Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:AS2242

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
174-H-04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwe;lijksgemeenschap. Toepasselijk recht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 93
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 181
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/126

Uitspraak

Uitspraak : 12 januari 2005

Rekestnummer : 174-H-04

Rekestnr. rechtbank : 03-3911

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. D.J.G. Timmermans,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.W. Bogaardt.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 18 februari 2004 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de recht-bank te ‘s-Gravenhage van 19 november 2003.

De man heeft op 7 april 2004 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 8 maart 2004 en 8 april 2004 aanvullende stuk-ken ingekomen.

Bij afzonderlijke faxberichten van 2 december 2004 hebben mr. K. Boukema, de advocaat van de vrouw, en mr. J.W. Boogaardt, de procureur van de man, het hof laten weten dat zijzelf noch partijen ter terechtzitting van 3 december 2004 zullen verschijnen. Zij hebben het hof ver-zocht de zaak schriftelijk af te doen. Om die reden is de zaak niet mondeling behandeld.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger be-roep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op [datum] te [plaats], Cyprus met elkaar gehuwd. Zij hebben samen geen minderjarige kinderen.

Op 7 juli 2003 heeft de man bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met een nevenverzoek ingediend. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en ten aanzien van de partneralimentatie, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, tus-sen partijen de echtscheiding uit te spreken. Zij verzoekt verder de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te verdelen waarbij aan haar wordt toegewezen een vordering op de man voor een bedrag van € 10.000,- wegens overbedeling alsmede de helft van de bankte-goeden van de man. Tot slot verzoekt de vrouw met ingang van 19 november 2003 een part-neralimentatie ten laste van de man vast te stellen van € 300,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.

3. De man heeft het beroep van de vrouw gemotiveerd weersproken. Hij verzoekt het beroep af te wijzen, zonodig onder verbetering van gronden, en de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

Echtscheiding

4. In het eerste onderdeel van het petitum verzoekt de vrouw het hof de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking echter reeds de echtscheiding uitge-sproken. Dit betekent dat de vrouw geen belang heeft bij het desbetreffende onderdeel van het petitum en ter zake niet-ontvankelijk is.

Toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime

5. In haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte niet de verdeling heeft bevolen van de huwelijksgoederengemeenschap. Aangezien geen van partijen in eerste aanleg de verdeling heeft verzocht en de rechtbank niet ambtshalve verplicht is de verdeling te gelasten, zal het hof deze grief beschouwen als nevenverzoek in de zin van artikel 827 lid 1 sub b Rv. Alvorens over de verdeling te kunnen oordelen, dient het hof - gelet op de inter-nationale aspecten die de onderhavige zaak kent - eerst vast te stellen welk recht het huwe-lijksvermogensregime van partijen beheerst. Het hof overweegt hierover als volgt.

6. Partijen zijn op [datum], derhalve na inwerkingtreding van het Haags Huwelijks-vermogensverdrag van 1978 op [1 september 1992], te Cyprus met elkaar gehuwd. Dit bete-kent dat het op de vermogensrechtelijke verhouding toepasselijke recht in het onderhavige geval dient te worden bepaald aan de hand van de bepalingen van dit Verdrag.

7. Uit de door partijen aan het hof overgelegde stukken valt niet af te leiden of zij voorafgaan-de aan de huwelijksvoltrekking een op hun toekomstige huwelijksvermogensrechtelijke ver-houding toepasselijk recht hebben gekozen. Vast staat dat, nu de man zowel de Nederlandse als de Israëlische nationaliteit heeft, en de vrouw de Oekraïense nationaliteit, partijen geen ge-zamenlijke nationaliteit hebben. Evenmin valt aan de hand van de overgelegde stukken van het geding vast te stellen in welk land partijen hun eerste gewone verblijfplaats na hun huwelijk hebben gevestigd. Zij zijn weliswaar te Cyprus met elkaar gehuwd, maar het hof is niet geble-ken dat zij aldaar nadien ook hun eerste gewone verblijfplaats hebben gevestigd.

8. Mitsdien dient het hof na te gaan met het recht van welke Staat deze verhouding, alle om-standigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden. Aangezien partijen niet ter terechtzitting in hoger beroep zijn verschenen om het hof hierover nadere inlichtingen te ver-schaffen, zal het hof dit vaststellen aan de hand van de overgelegde stukken. Daaruit blijkt dat de man voorafgaande aan het huwelijk in Nederland woonde en thans hier ook woonachtig is. Verder blijkt uit de stukken dat partijen de intentie hadden om na de huwelijkssluiting samen in Nederland te gaan wonen en dat zij na de huwelijkssluiting hier te lande daadwerkelijk samen hebben gewoond in het huis van de man, zij het dat deze samenleving van zeer korte duur is geweest. Gelet op deze omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, is het hof van oor-deel dat de huwelijksvermogensrechtelijke verhouding van partijen het nauwst verbonden is met Nederland. Het huwelijksvermogensregime wordt dan ook beheerst door Nederlands recht.

Huwelijksvermogensregime

9. Uit de stukken blijkt niet dat partijen vóór het sluiten van hun huwelijk dan wel tijdens de duur daarvan huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan. Het hof gaat er ingevolge de hoofd-regel van artikel 1:93 BW vanuit dat partijen in algehele gemeenschap van goederen ge-huwd zijn geweest.

Verdeling

10. Met betrekking tot de door de vrouw in hoger beroep verzochte verdeling heeft zij gesteld dat de man ‘een aardig vermogen’ heeft, legt zij een aantal facturen over ‘betreffende allerlei zaken waarmee de woning van partijen is ingericht’, en stelt zij dat in de woning waar de man nu verblijft ‘uiteraard nog veel meer zaken waar de vrouw geen facturen van heeft’ zijn. De waarde van de inboedelgoederen stelt zij op € 20.000,-. Voorts voert de vrouw aan dat ‘de man nog banktegoeden op zowel binnenlandse als buitenlandse bankrekeningen’ heeft. De man heeft bestreden dat partijen in gemeenschap van goederen gehuwd zijn, en gesteld dat de ‘kasbonnen (...) uitgaven [betreffen] door de vrouw, met het pasje van de man, waarvan hij niet verder op de hoogte is geweest en welke zijn instemming ook nimmer gehad hebben’. Voorts stelt hij dat de waarde van zijn inboedel een bedrag van € 3.000,- (veilingwaarde) niet te boven gaat.

11. Uitgaande van het oordeel van het hof in rechtsoverweging 9 dat partijen gehuwd zijn in gemeenschap van goederen, dan is voor een verdeling van die gemeenschap vereist dat de samenstellende delen van de gemeenschap genoegzaam bekend zijn. Nu die samenstelling niet, althans niet voldoende kenbaar is, zal het hof - rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang en gebruikmakend van de hem toekomende bevoegdheid het geschil zo te beslechten als hem verantwoord voorkomt - over-gaan tot benoeming van een notaris en van onzijdige personen als genoemd in artikel 3:181 lid 1 BW.

Alimentatie

12. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte geen partneralimentatie heeft vastgesteld. Zij stelt dat zij behoefte heeft aan een aanvullende partneralimentatie ten laste van de man van € 300,- per maand. Zij voert daartoe aan dat zij zelf per maand € 500,- netto verdient en dat zij behoeftig is.

13. De man betwist allereerst dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende partnerali-mentatie. Hij voert daartoe aan dat hem gebleken is dat de vrouw werkzaam is geweest op de Israëlische ambassade en aldaar een genoegzaam inkomen heeft genoten. Hij stelt verder dat de vrouw haar eventuele recht op alimentatie heeft verwerkt nu hem is gebleken dat zij gedu-rende de periode dat zij op de Israëlische ambassade heeft gewerkt, een relatie heeft gehad met de consul. De man stelt voorts dat het huwelijk van partijen van zo korte duur is geweest dat het toekennen van alimentatie onredelijk is en dat, indien er wel alimentatie zou worden toegekend, de duur van de alimentatieverplichting niet langer dient te zijn dan de tijd dat het huwelijk feitelijk heeft geduurd. De man stelt tot slot dat zijn draagkracht slechts een alimen-tatie toelaat van maximaal € 90,- per maand.

14. Ook hier is het hof van oordeel dat, gelet op het feit dat geen van partijen in eerste aanleg om een regeling strekkende tot het toekennen van een uitkering tot levensonderhoud heeft verzocht, de rechtbank niet ambtshalve verplicht was zodanige regeling te treffen. Het hof zal deze grief dan ook beschouwen als een nevenverzoek in de zin van artikel 827 lid 1 sub a Rv.

15. Aangezien de echtscheiding door de rechtbank is uitgesproken met toepassing van Neder-lands recht, zal het hof het verzoek van de vrouw tot toekenning van een uitkering tot levens-onderhoud eveneens beoordelen naar Nederlands recht.

16. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar behoefte aan een partneralimentatie in de aan het hof overgelegde stukken niet heeft aangetoond en evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Reeds om die reden is het hof van oordeel dat het verzoek van de vrouw dient te worden afge-wezen. De door de man aangevoerde overige verweren ten aanzien van de alimentatie behoe-ven derhalve geen bespreking meer.

Conclusie

17. Het bovenstaande betekent

- dat de vrouw niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek (nogmaals) de echt-scheiding uit te spreken;

- dat het nevenverzoek tot verdeling leidt tot de beslissing dat dient te worden overgegaan tot de verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende gemeenschap van goederen, nadat deze is of zal zijn ontbonden, en de benoeming van een notaris en onzijdige perso-nen krachtens de wet;

- dat het nevenverzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie dient te worden afgewezen.

Kostenveroordeling

18. De man heeft nog verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van de onderhavige pro-cedure. Het hof acht hiertoe echter geen gronden aanwezig. Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek de echtscheiding uit te spreken;

bepaalt dat de man en de vrouw dienen over te gaan tot de verdeling van de tussen hen be-staan hebbende gemeenschap van goederen, nadat deze is of zal zijn ontbonden;

benoemt, indien de man en de vrouw zich niet binnen een maand na het in kracht van gewijs-de gaan van deze beschikking, voor zover die betrekking heeft op de verdeling, over de keuze van een notaris kunnen verstaan, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen geschieden:

mr. J.A.J. Setz, notaris ter plaats van vestiging ’s-Gravenhage of diens waarnemer of ambts-opvolger als protocolhouder;

bepaalt dat de man en de vrouw voor de gekozen of benoemde notaris te dien einde moeten verschijnen op door deze te bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon om de man, indien hij mocht weigeren voor de notaris te ver-schijnen, of, indien verschenen zijnde, mocht weigeren tot de verdeling mee te werken, te ver-tegenwoordigen en hetgeen hij mocht ontvangen te beheren;

mr J.G Schnoor, advocaat en procureur te ’s-Gravenhage;

benoemt tot onzijdig persoon om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor de notaris te ver-schijnen, of, indien verschenen zijnde, mocht weigeren tot de verdeling mee te werken, te ver-tegenwoordigen en hetgeen zij mocht ontvangen te beheren;

mr. M.Y. van der Bijl, advocaat en procureur te ’s-Gravenhage;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat ieder van partijen diens ei-gen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Duindam en Van der Burght, bijge-staan door mr. Sierksma als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 12 januari 2005.