naar [mededader 2], tot tweemaal toe de term "huurling" in de mond is genomen, met welke term volgens de advocaat-generaal blijkens de context niets anders kan zijn bedoeld dan "huurmoordenaar" en met welke term naar zijn mening daarenboven op niemand anders kan zijn gedoeld dan op [mededader 2]. Nu eerder in dit arrest is vastgesteld dat [mededader 1] in het gezelschap van [verdachte] verkeerde op het moment dat dit gesprek werd gevoerd en dat [mededader 1] alstoen ook jegens [verdachte] de opmerking heeft geplaatst dat ze een monster moesten gaan zoeken, wordt volledigheidshalve overwogen dat het hof het gebruik door [mededader 1] van de term "huurling" ten dezen niet redengevend acht voor het bewijs. Uit de door de deskundigen Hathie-Akkal en drs. Koorndijk ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen is immers naar voren gekomen dat de term "huurling" in het Sranan, zijnde een contexttaal bij uitstek, zowel op een voorwerp -bijvoorbeeld, conform de opvatting van [mededader 1], een huurauto- als op een persoon -bijvoorbeeld, conform de opvatting van de advocaat-generaal, een huurmoordenaar- kan slaan en dat, gegeven de korte duur en de beperkte inhoud van het tussen [mededader 1] en "Pukkie" gevoerde telefoongesprek, de context waarin die term is gebruikt en daarmede de betekenis van die term niet op eenduidige wijze valt vast te stellen.

Na het vorenoverwogene verdienen nog twee in de door het openbaar ministerie gevolgde bewijsredenering aangedragen stellingen nadere bespreking.

Aangevoerd is dat [verdachte] niet heeft ingegrepen of is gevlucht, noch na het eerste schot, noch na het tweede schot. Kennelijk is, mede gelet op hetgeen verder in dit kader naar voren is gebracht, beoogd te stellen dat [verdachte] zich niet van het door [mededader 2] toegepaste geweld heeft gedistantieerd, terwijl de mogelijkheid daartoe heeft bestaan. Ook deze stelling wordt door het hof niet onderschreven. Zoals eerder in dit arrest is overwogen zijn [verdachte] en [naam 6] na het eerste schot in een worsteling verzeild geraakt, welke worsteling volgens de door [verdachte] -onder meer- ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring hieruit heeft bestaan dat [naam 6] hem heeft beetgepakt alsof hij hem als een soort schild wilde gebruiken, in reactie waarop [verdachte] zich heeft trachten los te rukken, en welke worsteling heeft voortgeduurd tot een moment onmiddellijk voorafgaand aan het derde schot. Het onderzoek ter terechtzitting heeft geen aanwijzingen opgeleverd die de conclusie kunnen wettigen dat deze verklaring niet met de werkelijke gang van zaken strookt. Aldus heeft voor [verdachte], mede gezien de snelheid waarmee de gebeurtenissen elkaar hebben opgevolgd, geen reële mogelijkheid bestaan zich van het door [mededader 2] toegepaste geweld te distantiëren.

Aangevoerd is voorts -en dat vormt in wezen, na de vaststelling dat niet is gebleken van enige in dit kader relevante uitvoeringshandeling van de zijde van [verdachte], de kern van de door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijsconstructie- dat [verdachte] "moet ... hebben geweten dat er een wapen aan te pas zou komen, dit is inmiddels normaal bij drugsdeals en zeker als het gaat om nepcoke waarbij de kopers dus agressief gaan worden bij ontdekking", aldus het requisitoir.

Naar aanleiding van die stelling wordt op deze plaats volledigheidshalve nog overwogen dat [mededader 2] -anders dan [verdachte]- bij herhaling heeft verklaard dat hij het door hem gebruikte vuurwapen niet bij zich heeft gedragen, doch dat hij dit [naam 5] afhandig heeft gemaakt. Het antwoord op de reeds eerder opgeworpen vraag of [mededader 2] al dan niet van aanvang af in het bezit van dit vuurwapen is geweest, kan evenwel in het midden blijven, nu, gesteld al dat het antwoord op die vraag bevestigend luidt, er op basis van het onderzoek ter terechtzitting van dient te worden uitgegaan -en het openbaar ministerie er, getuige de woorden "moet hebben geweten", kennelijk ook van uitgaat- dat [verdachte] daarvan eerst op het onmiddellijk aan het eerste schot voorafgaande moment op de hoogte is geraakt.

Het is in het bijzonder vorenbedoelde stelling die het openbaar ministerie tot de conclusie heeft gevoerd dat [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam 5] en [naam 6] om het leven zouden komen, daarbij de voor het medeplegen vereiste bewuste samenwerking plaatsend in het teken van voorwaardelijk opzet. Gelet op de nadere invulling, welke bij requisitoir aan deze stelling is gegeven, stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat het een feit van algemene bekendheid is, zeker voor ingewijden in de drugsscene, dat bij een deal als de onderhavige "veelal vuurwapens worden gedragen". Dat standpunt is in het betoog van de advocaat-generaal in doorslaggevende mate bepalend voor -en mitsdien onlosmakelijk verbonden aan- de conclusie dat [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam 5] en [naam 6] om het leven zouden komen, doch juist dát standpunt wenst het hof, in samenhang met díe conclusie, niet voor zijn rekening te nemen. Het hof kan het openbaar ministerie nog in zoverre volgen dat [verdachte] bij de onderhavige deal tot op zekere hoogte het risico heeft genomen dat er -al dan niet onder gebruikmaking van één of meerdere vuurwapens- met geweld zou worden gedreigd dan wel geweld zou worden toegepast, doch daarmee is nog geenszins gezegd dat hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een naar algemene ervaringsregelen als aanmerkelijk te achten kans dat [naam 5] en [naam 6] bij die deal om het leven zouden worden gebracht.

De omstandigheden die overigens aan de door het openbaar ministerie naar voren gebrachte stellingen ten grondslag zijn gelegd -waaronder het feit dat [verdachte] een deel van het door [mededader 2] buitgemaakte geld heeft gekregen-, kunnen noch ieder op zich, noch in onderlinge samenhang beschouwd de ten dezen vereiste bewuste, nauwe en volledige samenwerking, gericht op de levensberoving van [naam 5] en [naam 6], constitueren, terwijl ook anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Vrijspraak

Uit het eerder overwogene vloeit voort dat naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, subsidiair en -impliciet- meer subsidiair en onder 2 primair, subsidiair en -impliciet- meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht blijkens het eerder overwogene wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Medeplegen van poging tot oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders, naast het opzettelijk vervoeren van een geringe hoeveelheid cocaïne, schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting door een hoeveelheid lidocaïne, geprepareerd met vorenbedoelde geringe hoeveelheid cocaïne, mee te nemen naar de woning aan de [adres] te Den Haag, alwaar de voorgenomen deal uiteindelijk zou moeten worden beklonken, en deze nepcocaïne aan de latere slachtoffers [naam 5] en [naam 6] aan te bieden als ware het een kilo cocaïne met het oogmerk [naam 5] en/of [naam 6] te bewegen tot de afgifte van [€] 24.000,--. Deze poging tot oplichting heeft een desastreuze afloop gehad, waarbij [naam 5] en [naam 6], beiden 33 jaar oud, op gewelddadige wijze het leven hebben verloren. Hoewel het hof niet bewezen acht dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een naar algemene ervaringsregelen als aanmerkelijk te achten kans dat [naam 5] en [naam 6] om het leven zouden komen, heeft hij, als reeds overwogen, het risico daarop wel tot op zekere hoogte aanvaard, hetgeen temeer klemt nu voor de verdachte op meerdere momenten de mogelijkheid heeft bestaan -doch deze door hem op geen enkele moment is benut- de deal, die vanaf de aankomst in Den Haag een alleszins moeizaam verloop had, alsnog af te blazen dan wel, zo hij dat al niet alleen in zijn macht had, zijn mededaders ervan te overtuigen dat te doen. Niettegenstaande het feit dat niet is bewezen dat de verdachte zich in strafrechtelijk opzicht schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag op [naam 5] en [naam 6], is hij naar het oordeel van het hof voor hun dood en het dientengevolge aan hun nabestaanden toegebrachte onuitwisbare verdriet in moreel opzicht wel mede verantwoordelijk te achten, hetgeen een factor van belang is voor de weging van de ernst van met name het onder 4 bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd en aldus tot uitdrukking dient te komen in de aan de verdachte op te leggen straf.

Het hof is dan ook van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde -voor de bewezenverklaarde feiten relatief lange- duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van M.R. [naam 6]

In het onderhavige strafproces heeft M.R. [naam 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend ter vergoeding van de kosten van lijkbezorging, als bedoeld in artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, alsmede ter vergoeding van overige materiële schade, geleden ten gevolge van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde feit, tot een bedrag van in totaal [€] 25.413,77.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van [€] 25.413,77.

Nu de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde integraal wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij evenwel reeds daarom in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot schadevergoeding van Z. [naam 5]

In het onderhavige strafproces heeft Z. [naam 5] zich -afgaande op het in eerste aanleg ingediende voegingsformulier: pro se en op de voet van artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet (tevens) als gemachtigde van de erven van M.F. [naam 5] of op de voet van het bepaalde in artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek- als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend ter vergoeding van materiële en immateriële schade, geleden ten gevolge van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, tot een bedrag van in totaal [€] 434.699,28.

In hoger beroep is deze vordering gepresenteerd als een vordering van de erven van M.F. [naam 5]. De vordering is, waar het de daarin in eerste aanleg opgevoerde posten betreft, gehandhaafd tot een bedrag van [€] 1.650,-- als vergoeding voor geleden materiële schade. Daarnaast is alsnog een vergoeding van de kosten voor een grafmonument gevorderd tot een bedrag van [€] 7.000,--.

Nu de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde integraal wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij -als hoedanig naar het oordeel van het hof nog immer Z. [naam 5] dient te worden aangemerkt- evenwel reeds daarom in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 45, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair en -impliciet- meer subsidiair en onder 2 primair, subsidiair en -impliciet- meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3 en 4 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

9 (NEGEN) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, zodat deze als zijnde reeds ten uitvoer gelegd dient te worden aangemerkt.

Verklaart de benadeelde partij M.R. [naam 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart de benadeelde partij Z. [naam 5] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J.M. van Dijk, J.A. van Kempen en A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. M. van Kuilenburg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 februari 2005.