Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AS6702

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
BK-03/03542
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accijns. Geen teruggaaf accijns nu de gasolie niet is vernietigd, maar door het afvalverwerkingsbedrijf is gebruikt als substituut-brandstof voor verwarming bij het reinigen van andere afvalproducten.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit accijns 28, geldigheid: 2005-01-28
Uitvoeringsbesluit accijns 29, geldigheid: 2005-01-28
Wet op de accijns 71, geldigheid: 2005-01-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 400
FutD 2005-0421

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

vierde meervoudige belastingkamer

28 januari 2005

nummer BK-03/03542

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/P, betreffende na te noemen beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

1.1. Belanghebbende heeft op grond van artikel 71 van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) verzocht om teruggaaf van:

- accijns van minerale oliën ten bedrage van € 8.000;

- brandstoffenbelasting op gasolie ten bedrage van € 2.439;

- regulerende energiebelasting op gasolie ten bedrage van € 23.213; en

- voorraadheffing op gasolie ten bedrage van € 1.014.

Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking afgewezen.

1.2. Het tegen de beschikking gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 232. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 17 december 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbendes bedrijfsactiviteiten bestaan onder meer uit het reinigen van tanks. Om bepaalde stoffen uit die tanks te verwijderen worden daarin grote hoeveelheden rode gasolie gepompt. De mengsels van gasolie en residu worden door belanghebbende ter vernietiging aangeboden bij afvalverwerkingsbedrijf A te Q (hierna: het afvalverwerkingsbedrijf).

3.2. Gedurende een reeks van jaren heeft belanghebbende de Douane op de voet van artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet geregeld om teruggaaf van de accijns en om teruggaaf van de brandstoffenbelasting, de regulerende energiebelasting en de voorraadheffing (hierna: accijns en andere belastingen) op vernietigde gasolie verzocht. Voor het verkrijgen van de teruggaaf, die steeds werd verleend, werd de navolgende procedure gevolgd.

Direct bij aankoop van voor het reinigen van tanks bestemde gasolie stelde belanghebbende de Douane schriftelijk op de hoogte van het voornemen tot vernietigen. De Douane stuurde belanghebbende vervolgens een kopie van de desbetreffende brief voorzien van een handgeschreven aantekening "Vernietiging accoord mits onder ambtelijk toezicht" (of woorden van gelijke strekking), de naam en de handtekening van de behandelend ambtenaar en veelal een stempel met datum, nummer en de aanduiding "douane Nederland district P". Na aanbieding van mengsels van gasolie en residu aan het afvalverwerkingsbedrijf ontving belanghebbende opnieuw een kopie van de hiervoor bedoelde brief, nu tevens voorzien van de handgeschreven aantekening "Vernietiging door verbranding. Voor gewicht zie weegbonnen. Voor analyse zie rapport." (of woorden van gelijke strekking), de naam en de handtekening van de behandelend ambtenaar en een stempel met datum, nummer en de aanduiding "douane Nederland district P". Vervolgens verzocht belanghebbende schriftelijk om teruggaaf van de accijns en andere belastingen, onder overlegging van de desbetreffende aankoopfacturen, weegbonnen en bewijsstukken van vernietiging.

3.3. Op 25 oktober 2002 heeft belanghebbende de Douane opnieuw schriftelijk op de hoogte gesteld van het voornemen tot het laten vernietigen van een hoeveelheid gasolie en een kopie van de desbetreffende brief, voorzien van de aantekening "Vernietiging accoord mits onder ambtelijk toezicht", een stempel van de naam en de handtekening van de behandelend ambtenaar, retour ontvangen.

3.4. Op 6 januari 2003 en op 13 januari 2003 heeft de Douane monsters genomen uit partijen mengsels van gasolie en residu, welke aan het vernietigingsbedrijf zouden worden aangeboden. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat het oliedeel op lonende wijze was af te scheiden van het residu. Uit nader onderzoek naar de wijze van verwerking door het afvalverwerkingsbedrijf is gebleken dat het residu wordt afgescheiden, waarna naast water en afvalslib een oliedeel overblijft. Uit brochures van het afvalverwerkingsbedrijf blijkt dat het de afgescheiden oliedelen gebruikt als substituut-brandstof voor verwarming bij het reinigen van andere afvalproducten, met name verontreinigde grond.

3.5. In een offerte van het afvalverwerkingsbedrijf aan belanghebbende voor de verwerking van een mengsel als hiervoor bedoeld, is als verwerkingsmethode aangegeven de code "F07". In een procesomschrijving van het afvalverwerkingsbedrijf staat bij verwerkingscode F07:

"Het Substituut Brandstof Systeem (SBS) voorziet in de bewerking van organische afvalstoffen die extern worden aangeleverd en de organische fase van afvalwater c.q. afvalslib die in de AWZI en SOVI wordt afgescheiden. De bewerking bestaat uit gravitatiescheiding in de opslagtanks en uit bewerking van o/w/s in decanters. De bewerkte organische afvalstoffen worden ingezet voor de warmtebehoefte in de stoomketel en de TRI in plaats van conventionele gasolie en/of stookolie. [...]."

3.6. Op 17 maart 2003 heeft belanghebbende de Douane verzocht om teruggaaf van de accijns en andere belastingen op de in onderdeel 3.3. bedoelde gasolie.

3.7. Bij beschikking van 28 mei 2003 heeft de Inspecteur het in onderdeel 3.6. bedoelde verzoek om teruggaaf van accijns en andere belastingen afgewezen, omdat de onderhavige olie voor verwarmingsdoeleinden is gebruikt en derhalve niet is vernietigd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de teruggaaf van accijns en andere belastingen terecht door de Inspecteur is geweigerd.

4.2. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op grond van gewekt vertrouwen teruggaaf van accijns en andere belastingen moet worden verleend.

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en stelt zich op het standpunt dat de teruggaaf van accijns en andere belastingen terecht is geweigerd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, waarvan beroep, en tot teruggaaf van een bedrag van € 34.666 aan accijns en andere belastingen.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ingevolge artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet, wordt onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen op verzoek teruggaaf van accijns verleend voor accijnsgoederen die zijn vernietigd onder ambtelijk toezicht.

6.2. Belanghebbendes stelling, dat met betrekking tot de aan het afvalverwerkingsbedrijf aangeboden gasolie geen scheiding heeft plaatsgevonden, en dat zij, ook in het geval dat scheiding wel heeft plaatsgevonden, heeft voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van teruggaaf van accijns en andere belastingen, omdat zij aan de gasolie de bestemming afval heeft gegeven, faalt reeds, nu deze uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat de teruggaaf afhankelijk is van de bestemming van de accijnsgoederen.

6.3. Blijkens artikel 28, eerste lid, in samenhang met artikel 29, van het Uitvoeringsbesluit accijns, wordt teruggaaf van accijns verleend voor accijnsgoederen die onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd, indien de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren. Wat van dat laatste zij nu belanghebbende aan de gasolie de bestemming afval heeft gegeven, in elk geval zijn verzoeken om teruggaaf gedurende een reeks van jaren steeds gehonoreerd.

6.4. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat het ervoor moet worden gehouden dat in het onderhavige geval de gasolie niet is vernietigd, maar door het afvalverwerkingsbedrijf is gebruikt als substituut-brandstof voor verwarming bij het reinigen van andere afvalproducten.

6.5. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die aannemelijk maken dat de gasolie wel is vernietigd.

6.6. Op grond van hetgeen in het voorgaande is overwogen verwerpt het Hof belanghebbendes primaire standpunt, dat zij heeft voldaan aan alle aan de teruggaaf van accijns en andere belastingen gestelde voorwaarden.

6.7. De vermelding door de Douane van de tekst "vernietiging accoord mits onder ambtelijk toezicht", op de kopie van de brief van belanghebbende van 25 oktober 2002, dat de onderhavige gasolie zal worden vernietigd, kan naar het oordeel van het Hof niet worden verstaan als instemming met een verzoek om teruggaaf. De brief van belanghebbende houdt feitelijk niet meer in dan de aankondiging van het voornemen om een partij gasolie te zullen laten vernietigen. Veeleer moet de door de Douane aangebrachte tekst worden beschouwd als toezegging dat vernietiging zal plaatsvinden onder ambtelijk toezicht, één van de voorwaarden voor het verlenen van teruggaaf. Daarmee falen belanghebbendes stellingen, dat het onderhavige verzoek om teruggaaf van accijns reeds door de Douane was gehonoreerd respectievelijk dat de Douane de wijze van verwerken door het afvalverwerkingsbedrijf heeft aangemerkt als vernietiging.

6.8. Ook overigens faalt belanghebbendes subsidiaire stelling, dat zij er redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat de hier in geding zijnde verwerking door de Douane als vernietiging zou worden beschouwd. Naast het feit dat verzoeken om teruggaaf gedurende een reeks van jaren steeds zijn gehonoreerd, heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd die bij haar een rechtens te beschermen vertrouwen hebben kunnen wekken dat de Inspecteur ter zake van de vernietiging van de gasolie welbewust een standpunt heeft ingenomen dat afwijkt van de Wet. De enkele omstandigheid dat de Inspecteur in feite eerst bij het onderhavige teruggaafverzoek een controle toepast waaruit blijkt dat geen sprake is van vernietiging, rechtvaardigt naar 's Hofs oordeel niet zonder meer de conclusie dat het vertrouwensbeginsel aan het weigeren van de teruggaaf in de weg staat.

6.9. Gelet op het hiervoor overwogene en belanghebbende ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan teruggaaf moet worden verleend, is het beroep van belanghebbende ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Tromp en Braun. De beslissing is op 28 januari 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van Riel)

(Sanders)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

??

nummer BK-03/03542 blz. 7/7