Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2005:951

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
BK-03-01202.su.bp.mb04
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de voorbelasting ter zake van de verbouwingen en inrichting van de woningen en appartementen in aftrek kon worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

vierde meervoudige belastingkamer

25 februari 2005

nummer BK-03/01202

UITSPRAAK

op het beroep van de vennootschap onder firma [X] V.O.F. te [Z] tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rijnmond, betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1 Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 1998 tot en met 1 mei 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 95.122.

1.2.

Het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2 Loop van het geding

2.1.

Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 232. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 14 januari 2005, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende mr. [A] en tot zijn bijstand [B] alsmede namens de Inspecteur mr. [C] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3 Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is een - in de hoedanigheid van een vennootschap onder firma handelend - tijdelijk samenwerkingsverband van een vijftal aannemingsbedrijven. Twee van deze bedrijven zijn gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland, de andere drie in Nederland. Doel van het samenwerkingsverband is het realiseren van de bouw van de [D] in de [E] nabij [F] . Belanghebbende is voor de heffing van omzetbelasting aan te merken als ondernemer.

3.2.

Werknemers van de Duitse vennoten van belanghebbende die aan het onderhavige project werkten verbleven gedurende de bouw van de tunnel steeds drie weken in Nederland. Daarna gingen zij een week naar huis in Duitsland. De werknemers werkten volcontinu in drieploegendienst.

3.3.

In Duitsland hebben bouwbedrijven de verplichting voor een verblijfplaats te zorgen in gevallen dat werknemers niet eenvoudig van hun woonplaats naar de bouwplaats en terug kunnen reizen. Belanghebbende droeg zorg voor het verblijf van de onder punt 3.2 bedoelde werknemers. Daartoe heeft belanghebbende 28 woningen en appartementen in eigendom verworven.

3.4.

Belanghebbende heeft door middel van daartoe met betrokken ondernemers gesloten overeenkomsten opdracht verstrekt om aan de hiervoor bedoelde woningen en appartementen verbouwingen te verrichten met het oog op de bewoning door drie of vier werknemers per woning of appartement en heeft op gelijke wijze goederen aangeschaft om deze woningen en appartementen vervolgens in te richten. Belanghebbende heeft de ter zake daarvan ontvangen facturen voldaan en aldus de aan haar in rekening gebrachte voorbelasting ter zake van de verbouwingen en inrichting van de woningen en appartementen in aftrek gebracht.

3.5.

Belanghebbende zorgde alleen voor de hier bedoelde tijdelijke verblijfplaats in Nederland wanneer dat noodzakelijk was voor de in verband met de bouw van de tunnel te verrichten werkzaamheden.

4 Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de voorbelasting ter zake van de verbouwingen en inrichting van de woningen en appartementen in aftrek kon worden gebracht, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2.

De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat de onderhavige prestaties waarvoor aan belanghebbende omzetbelasting in rekening is gebracht niet door haar werden gebezigd in het kader van haar onderneming. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat het gebruik van de woningen en appartementen moet worden aangemerkt als vrijgestelde verhuur van onroerende zaken welke als woningen worden gebruikt, en meer subsidiair dat de goederen en diensten zijn gebezigd voor het verlenen van huisvesting aan het personeel van de ondernemer, zij het dat niet aannemelijk is dat belanghebbende de werknemers wilde bevoordelen. Belanghebbende bestrijdt deze standpunten.

4.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5 Conclusies van partijen

5.1.

Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6 Overwegingen omtrent het geschil

6.1.

Aangaande het primaire standpunt van de Inspecteur dat belanghebbende de onderhavige prestaties niet heeft gebezigd in het kader van haar onderneming overweegt het Hof dat zij die prestaties, naar tussen partijen vaststaat, heeft gebezigd met het oog op het tijdelijk huisvesten van werknemers die te ver van de werkplek wonen voor dagelijks woon-werkverkeer. Daardoor bestaat, mede gelet op hetgeen onder 3.4 en 3.5 is vastgesteld, een rechtstreeks verband tussen de onderhavige prestaties waarvoor belanghebbende de voorbelasting in aftrek wenst te brengen en belanghebbendes ondernemersactiviteiten. Onder die omstandigheid kan niet worden gezegd dat belanghebbende de desbetreffende prestaties niet in het kader van haar onderneming heeft gebezigd. Dat belanghebbende een bouwcombinatie is en geen prestaties op het terrein van hotel-, pension- en vakantiebestedingsbedrijf verricht, zoals de Inspecteur stelt, doet aan dat oordeel zonder meer niet af. Op dit punt is het gelijk aan de zijde van belanghebbende.

6.2.

Voor zijn stelling dat de Duitse participanten van belanghebbende een vergoeding hebben betaald voor het gebruik van de woningen en appartementen heeft de Inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende geen bewijzen overlegd. Ook overigens is niet gebleken dat belanghebbende voor het ter beschikking stellen van de woningen en appartementen een vergoeding heeft ontvangen. Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 2001, nr. C-326/99 (Goed Wonen), BNB 2002/306, 9 oktober 2001, nr. C-108/99 (Cantor Fitzgerald International), V-N 2001/58.20 en 8 mei 2003, nr. C-269/00 (Seeling), BNB 2004/1 oordeelt het Hof dat, nu voor het gebruik van de woningen en appartementen geen vergoeding is ontvangen, geen sprake is van verhuur en evenmin van een prestatie die moet worden gelijkgesteld met vrijgestelde verhuur.

6.3.1.

Het meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur, waarin hij stelt dat een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 oktober 1997,

nr. C-258/95 (Julius Fillibeck Söhne GmbH & Co), V-N 1998/2.35 belanghebbende niet kan baten, faalt eveneens. In de rechtsoverwegingen 29 tot en met 31 van dat arrest heeft het Hof van Justitie voor de uitlegging van artikel 6, tweede lid, van de Zesde richtlijn ter zake van het in die zaak voorliggende geschil geoordeeld dat moet worden erkend dat het in bijzondere omstandigheden wegens de behoeften van de onderneming nodig kan zijn dat de werkgever zelf voor het vervoer van zijn werknemers tussen hun woning en hun plaats van tewerkstelling zorgt. In dergelijke bijzondere omstandigheden dient het door de werkgever georganiseerde vervoer geen andere dan bedrijfsdoeleinden. Het persoonlijk voordeel voor de werknemer is in voorkomend geval slechts ondergeschikt aan de bedrijfsdoeleinden.

6.3.2.

Nu gegeven de specifieke omstandigheden van dit geval niet anders kan worden gezegd dan dat het tijdelijk huisvesten van de werknemers in Nederland, gelet op de grote afstand tussen hun woningen en het werk gevoegd bij de continue drieploegendienst en het zeer specialistische karakter van de door de werknemers te verrichten activiteiten, vanuit belanghebbendes bedrijf bezien noodzakelijk was, oordeelt het Hof dat de onderhavige uitgaven primair in het belang van de onderneming zijn gedaan en dat het persoonlijk voordeel voor de werknemers, die zelf overigens geen enkele invloed hadden op het verblijf in Nederland, van ondergeschikt belang was, zodat het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 hier geen toepassing vindt.

6.4.

Nu ook overigens niet is gebleken dat belanghebbende de onderhavige prestaties heeft gebezigd voor niet-aftrekgerechtigde doeleinden, voert vorenoverwogene het Hof tot de conclusie dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is.

7 Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op

€ 1.288 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322 x 2 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

8 Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.288, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

  • -

    gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 232 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Tromp en Braun. De beslissing is op 25 februari 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van der Zande)

(Sanders)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. . Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. . Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  3. - de naam en het adres van de indiener;

  4. - de dagtekening;

  5. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.