Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AS8350

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2004
Datum publicatie
01-03-2005
Zaaknummer
BK-02/04666
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

anoniementarief; kenbaarheid id-bewijzen; artikel 26b en 28 LB

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67g
Wet op de identificatieplicht 1
Wet op de loonbelasting 1964 26b
Wet op de loonbelasting 1964 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/20.1.7
FutD 2005-0460 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer

28 oktober 2004

nummer BK-02/04666

UITSPRAAK

op het beroep van X, te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur P,.

1. Naheffingsaanslag, beschikking en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd ten bedrage van € 46.827.

Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van de artikelen 67f en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van € 23.413 (50 percent).

1.2. Het tegen de aanslag en beschikking gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 16 september 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Ter zitting is tevens behandeld het beroep van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999. Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in die zaak geldt tevens als aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende dreef onder andere in het onderhavige jaar onder de handelsnaam A in de vorm van een eenmanszaak een onderneming waarvan de ondernemingsactiviteit bestaat uit de exploitatie van een agrarisch loonbedrijf. Belanghebbende is op 12 januari 2004 met het bedrijf gestopt.

3.2. Op 5 maart 2001 heeft bij belanghebbende een zogenoemd deblokkeringsonderzoek plaatsgehad, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 25 januari 1999 tot en met 31 december 2000 is onderzocht. De gevraagde deblokkering is toegestaan. In het rapport is door de controlerend ambtenaar ten aanzien van de identificatieplicht van werknemers uitsluitend, en zonder enig voorbehoud, opgenomen dat tijdens het onderzoek is gebleken dat ten aanzien van het onderhavige jaar niet alle kopie-paspoorten aanwezig waren en is als afspraak genoteerd dat bij een volgend onderzoek alle ID-bewijzen, zoals kopie-paspoorten, bij de loonadministratie aanwezig dienen te zijn. Niet is geconcludeerd dat er sprake is van valse of vervalste documenten.

3.3. Op 5 oktober 2001 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgehad, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over de jaren 1999 en 2000 is onderzocht. Naar aanleiding van de controle heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor de jaren 1999 en 2000 naheffingsaanslagen in de loonbelasting opgelegd, aangezien bij de controle van de in de loonadministratie aanwezige kopie-identiteitsbewijzen is gebleken dat een aantal van deze identiteitsbewijzen ongeldig, onvolledig danwel vervalst zijn en belanghebbende daarnaast niet altijd de identiteit van de werknemers heeft vastgesteld. Het betreft zowel Nederlandse als buitenlandse identiteitsbewijzen.

Voor het onderhavige jaar betreft het de werknemers B t/m J.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd rekening houdend met het zogenoemde anoniementarief (artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964; hierna: de Wet) onder verrekening van de door belanghebbende reeds ingehouden loonheffing.

Bij brief van 20 augustus 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende een uitgebreide opgaaf gedaan van de door de Inspecteur bevonden onregelmatigheden met betrekking tot de identiteitsbewijzen.

3.4. In de onderhavige zaak is bij de gedingstukken een afschrift gevoegd van de toepasselijke bepalingen van de Handleiding Loonbelasting 2000. In de Handleiding is opgenomen dat een inhoudingsplichtige de identiteit van de werknemer moet vaststellen en wordt opgesomd welke identiteitsbewijzen als geldig identiteitsbewijs gelden. Met betrekking tot echtheidskenmerken van deze identiteitsbewijzen en attentiepunten bij de controle hiervan is niets opgenomen.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ter zitting heeft de Inspecteur gesteld dat omkering van de bewijslast moet plaatsvinden. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur bij deze stelling geen belang heeft, nu omkering van de bewijslast niet zou leiden tot een andere materiële toets dan het Hof aan zou leggen zonder die omkering.

6.2.1. De Inspecteur concludeert primair dat het anoniementarief dient te worden toegepast aangezien belanghebbende de vaststelling van de identiteit van de desbetreffende werknemers, naar belanghebbendes eigen zeggen, niet direct heeft gecontroleerd aan de hand van een origineel identificatiebewijs (hierna: ID-bewijs) waarvan hij zelf een kopie heeft gemaakt, maar op basis van een kopie van het ID-bewijs, dat door de werknemer is overgelegd waarna steeds eerst de daaropvolgende dag het originele ID-bewijs werd overgelegd en getoond.

6.2.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet is de inhoudingsplichtige gehouden de identiteit van de loon uit tegenwoordige arbeid genietende werknemer vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen. Ingevolge artikel 23a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (tekst 2000) stelt de inhoudingsplichtige zodra de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt diens indentiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

6.2.3. Gesteld noch gebleken is dat bij één van de genoemde werkgevers het originele ID-bewijs niet vóór de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden is overgelegd en getoond. Het Hof acht aannemelijk dat de desbetreffende werknemers steeds voor de aanvang van de werkzaamheden het originele ID-bewijs hebben overgelegd en getoond. Derhalve is in zoverre voldaan aan de door de Wet gestelde eisen met betrekking tot de identificatie van werknemers en is het anoniementarief niet reeds op deze grond van toepassing.

6.3.1. De Inspecteur heeft subsidiair gesteld dat er sprake is van valse of vervalste documenten en dat deze voor belanghebende kenbaar vals of vervalst moeten zijn geweest. Van een ondernemer in de uitzendbranche/loonbedrijven kan volgens de Inspecteur worden verwacht dat hij zich terdege op zijn beroepsactiviteit voorbereidt. In dit verband zijn er diverse informatiebronnen waar belanghebbende zijn voor de controle benodigde informatie kan vergaren. In een aantal gevallen wijkt de handtekening op de identiteitsbewijzen af van die op de loonbelastingverklaringen. De naheffingsaanslagen zijn dan ook terecht opgelegd.

6.3.2. Bij de beoordeling of het voor belanghebbende kenbaar moest zijn of sprake was van valse of vervalste documenten acht het Hof van belang dat er geen wettelijke bepalingen zijn die aangeven welke procedure een inhoudingsplichtige moet volgen om de echtheid van een document vast te stellen of anderszins wat van een inhoudingsplichtige op dit punt verwacht mag worden. Ook in de Handleiding Loonbelasting is, zoals onder 3.4 reeds aangehaald, niets over bijvoorbeeld echtheidskenmerken van ID-bewijzen opgenomen. Ook neemt het Hof bij zijn oordeelsvorming mee dat bij het deblokkeringsonderzoek niet is geconstateerd dat sprake zou zijn geweest van valse of vervalste ID-bewijzen. Het Hof hanteert de uitgebreide uiteenzetting van bevonden onregelmatigheden met betrekking tot de ID-bewijzen als bedoeld onder 3.3, de overgelegde kopieën van ID-bewijzen en loonbelastingverklaringen als uitgangspunt.

6.3.3.1. Van werknemer B is een kopie van een Turks paspoort in de administratie van belanghebbende opgenomen. In dit paspoort is een zogenoemde "verblijfsaantekening" opgenomen, waarin staat dat uitzetting achterwege wordt gelaten hangende een beslissing op een bezwaar, administratief beroep of een beroep bij de rechtbank. Van werknemer F is een kopie van een Turks paspoort in de administratie opgenomen.

6.3.3.2. Artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de WID) naar welk artikel artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet verwijst, noemt, voor zover hier van belang, twee soorten documenten, namelijk kort gezegd in de eerste plaats documenten als bedoeld in de Paspoortwet, waarmee uitsluitend door Nederland uitgegeven reisdocumenten worden bedoeld, en in de tweede plaats documenten als bedoeld in de Vreemdelingenwet. Uit de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit volgt dat de vreemdeling moet beschikken over hetzij een geldig paspoort waarin door de bevoegde autoriteiten een, al dan niet voorwaardelijke, vergunning tot verblijf is aangetekend, hetzij een door de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit van het bestaan van een dergelijke vergunning blijkt, hetzij een document waaruit blijkt dat het de vreemdeling is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven of dat door hem een aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend (vgl. HR 22 december 1999, nr. 34 232, onder meer te kennen uit V-N 2000/6.11).

6.3.3.3. Naar 's Hofs oordeel is met de verblijfsaantekening in het paspoort van B voldaan aan de eisen van artikel 1 van de WID, zodat de Inspecteur ten aanzien van werknemer B ten onrechte een naheffingsaanslag heeft opgelegd.

Met betrekking tot het paspoort van de werknemer F is niet aan de eisen van artikel 1 van de WID voldaan. Met betrekking tot deze werknemer is derhalve terecht een naheffingsaanslag opgelegd.

6.3.4. Ten aanzien van de ID-bewijzen van de werknemers

C, D en J is het Hof van oordeel dat de geconstateerde gebreken van dien aard zijn dat redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat het voor een ieder duidelijk was dat sprake was van valse of vervalste documenten, aangezien het hier geen in het oog springende afwijkingen betreft. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten onderkennen dat sprake was van valse of vervalste documenten.

6.3.5. Ten aanzien van de werknemers E, G, H en I wijken de handtekeningen op de ID-bewijzen duidelijk af van die van de loonbelastingverklaringen. Het Hof is van oordeel dat dit een dusdanig in het oog springende afwijking is dat belanghebbende redelijkerwijs had moeten onderkennen dat er (mogelijkerwijs) sprake was van valse of vervalste documenten.

6.4. Gelet op al het vorenoverwogene dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot een bedrag van ƒ 28.355.

6.5. Met betrekking tot de boete is het Hof van oordeel dat sprake is van grove schuld, waarbij een boete van 25 percent in het kader van norminscherping passend en geboden is. Het Hof is echter van oordeel dat gelet op de financiële omstandigheden van belanghebbende, die hij ter zitting ter sprake heeft gebracht en die de Inspecteur niet heeft weersproken, plaats is voor een matiging van de boete tot 10 percent, neerkomend op een bedrag van € 2.835.

6.6. Gelet op het al het vorenoverwogene is het beroep gedeeltelijk gegrond.

7. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaak met het nummer BK-02/04665 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op

€ 1.288 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322 x 2 (gewicht van de zaak)), waarvan te dezen de helft, derhalve € 644 in aanmerking wordt genomen.

Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 28.355,

- vrmindert de boete tot € 2.835,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 28 oktober 2004 door mrs. Vonk, Van Walderveen en Van den Steenhoven. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van de Vijver.

(Van de Vijver)

(Vonk)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

nummer BK-02/04666 blz. 7/8