Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AS4339

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
31-01-2005
Zaaknummer
BK-03/02055
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de Verordening is bepaald dat het belastingjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Tijdvakbelasting. De vraag of zich een belastbaar feit heeft voorgedaan kan eerst na afloop van het kalenderjaar worden beantwoord. Een definitieve aanslag forensenbelasting kan derhalve eerst na afloop van het heffingstijdvak, het kalenderjaar, worden opgelegd. De Verordening bevat geen bepaling op grond waarvan de belastingschuld geacht kan orden vóór de afloop van het belastingjaar te zijn ontstaan. De aanslag is voortijdig opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11, geldigheid: 2005-01-26
Gemeentewet 217, geldigheid: 2005-01-26
Gemeentewet 223, geldigheid: 2005-01-26
Gemeentewet 231, geldigheid: 2005-01-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0268

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

26 januari 2005

nummer BK-03/02055

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van belastingen van de gemeente Veere (hierna: de Inspecteur), betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslagen en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 maart 2003 voor het jaar 2003 een aanslag in de forensenbelasting opgelegd.

1.2. Het tegen de aanslag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 31. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Een eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de eerste enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof van 15 juni 2004, gehouden te Middelburg. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Vervolgens is de zaak verwezen naar de derde meervoudige belastingkamer. Een tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 15 december 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Ter zitting is tevens behandeld het beroep van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de forensenbelasting voor het jaar 2003 met kenmerk BK-03/00589. Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in die zaak geldt tevens als aangevoerd en overgelegd in de onderhavige zaak.

3. Verordening

De raad van de gemeente Veere heeft in zijn openbare vergadering van 14 november 2002 vastgesteld de Verordening forensenbelasting 2003 (hierna: de Verordening). De Verordening is in werking getreden op 19 december 2002. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op 11 december 2002 bekendgemaakt in een plaatselijk blad, onder vermelding dat de verordening voor een ieder ter inzage lag en dat een afschrift te verkrijgen is tegen betaling van leges. De tekst van de Verordening behoort in kopie tot de stukken van het geding.

4. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende had in het onderhavige jaar geen hoofdverblijf in de gemeente Veere.

4.2. Belanghebbende was in het onderhavige jaar voor een zesde deel eigenaar van een gemeubileerde vakantiewoning op het adres a-straat 1 te Q, gemeente Veere (hierna: de vakantiewoning). De andere eigenaren zijn de broer en de zuster van belanghebbende, elk voor een zesde deel, en de tante van belanghebbende, voor de helft.

4.3. Ieder jaar wordt de woning gedurende een periode van ongeveer tien dagen verhuurd aan een zekere heer A.

4.4. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 maart 2003 voor het jaar 2003 een aanslag in de forensenbelasting opgelegd wegens het in dat jaar op meer dan negentig dagen voor zich of zijn gezin beschikbaar houden van een gemeubileerde woning, te weten zijn vakantiewoning.

4.5. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend met de stelling dat hij de vakantiewoning niet voor meer dan negentig dagen tot zijn beschikking heeft gehad. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

4.6. Voorafgaand aan de zitting van 15 juni 2004 heeft belanghebbende het Hof een schriftelijke verklaring gefaxt waarin de reeds jaren gevolgde mondelinge afspraken met betrekking tot de beschikbaarheid van de vakantiewoning voor elk van de eigenaren is vastgelegd.

4.7. Bij brief van 1 december 2004 heeft belanghebbende het Hof een kostenoverzicht met toelichting gezonden alsmede een overzicht voor onder meer het jaar 2003 van de via de bankrekening betreffende de vakantiewoning binnenkomende en uitgaande betalingen.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag in de forensenbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

De Inspecteur heeft ter zitting van 15 juni 2004 toegezegd dat de aan de broer en de zuster van belanghebbende opgelegde aanslagen in de forensenbelasting met betrekking tot de vakantiewoning voor de jaren 2001, 2002 en 2003 zullen worden afgedaan conform de uitspraak in de de onderhavige zaak en die met kenmerk BK-03/00589.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. Conclusies van partijen

6.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de aanslag.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

7. Overwegingen omtrent het geschil

7.1. In artikel 6 van de Verordening is bepaald dat het belastingjaar gelijk is aan het kalenderjaar. In artikel 7 van de Verordening is bepaald dat de belasting bij wege van aanslag wordt geheven. In verband met het bepaalde in artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet is derhalve op de heffing van de forensenbelasting hoofdstuk III van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) van toepassing.

7.2. In het systeem van hoofdstuk III van de AWR kan, ingeval de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven - en de belastingplicht niet in de loop van het tijdvak eindigt - een definitieve aanslag pas na afloop van het heffingstijdvak worden opgelegd.

7.3. Op grond van artikel 2 van de Verordening wordt onder de naam forensenbelasting een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Deze formulering houdt in dat, nu het gehele belastingjaar, ofwel op grond van artikel 6 van de Verordening het gehele kalenderjaar, in aanmerking moet worden genomen en het beschikbaar houden zich gedurende afwisselende tijdvakken binnen het kalenderjaar kan voordoen, de vraag of zich een belastbaar feit heeft voorgedaan, eerst na afloop van het kalenderjaar kan worden beantwoord. Een definitieve aanslag forensenbelasting kan derhalve eerst na afloop van het heffingstijdvak, het kalenderjaar, worden opgelegd.

7.4. De onderhavige aanslag is gedagtekend 31 maart 2003. De Verordening bevat geen bepaling op grond waarvan de belastingschuld geacht kan worden vóór de afloop van het belastingtijdvak te zijn ontstaan. Gelet op het vorenstaande is de aanslag voortijdig opgelegd. Er is geen aanleiding de aanslag gelijk te stellen met een na afloop van het jaar opgelegde aanslag. Reeds op die grond moeten de bestreden uitspraak en de aanslag worden vernietigd (vgl. HR 2 november 1994, nr. 29 595, BNB 1995/12*).

7.5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond.

8. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaak met het nummer BK-03/00589 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 46,86 wegens reiskosten, waarvan te dezen de helft, derhalve € 23,43 in aanmerking wordt genomen. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

9. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep, alsmede de bestreden aanslag,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 23,43, onder aanwijzing van de gemeente Veere als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de gemeente Veere het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 31 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Schuurman, Vierhout en Bouman. De beslissing is op 26 januari 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van Duijvendijk)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.