Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AS5770

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2005
Datum publicatie
11-02-2005
Zaaknummer
2200093104
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van aanzienlijke hoeveelheden PMK, zijnde een grondstof bestemd voor de vervaardiging van synthetische drugs. Voorts heeft de verdachte zogenaamde XTC-pillen, als ook hoeveelheden amfetamine en MDMA voorhanden gehad.

Voorts had de verdachte onbevoegd een handgranaat en vuurwapens voorhanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000931-04

Parketnummer(s): 10-150270-03

Datum uitspraak: 31 januari 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 10 februari 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 januari 2005.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest en met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof dient de tenlastelegging aldus verstaan te worden dat met het onder 2 -naast het onder 1 vermelde feit- tenlastegelegde aan de verdachte wordt verweten dat hij niet slechts de in het eerste feit genoemde stof opzettelijk voorhanden heeft gehad, maar dat hij dit blijkens de tevens bij hem aangetroffen, onder 2 vermelde zaken bovendien heeft gedaan teneinde die stof aan te wenden voor één of meer van de onder 2 genoemde doeleinden, in het bijzonder het bereiden of bewerken van harddrugs. Het hof acht niet bewezen dat de verdachte zulks heeft voorgehad, nu noemenswaardige hoeveelheden versnijdings- en/of vulmiddelen niet zijn aangetroffen en niet duidelijk kan worden vastgesteld waartoe de in de tenlastelegging genoemde "hardware" zou moeten dienen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

3: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest en met verbeurdverklaring van het inbeslaggenomene.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van aanzienlijke hoeveelheden PMK, zijnde een grondstof bestemd voor de vervaardiging van synthetische drugs. Voorts heeft de verdachte zogenaamde XTC-pillen, als ook hoeveelheden amfetamine en MDMA voorhanden gehad. De onderhavige delicten leiden tot de verspreiding en het gebruik van synthetische drugs, waardoor de volksgezondheid hier te lande wordt bedreigd. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar.

Voorts had de verdachte onbevoegd een handgranaat en vuurwapens voorhanden. (Vuur)wapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven. Gezien het feit dat er regelmatig - ernstige - ongelukken voorkomen bij het hanteren van (vuur)wapens is het hof van oordeel dat streng moet worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van (vuur)wapens.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 1(oud), 2 en 6(oud) van de Wet op de economische delicten, artikel 5 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van een geldbedrag ad EUR 3.485,= aan verdachte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aler, De Groot en Le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. Van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 januari 2005.