Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AR7451

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
14-12-2004
Zaaknummer
2200148804
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2004:AO5995
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft na afloop van het vieren van zijn verjaardag, waarbij hij een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd, op straat woorden gekregen met het latere slachtoffer. De verdachte is het slachtoffer aangevlogen en heeft hem geslagen, diverse malen hard in de maagstreek en tegen de slaap geschopt en met de hak van zijn schoen op (de zijkant van) het gezicht getrapt. De verdachte is doorgegaan toen het slachtoffer inmiddels bewegingloos op de grond lag. De verdachte reageerde niet op opmerkingen van omstanders om te stoppen. Pas toen één van de omstanders de verdachte beetpakte en wegtrok is er een einde gekomen aan de explosie van geweld. Het slachtoffer heeft enige tijd in coma gelegen, heeft zeer ernstig hersenletsel opgelopen en is - ook na revalidatie - geheel hulpbehoevend, - naar het zich laat aanzien voor de rest van zijn leven - aangewezen op verzorging in een verpleeghuissetting en gekluisterd aan een rolstoel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer(s) 09-926082-03 en 09-053607-03

Datum uitspraak 12 november 2004

Tegenspraak

Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 maart 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 27 augustus 2004 en 29 oktober 2004.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis. Voorts is de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair: Poging tot doodslag.

2. Mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer c.q. noodweer-exces en op die grond ontslag van rechtsvervolging bepleit.

Het hof acht dit beroep ongegrond.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte in plaats van zich te onttrekken aan de situatie daarentegen zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht.

Het enkele feit dat het slachtoffer - zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld - met zijn hand in de richting van zijn broekszak ging door welke beweging de verdachte dacht dat het latere slachtoffer een wapen zou pakken, levert geen onmiddellijke wederrechtelijke aanranding op en evenmin een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en is absoluut geen reden om het slachtoffer vervolgens zelf te lijf te gaan.

Nu er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, gaat het beroep op noodweer dan wel op noodweer-exces niet op.

Voor zover de raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte een black-out heeft gehad nadat het slachtoffer in de richting van zijn broeksband greep is dit niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft verklaard dat hij gemerkt heeft dat het slachtoffer op de grond terechtkwam.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van der Horst heeft ter terechtzitting van 27 augustus 2004 gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest en met beslissing omtrent het inbeslaggenomene zoals in eerste aanleg is opgelegd, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 20.000,- en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ad EUR 20.000,-.

De advocaat-generaal mr. Plugge heeft ter terechtzitting van 29 oktober 2004, mocht het hof van oordeel zijn dat de benadeelde partij kan worden ontvangen, gepersisteerd bij die vordering tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzittingen van 27 augustus 2004 en 29 oktober 2004.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft na afloop van het vieren van zijn verjaardag, waarbij hij een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd, op straat woorden gekregen met het latere slachtoffer. De verdachte is het slachtoffer aangevlogen en heeft hem geslagen, diverse malen hard in de maagstreek en tegen de slaap geschopt en met de hak van zijn schoen op (de zijkant van) het gezicht getrapt. De verdachte is doorgegaan toen het slachtoffer inmiddels bewegingloos op de grond lag. De verdachte reageerde niet op opmerkingen van omstanders om te stoppen. Pas toen één van de omstanders de verdachte beetpakte en wegtrok is er een einde gekomen aan de explosie van geweld. Het slachtoffer heeft enige tijd in coma gelegen, heeft zeer ernstig hersenletsel opgelopen en is - ook na revalidatie - geheel hulpbehoevend, - naar het zich laat aanzien voor de rest van zijn leven - aangewezen op verzorging in een verpleeghuissetting en gekluisterd aan een rolstoel.

De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig misdrijf, waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn en waardoor onherstelbaar leed aan het slachtoffer en zijn directe familieleden - waaronder twee kinderen - is toegebracht.

Daarnaast veroorzaakt een dergelijk schokkend feit, op de openbare weg gepleegd, gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving.

Het hof houdt verder rekening met het feit dat de verdachte nog kort voor dit feit met de politie in aanraking is geweest ter zake een mishandeling die onder feit 2 is tenlastegelegd.

Het hof is unaniem van oordeel dat de straf door de rechtbank opgelegd geen recht doet aan de ernst van feit 1 en dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en met 6 (blijkens de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen) zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft M. [naam] voor het slachtoffer M. van de [naam1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 20.000,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Het hof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van de benadeelde partij het volgende overwogen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 5 maart 2004 is aldaar verschenen een persoon opgevende te zijn M. [naam], die heeft verklaard voor M. van de [naam1], wonende te 's-Gravenhage, een vordering benadeelde partij in te dienen ter hoogte van 20.000 euro als voorschot terzake van immateriële schade, geleden als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde. De vordering is ondertekend door M. [naam], volgens opgave geboren op 29 mei 1969 en wonende te Delft.

Bij de vordering is gevoegd een "toelichting vordering schadevergoeding" opgesteld door mr. Nobel van het Bureau Rechtshulp te Den Haag en gedateerd 24 februari 2004.

Dit schrijven houdt onder meer in:

"Marcel van de [naam1] is op 27 november 2003 (..) in kritieke toestand met een ambulance afgevoerd naar het Medisch Centrum Haaglanden. Daar werd onder meer een kaakfractuur, een neusfractuur, een verwonding aan het oog en een bloeding aan de hersenen geconstateerd. Onmiddellijk is er in verband met de bloeding in de hersenen een drukmeter in de hersenen geplaatst, voor de beademing een tracheosloma en voor de voeding een sonde aan gelegd en de kaak geopereerd en hersteld middels osteosynthese. De eerste paar dagen is Marcel kunstmatig in coma gehouden. Daarna heeft het geruime tijd geduurd voordat hij bij kennis kwam. Echter hij is tot op heden niet aanspreekbaar en reageert nauwelijks op zijn omgeving. Marcel van de [naam1] is (..) op 10 februari 2004 overgebracht naar een afdeling voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel van het verzorgingstehuis Nieuw Berkendael te Den Haag. In het verzorgingstehuis is een revalidatieprogramma voor hem opgesteld."

De rechtbank heeft de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard "aangezien aan de vordering juridisch gezien zoveel haken en ogen zitten dat zij zich niet leent voor de behandeling in het strafgeding".

Het hof begrijpt dat het ontbreken van een schriftelijke bijzondere volmacht alsmede de - ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg - feitelijke onmogelijkheid van de benadeelde deze te verstrekken gezien zijn medische conditie, tot dit oordeel hebben geleid.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2004 is wederom verschenen een persoon opgevende te zijn

M. [naam], die heeft verklaard de namens het slachtoffer in eerste aanleg ingediende vordering te handhaven.

Ter genoemde zitting heeft de advocaat-generaal een aan hem gericht schrijven van 26 augustus 2004 overgelegd, afkomstig van de verpleeghuisarts van Nieuw Berkendael. Dit houdt onder meer in:

"De heer van de [naam1] is als gevolg van het letsel ernstig beperkt in zijn mobiliteit. Vooral door zijn spasticiteit, waarbij de rechter lichaamsfunctie meer is aangedaan dan de linker lichaamshelft. Verder heeft de heer een beperkte handfunctie die hem ernstig belemmert in het uitvoeren van allerlei dagelijkse bezigheden (wassen, kleden, schrijven, ect.). De heer van de [naam1] zal voor de rest van zijn leven rolstoelafhankelijk blijven.

Daarnaast kampt de heer van de [naam1] met ernstige cognitieve gevolgen van het letsel dat hem is aangedaan. Zo heeft hij grote geheugen-, aandachts- en concentratieproblemen. (..) De heer van de [naam1] zal voor de rest van zijn leven aangewezen zijn op verzorging en begeleiding in een verpleeghuis-setting. (..)."

Op 10 september 2004 heeft het hof de zaak tegen de verdachte heropend, teneinde M. [naam] de gelegenheid te bieden alsnog een schriftelijke bijzondere volmacht te overleggen.

Een getypte schriftelijke bijzondere volmacht, gedateerd 10 september 2004, is op 16 september 2004 door het hof ontvangen. Deze houdt in:

"Hierbij verklaar ik dat ik mijn zuster M. van [naam], geboren

[geboortedatum], woonachtig te Delft, absolute volmacht geef tot het waarnemen van mijn zaken/belangen.

Bij het CAV te Rijswijk wordt een verzoek tot onderbewindstelling gedaan en bij het Kantongerecht wordt het verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap gedaan. Totdat het CAV kan starten met de onderbewindstelling is het mijn wens dat mijn zuster (zie boven) al mijn belangen behartigt. Het is de bedoeling dat zij mijn mentor zal blijven."

De volmacht is ondertekend door M. van de [naam1] en is vergezeld van een briefje gedateerd 10 september 2004,ondertekend door G.C. Toppen, maatschappelijk werker van het Verpleeghuis Nieuw Berkendael. Deze verklaart daarin dat de heer Van de [naam1] als gevolg van zijn handicap zelf niet kan schrijven of zijn handtekening duidelijk kan zetten en dat hij, Toppen, aanwezig was bij het tekenen door de heer Van de [naam1] van het document waarin hij zijn zuster alle benodigde volmachten verleent.

Het hof heeft uit de bijzondere volmacht afgeleid dat het de uitdrukkelijke wens van het slachtoffer is dat zijn zuster hem vertegenwoordigt in de voegingsprocedure op grond van artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering tegen de verdachte. Aanwijzingen dat de benadeelde tot het formuleren van die wens niet in staat was, zijn er niet. Het hof oordeelt de benadeelde partij dan ook ontvankelijk is in zijn vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade.

Aan dit standpunt doet niet af dat ter zitting van het hof van 29 oktober 2004 is ingekomen een Beschikking onderbewindstelling en een Beschikking Mentorschap, beide gegeven door de kantonrechter te 's-Gravenhage op

12 oktober 2004 waarin respectievelijk is bepaald dat de Stichting C.A.V. te Rijswijk wordt benoemd tot bewindvoerder en Monique van [naam] tot mentor, eerstgenoemde over alle goederen die (zullen) toebehoren aan, de tweede ten behoeve van Marcel van de [naam1].

De verzoeken die ten grondslag liggen aan genoemde beschikkingen zijn, blijkens het daarin gestelde, gedaan door Monique van [naam], wonende te Delft, op 13 september 2004 en mitsdien na het moment waarop de - op 10 september 2004 - gevolmachtigde M. van [naam] zich namens de benadeelde partij in hoger beroep heeft gesteld.

Ten overvloede merkt het hof op dat de instelling van het bewind overeenkomstig artikel 1:431, eerste lid, BW, respectievelijk het mentorschap overeenkomstig artikel 1: 450, eerste lid, BW, niet leidt tot handelingsonbekwaamheid van de - in casu - benadeelde partij doch tot zijn beheers- en beschikkingsonbevoegdheid respectievelijk handelingsonbevoegdheid ten aanzien van de onder het bewind staande goederen (art.1:438 BW) respectievelijk aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (art.1:453 BW).

Nu de vordering overigens eenvoudig van aard is en de hoogte daarvan niet betwist, zal het hof het gevorderde bedrag - nu dat geenszins onredelijk voorkomt - en in rechte vaststaat dat de gestelde immateriële schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaarde, toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit onder 1 primair is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 20.000,- ten behoeve van het slachtoffer M. van de [naam1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN (10) JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte, van de blijkens de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen genummerd 1 tot en met 6.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot het gevorderde bedrag van EUR 20.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 20.000,- ten behoeve van het slachtoffer M. van de [naam1], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van TWEEHONDERD VIJFENDERTIG DAGEN.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Rijnberk, Mos-Verstraten en Fonteijn-Van der Meulen, in bijzijn van de griffier mr. De Vries. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 november 2004.