Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AR7402

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2004
Datum publicatie
13-12-2004
Zaaknummer
BK-02/01386
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag inkomstenbelasting wegens binnenlandse belastingplicht. Ten onrechte uitgegaan door Inspecteur van omkering van de bewijslast. Belanghebbende heeft zijn duurzame betrekkingen, zowel van financiële als van persoonlijke aard, met Nederland niet verbroken. Belanghebbende moet worden geacht in Nederland te wonen. Belanghebbende is voor toepassing van de BRK inwoner van Nederland. Voor het onderhavige jaar is terecht een aanslag Ib wegens binnenlandse belastingplicht aan belanghebbende opgelegd.

De door belanghebbende voor de vestiging van het tijdelijk recht van vruchtgebruik genoten vergoeding is terecht tot de winst uit aanmerkelijk belang gerekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4
Belastingregeling voor het Koninkrijk 2
Belastingregeling voor het Koninkrijk 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/8.1.3
FutD 2004-2316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

2 november 2004

nummer BK-02/01386

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen P van de Belastingdienst, thans de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst (. . .), betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wegens binnenlandse belastingplicht (aanslagnummer 00.H.86) opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar inkomen van ƒ a, waarvan een deel groot ƒ b is belast naar het bijzondere tarief van artikel 57a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet; tekst 1998).

Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van de artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van ƒ 250.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de aanslag gehandhaafd en de bij beschikking opgelegde boete ambtshalve verminderd tot nihil.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 24 juni 2003, gehouden

te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Ter zitting zijn tevens behandeld de beroepen van belanghebbende tegen aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wegens buitenlandse belastingplicht voor de jaren 1996 en 1997 met Hofkenmerken BK-01/01887 respectievelijk BK-02/00948, aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wegens binnenlandse belastingplicht voor de jaren 1996 en 1997 met Hofkenmerken BK-01/01888 respectievelijk

BK-02/00946, aanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1997, 1998 en 1999 met Hofkenmerken BK-01/01889, respectievelijk BK-02/00947 en BK-02/02221 en de beroepen van de kinderen van belanghebbende, A, mevrouw C en mevrouw B tegen aan hen opgelegde aanslagen in het recht van schenking met Hofkenmerken BK-02/03755, respectievelijk BK-02/03756 en BK-02/03757. Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in een van die zaken geldt tevens als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende, geboren op (. . .), is gehuwd met mevrouw XY, (. . .). Belanghebbende heeft drie kinderen uit een eerder huwelijk, een zoon, A, geboren op (. . . ), een dochter, B, geboren op (. . .) en een dochter, C, geboren op (. . .).

3.2.1. Belanghebbende heeft ongeveer dertig jaren geleden een onderneming opgericht die is uitgegroeid tot een concern, genaamd D (hierna: het concern). Het concern is een van de leidinggevende bedrijven in de x-industrie in de wereld en heeft fabrieken in alle werelddelen. Het hoofdkantoor van het concern is in Z gevestigd. Belanghebbende is in het onderhavige jaar algemeen, enig statutair directeur van de tot het concern behorende holding en werkmaatschappijen.

3.2.2. Belanghebbendes zoon is ook werkzaam in het concern; zijn dochters niet. Belanghebbende en zijn zoon delen de bestuurstaken met betrekking tot het concern. In een notitie van 18 december 1996 ten behoeve van de vergadering van commissarissen en directie van de van het concern deel uitmakende besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E B.V. (. ..) van 19 december 1996 is de taakverdeling tussen hen vastgelegd. Een afschrift hiervan behoort tot de gedingstukken (bijlage A10 verweer). Aan belanghebbende zijn onder meer de volgende taken toebedeeld:

- formuleren/goedkeuren en beoordelen van lange termijnplannen inzake:

- (. . .)

- productie

- verkoop en marketing

- financiën;

- voorzitten maandelijkse resultatenbespreking;

- goedkeuren jaarbudgetten en investeringen;

- begeleiding strategische key-accounts;

- public relations;

- toezicht op bank- en verzekeringsrelaties, en

- valuta- en financieel beleid.

Blijkens de notulen van de vergadering (bijlage A11 verweer) is de notitie besproken en is onder punt 6 vastgelegd dat belanghebbende en zijn zoon voornemens zijn maandelijks twee dagen bijeen te komen om alle voorkomende onderwerpen te bespreken, dat belanghebbende ook het komende jaar zal aanblijven als enig statutair directeur en dat topbenoemingen binnen de organisatie aan belanghebbende blijven voorbehouden.

3.3.1. Gedagtekend 15 november 1996 (bijlage A14b verweer) heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Directeur der Belastingen te Curaçao een brief gezonden, luidende - voor zover hier van belang - als volgt:

"Ter bevestiging van de afspraken die zijn gemaakt tijdens het onderhoud dat de heren (. . .) en (. . .) alsmede ondergetekende met U en Uw medewerkers de (. . .) en (. . .) met U te Uwent op 12 november 1996 mochten hebben, bericht ik U als volgt.

1 De heer X, thans woonachtig te Z, Nederland, zal vóór 1 januari 1997:

a er zorg voor dragen dat zijn aandelen in 'D'- op één na - worden omgezet in preferente aandelen en aanspraken die recht geven op de winst en het liquidatiesaldo van D (hierna vermogensrechten);

b zijn aandelen - het gewone aandeel en alle preferente aandelen - overdragen aan een van hem onafhankelijke stichting;

c Nederland metterwoon verlaten;

d zich op Curaçao, Nederlandse Antillen, als inwoner in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, vestigen.

2 De heer X is voornemens aan zijn in Nederland woonachtige kinderen een deel van de hiervoor bedoelde vermogensrechten op enigerlei wijze te schenken en wel nadat de in artikel 29 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk bedoelde periode verstreken is, derhalve in 1998.

De schenking zal geschieden onder verrekening van de schuld van de heer X jegens zijn kinderen.

3 De waarde van de vermogensrechten is gelijk aan de intrinsieke waarde van die rechten volgens de jaarrekening van D over 1997.

4 De hiervoor bedoelde schenking zal worden belast naar een tarief van:

- 2 percent over een waarde van NLF c;

- 3 percent voorzover de vermogensaanspraken NLF c overtreffen,

met een maximum van NLF c aan schenkingsrecht.

5 De heer X zal als loon uit dienstbetrekking bij D Nafl e per jaar (naar tijdsgelang) aangeven, welke inkomsten conform het vigerende tarief voor de inkomstenbelasting belast zullen worden.

(...)."

3.3.2. Gedagtekend 29 november 1996 heeft voormelde directeur, F, de brief voor akkoord ondertekend, met dien verstande dat rekening zal worden gehouden met hetgeen aan de ommezijde staat vermeld, luidende:

"3. De waarde van de te schenken vermogensrechten wordt gesteld op de intrinsieke

waarde van de aandelen op dit moment i.c. NLF f.

4. De hiervoor gestelde schenking zal worden belast naar een tarief van:

- 2 percent over de waarde die niet meer dan NLF c bedraagt en

- 3 percent over de waarde die het bedrag van NLF c te boven gaat,

resulterend in een te betalen bedrag aan schenkingsrechten van NFL c op het moment aangegeven onder punt 2 van deze brief."

3.3.3. De aldus voor akkoord ondertekende brief zal hierna worden aangeduid als "de ruling".

3.4.1. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een verklaring van de gemeente Q van 16 december 1996 (bijlage 2 repliek), waarin onder meer het volgende staat vermeld:

"(...)

In verband met de uitklaring van goederen wordt hierbij verklaard, dat de hieronder vermelde, in de basisadministratie van deze gemeente opgenomen persoon heeft te kennen gegeven het voornemen te hebben naar het buitenland te vertrekken.

Naam : X

Voorna(a)m(en) : aa

(...)

Datum vertrek : 24-12-1996

Vertrekland : Curacau

Bijzonderheden : met gezin

(...)"

3.4.2. Op 20 december 1996 hebben belanghebbende en zijn echtgenote zich laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Q. Blijkens afschriften uit de basisadministratie zijn belanghebbende en zijn echtgenote uit de basisadministratie afgevoerd wegens "Emigratie" naar de Nederlandse Antillen (bijlage 2 repliek).

3.4.3. Op 12 februari 1997 (bijlage 3 repliek) is zowel aan belanghebbende als aan zijn echtgenote een "vergunning tot verblijf" afgegeven door de Vreemdelingendienst van Curaçao. Voorts hebben belanghebbende en zijn echtgenote zich op die datum laten inschrijven in het bevolkingsregister van Curaçao (stempel paspoort, bijlage A1a verweer). Hun kinderen, die allen in 1996 al op zichzelf woonden, en de kleinkinderen zijn in Nederland achtergebleven.

3.4.4. Op 24 december 1996 zijn belanghebbende en zijn echtgenote naar Curaçao gevlogen. Blijkens tot de gedingstukken behorende documenten zijn van hen de volgende goederen naar Curaçao verzonden (bijlage A5 verweer):

- op 27 december 1996 een koffer met reizigersbagage bestaande uit gebruikte kleding en dergelijke met een aangegeven waarde van ƒ 250, en

- op 12 januari 1997 een kist met kleding, boeken, CD's en enkele persoonlijke bezittingen met een aangegeven waarde van ƒ 490.

3.5. Volgens een door de gemachtigde van belanghebbende bij de conclusie van repliek in de zaak met kenmerk BK-02/03755 overgelegd overzicht verbleef belanghebbende in de periode

24 december 1996 tot 1 april 1998 in de volgende landen met, indien het geen verblijf op Curaçao betreft en voor zover opgegeven, de volgende reden:

periode land van verblijf reden

24-12-1996 t/m 21-01-1997 Curaçao

22-01-1997 t/m 27-01-1997 Nederland geboorte

28-01-1997 Frankrijk

29-01-1997 Zwitserland privé

30-01-1997 t/m 01-02-1997 Nederland overleg met zoon

periode land van verblijf reden

02-02-1997 t/m 18-02-1997 Curaçao

19-02-1997 t/m 28-02-1997 Nederland

01-03-1997 t/m 09-03-1997 Curaçao

10-03-1997 t/m 15-03-1997 Argentinië zakelijk

16-03-1997 t/m 17-03-1997 Chili zakelijk

18-03-1997 Curaçao

19-03-1997 t/m 28-03-1997 Nederland geboorte

29-03-1997 t/m 23-04-1997 Curaçao

24-04-1997 t/m 29-04-1997 Puerto Rico vakantie/zakelijk

30-04-1997 t/m 11-05-1997 Curaçao

12-05-1997 Nederland

13-05-1997 t/m 15-05-1997 Polen zakelijk

16-05-1997 t/m 24-05-1997 Nederland 1)

25-05-1997 t/m 18-06-1997 Curaçao

19-06-1997 Aruba 2)

20-06-1997 t/m 22-06-1997 Curaçao

23-06-1997 Nederland overleg met zoon

24-06-1997 t/m 27-06-1997 Polen zakelijk

28-06-1997 t/m 19-07-1997 Nederland 3)

20-07-1997 t/m 03-08-1997 Curaçao

04-08-1997 t/m 08-08-1997 Argentinië zakelijk 2)

09-08-1997 t/m 19-08-1997 Curaçao

20-08-1997 t/m 22-08-1997 Nederland geboorte

23-08-1997 t/m 26-08-1997 Roemenië zakelijk

27-08-1997 t/m 29-08-1997 Nederland RvC, jubileumviering D,

overleg met zoon

30-08-1997 t/m 02-09-1997 Polen zakelijk 4)

03-09-1997 t/m 06-09-1997 Nederland

07-09-1997 t/m 21-09-1997 Curaçao

22-09-1997 t/m 25-09-1997 Nederland 5)

26-09-1997 t/m 27-09-1997 Polen zakelijk 5)

28-09-1997 t/m 01-10-1997 Nederland 5)

02-10-1997 t/m 19-10-1997 Curaçao

20-10-1997 Nederland

21-10-1997 t/m 23-10-1997 Polen zakelijk

24-10-1997 t/m 31-10-1997 Nederland

01-11-1997 t/m 08-11-1997 Curaçao

09-11-1997 t/m 14-11-1997 Brazilië zakelijk 2)

15-11-1997 t/m 13-12-1997 Curaçao

14-12-1997 t/m 20-12-1997 Nederland 6)

21-12-1997 t/m 28-01-1998 Curaçao

29-01-1998 t/m 12-02-1998 Costa Rica

13-02-1998 t/m 06-03-1998 Curaçao

07-03-1998 t/m 08-03-1998 Bonaire

09-03-1998 t/m 31-03-1998 Curaçao

1) Op (. . ) mei 1997 kwam een zakelijke relatie uit Puerto Rico op bezoek in Nederland. Op (. . .) mei 1997 had belanghebbende overleg.

2) De echtgenote van belanghebbende is op Curaçao gebleven.

3) In de periode (. . .) mei 1997 tot en met (. . )juni 1997 was de reden van het verblijf in Nederland vakantie.

4) De echtgenote van belanghebbende verbleef of bezocht op (. . ) en (. . ) september 1997 (in) het ziekenhuis in Nederland.

5) De echtgenote van belanghebbende is op Curaçao gebleven. Op (. . ) september 1997 vond overleg met belanghebbendes zoon plaats en hield belanghebbende een lezing op de (. . .)Universiteit te P.

6) De echtgenote van belanghebbende is op Curaçao gebleven. Op (. . .) december 1997 vond overleg met belanghebbendes zoon plaats.

Belanghebbende heeft op 20 februari 1997, 27 augustus 1997,

31 oktober 1997 en 18 december 1997 de vergaderingen van de Commissarissen en Directie E B.V. ten kantore van het concern te Z bijgewoond (bijlagen A11 en A12 verweer).

3.6. Op 1 april 1998 zijn belanghebbende en zijn echtgenote teruggekeerd naar Nederland en op 2 april 1998 hebben zij zich weer laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie van Q. Op 1 maart 2000 hebben belanghebbende en zijn echtgenote zich laten uitschrijven uit het bevolkingsregister op Curaçao.

Nederland

3.7.1. Gedurende de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 werd belanghebbende bij aankomst in Nederland op Schiphol steeds door een werknemer van het concern opgehaald met de vóór 24 december 1996 aan belanghebbende voor het verrichten van arbeid ter beschikking gestelde personenauto, een a-auto. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de periode 1 januari 1996 tot en met 23 december 1996 (P-biljet) heeft belanghebbende opgegeven dat hem deze auto, met een cataloguswaarde van ƒ . . ., ter beschikking stond en heeft hij ter zake een bedrag van ƒ . . . (20%) als privé-gebruik aangegeven. Bij het beroepschrift in de zaak met Hofkenmerk BK-02/01386 met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 heeft belanghebbende een conceptaangifte (B-biljet) wegens binnenlandse belastingplicht overgelegd voor de periode 2 april 1998 tot en met 31 december 1998. Hierin heeft hij voor deze auto vanaf die datum een bijtelling wegens privé-gebruik aangegeven. Ook in zijn aangifte voor het jaar 1999 heeft belanghebbende voor deze auto tot 10 juni 1999 een bijtelling wegens privé-gebruik aangegeven. Na deze datum stond hem een andere auto ter beschikking.

3.7.2. Tot de uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie per 24 december 1996 bewoonde belanghebbende een woning aan de a-straat 1a te Z (hierna: de woning). De woning is in eigendom van X-bedrijf B.V. (hierna: X-bedrijf B.V.), van welke vennootschap belanghebbende enig directeur en aandeelhouder is. De woning is gelegen naast het perceel waar het hoofdkantoor en de fabriek van het concern zijn gevestigd. Door X-bedrijf B.V. is in rekening-courant voor de woning ook in de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998, met de omschrijving: huurwaarde, aan belanghebbende een bedrag in rekening gebracht.

Met betrekking tot de woning staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

- In november 1996 is in opdracht en voor rekening van belanghebbende de slaapkamer van de woning heringericht voor een totaalbedrag van ƒ aab.

- De woning is na 1 april 1998 weer door belanghebbende betrokken. In de tussenliggende periode is de woning niet verkocht of verhuurd. De inboedel van belanghebbende is in die periode in de woning achtergebleven; de meubels waren afgedekt met plastic hoezen.

Gedurende de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 heeft de op belanghebbendes naam afgesloten inboedelverzekering geen wijziging ondergaan; de verzekerde waarde bedroeg ƒ . . . (bijlage A6 verweer). In een zogenoemde mutatieopgave van de polis inboedelverzekering van 17 december 1996 staat als bijzondere bepaling opgenomen dat het de maatschappij bekend is dat verzekerde voor één jaar in het buitenland verblijft en dat gedurende deze periode de dekking onverminderd van kracht is. De facturen over het jaar 1997 zijn steeds gericht aan belanghebbende op het adres van de woning.

- G was gedurende de gehele periode 24 december 1996 tot 1 april 1998, net zoals daarvoor en daarna het geval was, belast met de beveiliging van de woning. In een faxbericht van 23 december 1996 heeft belanghebbende - voor zover te dezen van belang - het volgende aan G geschreven (bijlage A3 verweer):

"Hierbij deel ik u mede dat met ingang van 24 december 1996 mijn

woonhuis, a-straat 1a, gedurende een jaar niet bewoond zal worden

wegens vertrek naar het buitenland. Ik verwacht met ingang van ja-

nuari 1998 weer terug te zijn. (...)"

Het abonnement betreffende het "alarm" bij G en de facturen ter zake staan op naam van belanghebbende op het adres a-straat 1 respectievelijk 1a te Z (bijlage A19f verweer). De factuur betreffende het servicecontract ten behoeve van de beveiliging over de periode 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 van G B.V. van 2 januari 1997 is gericht aan belanghebbende op het adres a-straat 1 (bijlage A19e verweer).

- Vanuit de woning is na het vertrek van belanghebbende en zijn echtgenote nog diverse malen getelefoneerd. De telefoonnota's van de telefoongesprekken in de periode van

28 november 1996 tot en met 28 juli 1997 behoren tot de gedingstukken (bijlage A19d verweer). In de periode 28 november 1996 tot en met 29 januari 1997 betreffen dit telefoongesprekken binnen (67) en buiten het basistariefgebied (291), internationaal (3), naar mobiele diensten (7) en naar 06-informatienummers (1); in de perioden daarna betreft het uitsluitend een beperkt aantal telefoongesprekken binnen het basistariefgebied en een groot aantal buiten het basistariefgebied. Een aantal tikken is veroorzaakt door testen van het beveiligingssysteem door het beveiligingsbedrijf.

- Voor het jaar 1997 is voor het adres van de woning de omroepbijdrage voldaan.

3.7.3. Aan belanghebbende stond gedurende de periode

24 december 1996 tot 1 april 1998 een jacht genaamd H ter beschikking, dat gedurende die gehele periode een ligplaats had in R, tot 31 december 1999 in eigendom was bij I B.V. en uitsluitend aan hem en zijn echtgenote voor gebruik ter beschikking was gesteld. Het betreft een zeewaardig motorjacht voorzien van dubbele beglazing, verwarming en alle wooncomfort.

3.7.4. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in Nederland gedurende de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 hun Postbankrekening(en), girotelabonnement, (. . )bankrekening(en) en een (. . .)Spaarbankrekening aangehouden. Met (een aantal van) deze rekeningen zijn betalingen/geldopnamen in Nederland verricht. Ook beschikte belanghebbende in Nederland over een

effectendepot. Gedurende de voormelde periode werden via de rekening-courant met X-bedrijf B.V. voor belanghebbende huishoudelijke betalingen in Nederland gedaan.

3.7.5. Voorts hebben belanghebbende en zijn echtgenote hun huisarts en tandarts in Nederland aangehouden en hebben zij of heeft één van hen deze in de periode 24 december 1996 tot

1 april 1998 ook bezocht. De desbetreffende nota's zijn verzonden naar het adres van de woning. Voorts zijn in voormelde periode in Nederland door belanghebbende en/of zijn echtgenote ziekenhuizen, een tandtechnisch laboratorium, de Stichting J en de apotheek bezocht voor onderzoek(en) en het ophalen van medicijnen. Ook de nota's voor deze (be)handelingen zijn in een aantal gevallen naar het adres van de woning gezonden. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben hun ziektekostenverzekering in Nederland aangehouden.

3.7.6. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn in de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 lid gebleven van de vereniging K, L, de Evangelische Omroep (tientjeslid), de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij, Kruiswerk Zuidhollandse Eilanden, Watersportvereniging M te R (in verband met de ligplaats van het onder 3.7.3 genoemde jacht) en Amnesty International.

3.7.7. Tot 24 december 1996 was belanghebbende lid van Rotary Club S. In mei 1998 is hij opnieuw lid geworden (bijlage A21 verweer). Op 10 maart 1997 heeft de directiesecretaresse van N B.V. te Z namens belanghebbende per faxbericht aan het accountantskantoor, dat voor hem een bankrekening in Nederland beheerde, verzocht twee maal een bedrag van ƒ 100 over te maken voor tocht nr. -- en tocht -- van de Rotary (bijlage 19c verweer).

3.7.8. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn in de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 voorts lid dan wel geldelijk ondersteuner gebleven van de Christelijk Gereformeerde Kerk T en de Nederlands Hervormde Kerk.

3.7.9. Tot de gedingstukken behoort een ambtsedige verklaring van 14 februari 2000, die is opgemaakt naar aanleiding van een gesprek van een aantal medewerkers van de Belastingdienst van 10 februari 2000 met belanghebbende (bijlage A1b verweer). In deze verklaring is, onder meer, het volgende opgenomen:

"(...)

Vraag: Wat was voor u de reden om naar de Antillen te gaan?

De heer X stelt dat hij waarschijnlijk de beste twee adviseurs van Nederland heeft. Hij had het voornemen om het bedrijf over te dragen aan de kinderen.

X vertelt over zijn slechte ervaringen met de Belastingdienst naar aanleiding van het overlijden van zijn vorige echtgenote. Dit heeft toen zeer veel geld gekost.

Volgens zijn adviseurs was het mogelijk om door middel van een verblijf van een jaar op de Antillen een aanzienlijke belastingbesparing te realiseren met betrekking tot de voorgenomen schenking aan de kinderen.

Vraag: Het was dus altijd de bedoeling dat u weer terug zou komen?

Ja, ik heb hier 3 kinderen en 8 kleinkinderen. Dat blijft trekken.

Vraag: Waar overnachtte u tijdens uw verblijf in Nederland gedurende de Antilliaanse periode?

Op de H. (zeilboot)

Vraag: Waarom verbleef u niet in de boerderij? Deze was immers niet bewoond en alle meubelen stonden er nog?

De meubelen waren afgedekt met plastic hoezen. We vonden het ook beter naar de fiscus toe om deze zaken gescheiden te houden.(...)"

Curaçao

3.8.1. Op Curaçao hebben belanghebbende en zijn echtgenote in eerste instantie een kamer gehuurd in het (. . )Hotel te U (bijlage A4a verweer). Met ingang van 1 februari 1997 hebben zij voor de duur van een jaar van nn zijn gemeubileerde appartement in het complex (. . .)aan de b-straat 1 te U gehuurd tegen een maandelijkse huur van Naƒ 2.500 (bijlage A8 verweer). De kosten voor de Vereniging van Eigenaars, airconditioning, elektra, schoonmaakkosten en dergelijke in dat jaar zijn voor belanghebbendes rekening gekomen. De telefoonaansluiting is op naam van nn blijven staan en kosten van de met de telefoon in het appartement gevoerde gesprekken in dat jaar zijn door hem aan belanghebbende doorberekend.

3.8.2. Uit gespecificeerde telefoonnota's van "Servisio di Telekomunikashon" blijkt dat belanghebbende in de periode 1 januari 1997 tot en met 20 augustus 1997 van de in totaal 480 gesprekken 362 maal naar Nederland, 111 maal naar overige landen en 7 maal lokaal heeft gebeld of gefaxt. Belanghebbende beschikte op Curaçao over een faxapparaat en een mobiele telefoon.

3.8.3. Op 27 december 1996 heeft belanghebbende op Curaçao een b-auto aangeschaft voor een bedrag van Naƒ --, inclusief wegenbelasting en keuringskosten (bijlage 11 repliek).

3.8.4. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op Curaçao gedurende de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 regelmatig kerkdiensten bijgewoond van de Verenigde protestantse gemeente van Curaçao. Zij zijn echter geen lid geworden van de kerkelijke gemeente aldaar. Wel hebben zij een gift gedaan van Naƒ 1.000 (bijlage 8 repliek).

3.8.5. In het onder 3.5 genoemde overzicht heeft belanghebbende bij verschillende data vermeld dat er familieleden en/of kennissen uit Nederland te Curaçao zijn ontvangen.

3.8.6. In de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een aantal malen een op Curaçao gevestigde huisarts (telefonisch) geconsulteerd. Ook hebben belanghebbende en zijn echtgenote medicijnen betrokken van een apotheek aldaar. De echtgenote van belanghebbende heeft

gedurende voormelde periode twee maal een fysiotherapeut bezocht op Curaçao.

3.8.7. Belanghebbende en zijn echtgenote waren in de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 op Curaçao geabonneerd op de, speciaal voor Nederlanders die in het buitenland verblijven uitgegeven, weekedities van het NRC Handelsblad en het Algemeen Dagblad.

3.8.8. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op 2 januari 1997 op Curaçao een bankrekening, een zogenoemde private current account non resident, geopend bij de (. . .)-bank; ook beschikten zij aldaar in de eerdergenoemde periode over een spaarrekening bij de (. . .)-bank.

Concern

3.9.1. Volgens een bankverklaring (bijlage A9 verweer) van (. . .)-Bank N.V. was belanghebbende naar de stand van 31 december 1997 zelfstandig bevoegd de volgende, van het concern deel uitmakende, vennootschappen jegens de bank te verbinden:

- D B.V. (. . .);

- E B.V.;

- N B.V. (. . .);

- O B.V.;

- AA B.V.;

- BB V.O.F. (. . .);

- CC N.V.;

- DD B.V.

- EE B.V. (. . .).

3.9.2. Tot 27 december 1996 hield belanghebbende alle (certificaten van) aandelen in EE B.V. De tot dat moment belangrijkste vermogensbestanddelen van belanghebbende met betrekking tot het concern waren 60 certificaten van aandelen A in EE B.V. en 40 aandelen B in EE B.V. De 60 aandelen A waren gecertificeerd via de Stichting Administratiekantoor Z. EE B.V. hield alle aandelen in E B.V. en E B.V. hield alle aandelen in N B.V.

3.9.3. Vanaf eind december 1996 heeft in verschillende jaren een groot aantal (rechts)handelingen plaatsgehad:

1996

23 december:

Stichting FF(. . .) wordt opgericht; als bestuurders worden benoemd (. . .)GG (directeur van de (. ..)-bank), HH (de huisnotaris) en JJ (goede vriend van belanghebbende).

27 december:

Aandelen A in EE B.V. worden gedecertificeerd. Stichting Administratiekantoor Z wordt ontbonden en belanghebbende verkrijgt 60 aandelen A in EE B.V.

- Statuten van EE B.V. worden gewijzigd, waarbij onder andere is bepaald dat:

- het maatschappelijk kapitaal ƒ 500.000 bedraagt (voorheen ƒ 500.000; 460 aandelen A en 40 aandelen B à ƒ 1.000, waarvan ƒ 100.000 geplaatst);

- dit maatschappelijk kapitaal is verdeeld in 1 gewoon aandeel à ƒ 10 en 49.999 cumulatief preferente aandelen à ƒ 10;

- 49.999 winstbewijzen worden geïntroduceerd, die op gelijke voet met een volgestort gewoon aandeel delen in de winst en het liquidatiesaldo van de B.V.

Na deze statutenwijziging bedraagt het geplaatste aandelenkapitaal, net als voordien, ƒ 100.000 (1 gewoon aandeel à ƒ 10 en 9.999 cumulatief preferente aandelen à ƒ 10). Ook zijn 9.999 winstbewijzen geplaatst. Alle aandelen en winstbewijzen waren in handen van belanghebbende.

- Belanghebbende verkoopt en levert alle geplaatste aandelen EE B.V. (1 gewoon aandeel en 9.999 cumulatief preferente aandelen) aan de Stichting FF voor een bedrag van ƒ h. Deze prijs is tot stand gekomen aan de hand van de reserves die toerekenbaar zijn aan het gewone aandeel, waarbij de waarde van de preferente aandelen gelijk is gehouden aan hun nominale waarde (p. 29 repliek BK-01/01888). Stichting FF blijft de koopsom schuldig.

- Statuten van E B.V. worden gewijzigd, waarbij onder andere is bepaald dat:

- het maatschappelijk kapitaal ƒ 7.500.000 bedraagt;

- dit maatschappelijk kapitaal is verdeeld in 74.990 gewone aandelen à ƒ 100 en 10 prioriteitsaandelen à ƒ 100;

- de 2.000 geplaatste aandelen A à ƒ 1.000 worden omgezet in 20.000 gewone aandelen à ƒ 100.

- E B.V. geeft 3 prioriteitsaandelen à ƒ 100 uit aan belanghebbende. Belanghebbende heeft aan zijn stortingsverplichting voldaan door middel van storting van contanten. Volgens artikel 36, eerste lid, van de statuten van E bepaalt "de prioriteit" welk deel van de winst wordt gereserveerd en volgens artikel 44 heeft de prioriteit een versterkt stemrecht.

1997

18 december:

Door KK N.V. wordt een stichting naar het recht van de Nederlandse Antillen, Stichting LL (. . . ), opgericht; als bestuurders worden benoemd (. . .) (de Antilliaanse belastingadviseur van belanghebbende), (. . .) en (. . .), allen woonachtig te Curaçao.

22 december:

Stichting FF verkoopt het ene gewone aandeel en de 9.999 cumulatief preferente aandelen EE B.V. aan Stichting LL. De koopsom ad ƒ g wordt schuldig gebleven.

24 december:

Stichting LL richt de naamloze vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen, D NA N.V. (. . .), op. Het maatschappelijk kapitaal bedraagt ƒ 500.000 en is verdeeld in 1 gewoon aandeel en 49.999 cumulatief preferente aandelen à ƒ 10. Tevens zijn 49.999 winstbewijzen geïntroduceerd. De akte met statuten is nagenoeg gelijkluidend aan de akte met statuten van 27 december 1996 van EE B.V. In de slotverklaringen van de akte wordt vermeld dat:

- tot directeur van D NA N.V. de Stichting LL wordt benoemd;

- belanghebbende is medeverschenen voor de notaris;

- belanghebbende verklaarde zijn 9.999 winstbewijzen EE B.V. over te dragen aan D NA N.V.;

- D NA N.V. verklaarde 9.999 winstbewijzen D NA N.V. over te dragen aan belanghebbende.

29 december:

- Stichting LL brengt het gewone aandeel en de 9.999 cumulatief preferente aandelen EE B.V. in in D NA N.V. tegen uitreiking van 1 gewoon aandeel en 9.999 cumulatief preferente aandelen D NA N.V.

- Belanghebbende brengt de 9.999 winstbewijzen

EE B.V. in in D NA N.V. tegen uitreiking van 9.999 winstbewijzen D NA N.V.

1998

23 maart:

- Statuten van EE B.V. worden gewijzigd, waarbij het maximaal uit te geven aantal winstbewijzen (49.999) wordt verdeeld in 18.626 winstbewijzen A en 31.373 winstbewijzen B. In artikel 30 van de akte wordt de waarde van de winstbewijzen bepaald op ƒ i.

- D NA N.V. vervreemdt het gewone aandeel en de 9.999 cumulatief preferente aandelen EE B.V. aan Stichting FF. De koopsom ad ƒ j wordt schuldig gebleven.

- D NA N.V. vervreemdt de winstbewijzen EE B.V. aan de kinderen van belanghebbende voor in totaal ƒ i. De zoon van belanghebbende koopt 3.725 winstbewijzen A voor ƒ k. De beide dochters kopen ieder 3.137 winstbewijzen B voor ƒ m. De koopsommen blijven zij allen schuldig.

- Afkoop van winstbewijzen EE B.V. De zoon van belanghebbende laat 500 winstbewijzen A afkopen voor ƒ n. Beide dochters laten ieder 421 winstbewijzen B afkopen voor ieder ƒ o. EE B.V. blijft de afkoopsommen schuldig; de afkoopsommen worden omgezet in drie dertigjarige leningen.

24 maart:

- Stichting LL verkoopt het gewone aandeel en de 9.999 cumulatief preferente aandelen D NA N.V. aan een Antilliaanse vennootschap, MM N.V. (hierna: MM), voor ƒ j. MM is een dochtermaatschappij van de ING-bank, de huisbankier van het concern en van belanghebbende (bijlage 1 dupliek, p. 16). In de akte wordt als derde partij belanghebbende vermeld. De koopschuld wordt bij wijze van novatie omgezet in een schuld wegens geldlening. Op de lening is van toepassing hetgeen is bepaald in een akte van geldlening tussen belanghebbende en MM. De echtgenote van belanghebbende heeft voor zoveel nodig haar toestemming verleend voor de garanties die haar echtgenoot in dit kader heeft verstrekt.

- Belanghebbende laat een recht van vruchtgebruik voor de periode van dertig jaren op de 9.999 winstbewijzen D NA N.V. vestigen door MM voor ƒ b. De verschuldigde vergoeding wordt omgezet in een drietal dertigjarige leningen (vorderingen van belanghebbende op MM) van respectievelijk ƒ p en twee maal ƒ q. Het jaarlijks rendement van de leningen bedraagt 7 percent. Belanghebbende verstrekt aan MM een groot aantal garanties en vrijwaart haar tegen niet uit de overnamebalans blijkende verplichtingen van D NA N.V. en haar dochtermaatschappijen uit hoofde van afgegeven garanties en andere verplichtingen. Voorts neemt belanghebbende de kosten van de akte voor zijn rekening. (bijlage B17 verweer)

- Belanghebbende schenkt de drie dertigjarige vorderingen met een totale waarde van ƒ b aan zijn kinderen onder verrekening van de bedragen die hij aan zijn kinderen verschuldigd is. Zijn kinderen cederen de drie leningen aan D NA N.V. Het restant van de schulden van de kinderen aan D NA N.V. ad ƒ r wordt omgezet in drie dertigjarige leningen met een jaarlijks rendement van 7 percent.

28 april:

E B.V. neemt de schulden aan de drie kinderen over van EE B.V. ten titel van dividend.

FF Nederland BV neemt de schulden aan de kinderen over van E B.V. ten titel van dividend.

1999

31 december:

- Belanghebbende vervreemdt de bloot eigendom van de winstbewijzen van D NA N.V. aan MM voor ƒ s.

- D NA N.V. cedeert de vorderingen op de kinderen (inclusief de rente) ad ƒ t aan MM. De koopsom wordt schuldig gebleven. De koopsom voor de bloot eigendom van de winstbewijzen wordt door D NA N.V. voldaan door cessie van de vorderingen van de drie kinderen. Belanghebbende vergoedt het verschil ad ƒ u tussen de koopsom en de hoofdsom van de vorderingen.

- De drie kinderen van belanghebbende dragen hun vordering op N B.V. ad ƒ v over aan belanghebbende, onder verrekening met de schulden aan belanghebbende en onder schuldigerkenning van het restant.

De aandeelhouder van MM, de (. . .)-bank, heeft voor haar rol bij de voormelde (rechts)handelingen een 'fee' ontvangen van ƒ w (bijlage A26 dupliek BK-01/01888).

In 1999 is belanghebbende toegetreden tot het directiebestuur van Stichting FF, de stichting die het gewone aandeel en de 9.999 cumulatief preferente aandelen EE B.V. bezit.

Voorts heeft hij, tezamen met een derde, NN B.V., activiteiten op het gebied van de x-productie ontplooid. Hiertoe hebben belanghebbende en NN B.V. een vennootschap, OO B.V., opgericht. Belanghebbende en NN B.V. participeerden in een 60:40-verhouding in OO B.V. Na verloop van tijd heeft belanghebbende, door middel van additionele kapitaalstortingen, een belang in OO B.V. verkregen van nagenoeg honderd percent.

2001

25 oktober:

EE B.V. richt een nieuwe vennootschap, PP B.V., op (p. 7 repliek BK-01/01888).

23 november:

Directie van EE B.V., PP B.V. en OO B.V. doen een voorstel tot een zogenoemde driehoeksfusie in de zin van artikel 2:309 BW juncto artikel 2:334 BW (p. 7 repliek BK-01/01888).

2002

1 januari:

Voormelde fusie wordt van kracht. Als gevolg van deze fusie verkrijgt PP B.V. (verkrijgende vennootschap) het vermogen van OO B.V. (verdwijnende vennootschap) onder algemene titel. Als groepsmaatschappij van PP B.V. kent EE B.V. 1.000 gewone aandelen, met een nominaal kapitaal van ƒ 10 per aandeel, aan belanghebbende toe. Hierdoor houdt belanghebbende vanaf dat moment op één gewoon aandeel na alle gewone aandelen EE B.V.

Direct voorafgaand aan deze fusie bezat belanghebbende (. . .)aandelen OO B.V. en bezat NN B.V. 16 aandelen OO B.V. (p. 7 repliek BK-01/01888)

3.9.4. Het salaris van belanghebbende als algemeen directeur van het concern, exclusief zijn inkomsten uit werkzaamheden voor BB, bedroeg in 1996 ƒ x, in 1997 ƒ y, in 1998 ƒ z en in 1999 ƒ aa (rapport p. 5, bijlage A21 verweer).

Belanghebbende heeft voor door hem in het buitenland verrichte werkzaamheden voor BB gedurende de periode 24

december 1996 tot 1 april 1998 facturen uitgeschreven. Boven de facturen staat steeds als plaats Curaçao vermeld. Tot de ge-

dingstukken behoort een drietal facturen (bijlage A13 verweer):

factuurdatum periode werkzaamheden bedrag (afgerond)

7 juli 1997 jaar 1997 Naƒ e (ƒ bb)

16 april 1998 24-12-1996 t/m 31-12-1996 Naƒ - (ƒ cc)

16 april 1998 01-01-1998 t/m 31-03-1998 Naƒ - (ƒ dd)

De facturen zijn gericht aan BB op het adres a-straat 1 te Z, Nederland. BB is in Nederland gevestigd.

In de facturen van 16 april 1998 verzoekt belanghebbende de bedragen in rekening-courant te verrekenen.

3.9.5. Namens belanghebbende is met dagtekening 16 juni 1997 een brief gezonden aan de eenheid Grote Ondernemingen P van de Belastingdienst betreffende te bespreken onderwerpen (bijlage C1 verweerschrift). Eén van deze onderwerpen betrof de opvolging van belanghebbende. Ter voorbereiding van dit onderwerp is bij de brief een memorandum gevoegd in vervolg op een brief van 24 april 1997 en een bespreking van 29 april 1997. In dit memorandum heeft de gemachtigde van belanghebbende de waarde van de winstbewijzen EE B.V. berekend. Hij heeft deze waarde berekend door vermenigvuldiging van de laatst vastgestelde commerciële jaarwinst met de meest recente gemiddelde koers/winstverhouding van een aantal met EE B.V. vergelijkbare aan de beurs genoteerde ondernemingen (de beurswaarde) en deze vervolgens te verhogen met het verschil tussen de intrinsieke waarde van EE B.V. volgens de laatstvastgestelde commerciële balans en het product van de beurswaarde en het gemiddelde percentage eigen vermogen per aandeel van de vergelijkbare ondernemingen. De waarde van de winstbewijzen komt volgens deze berekening van de gemachtigde uit op ƒ ee.

Schenking

3.10.1. Namens belanghebbende (schenker) en zijn kinderen (begiftigden) is op 28 juli 2000 op Curaçao aangifte gedaan voor het recht van schenking in verband met de schenkingen aan de kinderen op 24 maart 1998 (bijlage A14a dupliek BK-01/01888). Overeenkomstig punt 3 van de in 3.3 vermelde ruling is de waarde van de geschonken vermogensrechten vastgesteld op ƒ d.

3.10.2. Met dagtekening 15 augustus 2000 is een aanslag voor het recht van schenking opgelegd door de Landsontvanger

Curaçao. Als belastingschuldigen worden uitsluitend A en B genoemd. Ieder van hen is een belastingbedrag van ƒ ff schuldig, zodat, overeenkomstig de inhoud van de in 3.3 vermelde ruling een totaalbedrag van ƒ c aan belasting is berekend. Dit bedrag is betaald door de belastingschuldigen.

Aangifte Curaçao

3.11. Belanghebbende heeft op 1 april 1998 op Curaçao aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 1998 gedaan (bijlage A14c verweer). In deze aangifte heeft hij een bedrag van Naƒ gg aangegeven als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Dit betreft het door hem op 16 april 1998 gefactureerde bedrag wegens werkzaamheden voor BB in de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998. Voor de jaren 1996 en 1997 heeft hij eveneens aangifte voor de inkomstenbelasting gedaan op Curaçao; in die jaren heeft hij de in 3.9.4 genoemde en door hem voor werkzaamheden voor BB in die jaren gefactureerde bedragen aangegeven als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

Aangifte en aanslagregeling Nederland

3.12.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 12 februari 1999 een aangiftebiljet C (buitenlandse belastingplicht) uitgereikt. De uiterste datum van indiening was, na verleend uitstel, 29 februari 2000.

3.12.2. Bij brief van 5 februari 2001 is aan belanghebbende medegedeeld dat, ondanks het op 11 mei 2000 verzenden van een aanmaning aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, waarbij belanghebbende tot 25 mei 2000 respijt is verleend voor het doen van de aangifte, deze niet is ingediend en dat in verband met het uitblijven hiervan ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zou worden opgelegd wegens binnenlandse belastingplicht, aangezien de Inspecteur het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 1998 zijn woonplaats in Nederland heeft gehad. Met dagtekening 9 februari 2001 is de vorenbedoelde aanslag opgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het belastbare inkomen als volgt berekend:

ƒ

Inkomen E B.V. z

Inkomen Sociale Verzekeringsbank hh

Inkomen BB jj

Privé-gebruik onder 3.7.1 genoemde auto aab

kk

Arbeidskostenforfait aah -/-

ii

Uitkering kapitaalverzekering

QQ (. . . ) mm

Inkomsten uit onroerende zaken aad

Winst uit aanmerkelijk belang D NA N.V. b

Vastgesteld belastbaar inkomen a

Er heeft geen verliesverrekening plaatsgehad, aangezien de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat geen verrekenbaar verlies bestaat.

3.12.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 8 februari 2001 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

3.12.4. Op 20 februari 2001 heeft belanghebbende het onder 3.12.1 genoemde C-biljet ingediend voor de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998. Het in de aangifte opgenomen inkomen van E B.V. bedraagt ƒ nn, de inkomsten uit onroerende zaken bedragen ƒ 8.747 en het belastbare binnenlandse inkomen bedraagt volgens de aangifte ƒ oo. Na verrekening van een verlies ad ƒ pp bedraagt het belastbare binnenlandse inkomen volgens de aangifte nihil en resteert een verrekenbaar verlies van ƒ qq.

3.12.5. Bij brief van 23 februari 2001 heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende verzocht om uitreiking van aangiftebiljetten voor het jaar 1998 voor de periode van binnenlandse belastingplicht voor belanghebbende en zijn echtgenote.

Bij brief van 13 maart 2001 heeft de Inspecteur de toenmalige gemachtigde te kennen gegeven aan dit verzoek geen gevolg te geven nu de aanslagen reeds ambtshalve zijn vastgesteld en deze het gehele jaar 1998 betreffen.

3.12.6. Met dagtekening 7 februari 2002 heeft de Inspecteur het door belanghebbende tegen de onder 3.12.2 vermelde aanslag gemaakte bezwaar afgewezen onder verwijzing naar artikel 25, zesde lid, van de AWR.

3.12.7. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende een conceptaangifte (B-biljet) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wegens binnenlandse belastingplicht overgelegd voor de periode 2 april 1998 tot en met 31 december 1998. Belanghebbende heeft hierin het belastbare inkomen als volgt berekend:

ƒ

Inkomen E B.V. (pro rata) rr

Inkomen Sociale Verzekeringsbank ss

Privé-gebruik onder 3.7.1 genoemde aac

auto (pro rata)

tt

Arbeidskostenforfait (pro rata) aai -/-

Zuivere inkomsten uit arbeid uu

Uitkering kapitaalverzekering QQ mm

Inkomsten uit onroerende zaken aaf

Rente-inkomsten (na rentevrijstelling) vv

Dividendinkomsten (na dividendvrijstelling) 199

ww

Premies voor particuliere verzekeringen xx -/-

Rente van schulden yy -/-

Belastbaar inkomen zz

Na verrekening van een verlies ad ƒ pp bedraagt het belastbare inkomen over de periode 2 april 1998 tot en met 31 december 1998 volgens deze conceptaangifte nihil en resteert een verrekenbaar verlies van ƒ aaa.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil:

- primair: of belanghebbende, nu hij door de Inspecteur door middel van toezending van een zogenoemd C-biljet was uitgenodigd tot het doen van aangifte als buitenlands belastingplichtige, gehouden was tot het doen van aangifte als binnenlands belastingplichtige voor de periode van 1 april 1998 tot en met 31 december 1998, met betrekking tot welke periode niet in geschil is dat sprake is van binnenlandse belastingplicht, en voorts of het niet doen van aangifte als binnenlands belastingplichtige in dit geval leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

- eerste subsidiair: of belanghebbende in de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 zijn woonplaats in Nederland had. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

- tweede subsidiair: of het voordeel dat belanghebbende heeft genoten ten gevolge van de vestiging van het recht van vruchtgebruik op de winstbewijzen D NA N.V. op 24 maart 1998 terecht als winst uit aanmerkelijk belang in het belastbare inkomen is betrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

- derde subsidiair: of de door belanghebbende van BB ontvangen vergoeding terecht in het belastbare inkomen is betrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

- vierde subsidiair: of over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 terecht een bedrag voor het privé-gebruik van de onder 3.7.1 genoemde auto in aanmerking is genomen bij het bepalen van het belastbare inkomen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend.

- uiterst subsidiair: of, rekening houdend met de uitkomst van voornoemde geschilpunten, de door belanghebbende bij het beroepschrift overgelegde conceptaangifte gevolgd dient te

worden. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

4.2. Belanghebbende neemt - kort weergegeven - de volgende standpunten in.

De Inspecteur heeft belanghebbende uitsluitend uitgenodigd tot het doen van aangifte over de periode van buitenlandse belastingplicht; te weten 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998. Er is geen uitnodiging gedaan tot het doen van aangifte als binnenlands belastingplichtige. Bij gebreke van zulk een uitnodiging met betrekking tot binnenlandse belastingplicht heeft de Inspecteur ten onrechte een beroep gedaan op de omkering van bewijslast als bedoeld in artikel 25, zesde lid, van de AWR. Belanghebbende was immers niet gehouden tot het doen van aangifte als binnenlands belastingplichtige.

Van 24 december 1996 tot en met 31 maart 1998 had belanghebbende zijn woonplaats op Curaçao en derhalve dient hij gedurende die periode als buitenlands belastingplichtige te worden aangemerkt, zodat over die periode slechts inkomstenbelasting kan worden geheven naar het belastbare binnenlandse inkomen in de zin van de artikelen 48 en 49 van de Wet.

Nu belanghebbende op grond van artikel 34, eerste lid, onderdeel a, dan wel onderdeel b, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: de BRK) in de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 inwoner was van Curaçao verhindert artikel 12, tweede lid, van de BRK dat Nederland de vestiging van een vruchtgebruik in maart 1998 op winstbewijzen op een Antilliaanse vennootschap in de heffing kan betrekken; het voordeel dat belanghebbende daaruit heeft genoten is derhalve ten onrechte in het belastbare binnenlandse inkomen begrepen. Op grond van artikel 20 van de BRK is het heffingsrecht over de in de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 van BB ontvangen vergoeding aan Curaçao toegewezen. Ook dit inkomen is derhalve ten onrechte in het belastbare binnenlandse inkomen begrepen.

In de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 stond aan belanghebbende geen auto in Nederland ter beschikking. Voor die periode kan dan ook geen forfaitaire bate voor privé-gebruik van de auto in aanmerking genomen worden. Dit bedrag dient te worden vastgesteld op basis van een periode van negen maanden.

Het inkomen over de periode van binnenlandse belastingplicht dient te worden vastgesteld conform de bij het beroepschrift overgelegde conceptaangifte met dien verstande dat het bedrag van de per 31 december 1995 te verrekenen verliezen ƒ bbb bedraagt.

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en stelt zich - kort weergegeven - op de volgende standpunten.

Nu belanghebbende geen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 heeft ingediend, heeft de Inspecteur terecht artikel 25, zesde lid, van de AWR toegepast. Primair stelt de Inspecteur dat de bewijslast ten aanzien van de onjuistheid van de gehele aanslag bij belanghebbende ligt en dat hij niet heeft doen blijken dat het belastbare inkomen onjuist is vastgesteld. Subsidiair stelt de Inspecteur dat de omkering van de bewijslast in ieder geval geldt ten aanzien van de periode 1 januari 1998 tot en met 1 april 1998, nu een C-biljet is uitgereikt en dit niet op tijd is ingediend.

Indien het Hof oordeelt dat niet sprake is van omkering van bewijslast, stelt de Inspecteur dat de woonplaats en het middelpunt van levensbelangen van belanghebbende het gehele jaar 1998 in Nederland is gelegen. Als binnenlands belastingplichtige in de periode 1 januari 1998 tot en met 1 april 1998 behoren achtereenvolgens de winst uit aanmerkelijk belang voortvloeiende uit de vestiging van het vruchtgebruik van de winstbewijzen D NA N.V., de inkomsten uit BB, alsmede het autokostenforfait voor die periode tot het belastbare binnenlandse inkomen.

Ook indien belanghebbende als buitenlands belastingplichtige aangemerkt dient te worden is de vergoeding van BB op grond van artikel 15, derde lid, van de BRK, in Nederland belast.

Indien het Hof oordeelt dat belanghebbende zijn fiscale woonplaats vanaf 24 december 1996 alleen op Curaçao heeft gehad, stelt de Inspecteur dat belanghebbende uiterlijk vanaf 3 februari 1998 zijn woonplaats weer in Nederland heeft.

Indien het Hof de Inspecteur op enig punt in het ongelijk stelt, beroept hij zich op interne compensatie. Hij stelt dat belanghebbende in 1998 in zijn hoedanigheid van (voormalig en toekomstig) aandeelhouder ƒ ccc miljoen als (vermomde) winstuitdeling heeft ontvangen.

Voorts dient, indien belanghebbende in de procedures over het jaar 1996 en/of 1997 in het gelijk wordt gesteld, alsnog rekening te worden gehouden met eventuele te verrekenen verliezen.

4.4. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ zz vóór verliesverrekening.

5.2. De conclusie van de Inspecteur strekt primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot vermindering van de aanslag rekening houdend met zijn subsidiaire stellingen opgenomen in 4.3, slotzin.

5.3. Partijen concluderen dat met betrekking tot de hoogte van de verliesverrekening dient te worden aangesloten bij de beslissing van het Hof met betrekking tot de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1996 en 1997.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ten aanzien van het primaire geschilpunt: aangifteplicht en omkering bewijslast

6.1.1. De Inspecteur stelt dat bij de uitspraak op het bezwaar terecht op de voet van artikel 25, zesde lid, van de AWR omkering van de bewijslast is toegepast, nu belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte en hij geen aangifte heeft gedaan.

6.1.2. Belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat hem slechts een aangiftebiljet voor buitenlands belastingplichtigen is uitgereikt en niet een aangiftebiljet voor binnenlands belastingplichtigen.

6.1.3.1. Vooropgesteld dient te worden dat de onderhavige aanslag aan belanghebbende is opgelegd wegens binnenlandse belastingplicht voor het gehele jaar 1998 en dat belanghebbende gelet op het hierna onder 6.2 overwogene naar 's Hofs oordeel ook terecht als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt voor het gehele onderhavige jaar.

6.1.3.2. Belanghebbende is voor het onderhavige jaar uitgenodigd tot het doen van aangifte door middel van uitreiking van een zogenoemd C-biljet, een biljet voor aangifte als buitenlands belastingplichtige. Het enkel uitreiken van een dergelijk biljet, zonder dat een biljet wordt uitgereikt voor het doen van aangifte als binnenlands belastingplichtige, leidt niet tot een aangifteplicht voor belanghebbende als binnenlands belastingplichtige in het onderhavige jaar. De Inspecteur is er derhalve bij het doen van uitspraak op het bezwaar ten onrechte van uitgegaan dat op de voet van artikel 25, zesde lid, van de AWR de bewijslast is omgekeerd.

6.1.3.3. Dat belanghebbende in eerste instantie geen verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wegens binnenlandse belastingplicht heeft gedaan, althans niet voordat de onderhavige aanslag ambtshalve is opgelegd, leidt op zichzelf niet tot omkering of verzwaring van de bewijslast (vgl. HR 28 maart 1979, nr. 18 917, BNB 1979/170* en HR 21 april 1982, nr. 20 949, BNB 1982/309*).

6.2. Ten aanzien van het eerste subsidiaire geschilpunt: woonplaats

Nederlandse belastingwetgeving

6.2.1. Ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Een natuurlijk persoon heeft naar de omstandigheden beoordeeld zijn woonplaats hier te lande indien hij een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland heeft. Bepalend is of uit uiterlijk waarneembare omstandigheden blijkt dat de banden van de belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

6.2.2. De Inspecteur, die een natuurlijk persoon als binnenlands belastingplichtig aanmerkt, dient feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat die persoon in Nederland woont.

6.2.3. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur, met al hetgeen hij heeft aangevoerd, tegenover de betwisting hiervan door belanghebbende, geslaagd in dit bewijs. Daarvoor acht het Hof de navolgende feiten en omstandigheden, die zich hebben voorgedaan en betrekking hebben op de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998, en oordelen van belang:

- belanghebbende is de enig statutair directeur van het in Nederland gevestigde internationaal opererende concern en heeft daarin de juridisch en feitelijk beslissende zo niet alle zeggenschap. Aan zijn zoon zijn weliswaar ook taken binnen het bestuur van het concern toebedeeld, maar de belangrijkste beslissingen zijn naar het oordeel van het Hof aan belanghebbende voorbehouden;

- belanghebbende en zijn echtgenote hadden in voormelde periode de beschikking over een duurzame woongelegenheid in Nederland. De stelling van belanghebbende dat de woning gedurende die periode niet voor bewoning geschikt was, acht het Hof niet aannemelijk. Gelet op het onder 3.7.2 vastgestelde stond de woning belanghebbende duurzaam ter beschikking.

Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat het in rekening-courant met X-bedrijf B.V. verrekenen van een huurwaarde voor de woning op een vergissing berust, maar het Hof acht dit evenmin aannemelijk. Uit de gedingstukken zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit blijkt dat in verband hiermee een correctie heeft plaatsgehad. Evenmin is op dit punt tegen de aanslagen in de vennootschapsbelasting ten name van X-bedrijf B.V. bezwaar gemaakt;

- belanghebbende en zijn echtgenote hadden voorts gedurende voornoemde periode het in 3.7.3 genoemde, in de jachthaven van R gelegen, zeewaardig en voor permanente bewoning geschikt jacht tot hun beschikking;

- de telefoon en het beveiligingsabonnement in de woning zijn aangehouden;

- de omroepbijdrage voor het jaar 1997 is voldaan;

- belanghebbende en zijn echtgenote hebben verschillende, reeds bestaande, bankrekeningen in Nederland aangehouden en van een aantal van deze rekeningen gebruik gemaakt;

- belanghebbende en zijn echtgenote hebben in voornoemde

periode hun ziektekostenverzekering, hun huisarts en hun tandarts in Nederland aangehouden. Voorts zijn in voormelde periode in Nederland medisch specialisten en is in R de apotheek bezocht;

- belanghebbende en zijn echtgenote hebben de onder 3.7.6 genoemde lidmaatschappen en dat van het Rode Kruis aangehouden en zijn lid en/of geldelijk ondersteuner van de onder 3.7.8 genoemde kerken gebleven;

- de Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende, gedurende de periode dat hij geen lid is geweest van de Rotary Club S te Nederland, wel degelijk deel heeft genomen aan activiteiten van de Rotary. Gelet op hetgeen onder 3.7.7 na de eerste volzin is vermeld, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende aan dergelijke clubactiviteiten heeft deelgenomen. Gelet op de datum van het faxbericht, acht het Hof voorts aannemelijk dat tocht nummer -- en de tocht -- gedurende de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 hebben plaatsgevonden en dat belanghebbende deze betalingen heeft laten verrichten met het oog op deelname aan die tochten;

- belanghebbende heeft in deze procedure aangevoerd steeds de wil te hebben gehad Nederland metterwoon te verlaten. Dienaangaande geldt dat niet de louter innerlijke wil, maar de objectief uit omstandigheden en belanghebbendes gedragingen af te leiden wil van belang is bij de beoordeling van de woonplaats van een belastingplichtige. Naar 's Hofs oordeel heeft de Inspecteur met hetgeen hij heeft gesteld aannemelijk gemaakt dat bij belanghebbende niet de wil aanwezig was om Nederland metterwoon te verlaten, in die zin dat hij zijn duurzame betrekkingen met Nederland heeft willen verbreken. Het Hof heeft in dit oordeel mede betrokken de inhoud van de onder 3.7.9 opgenomen verklaring. Voorts is het door belanghebbende gestelde ook in tegenspraak met zijn mededeling aan het beveiligingsbedrijf en de inboedelverzekeraar dat hij voor één jaar Nederland zou verlaten.

6.2.4. Gelet op de vorenvermelde omstandigheden, in hun onderling verband beschouwd, en 's Hofs oordelen ten aanzien daarvan, kan het Hof tot geen andere conclusie komen dan dat belanghebbende in de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 zijn duurzame betrekkingen, zowel van financiële als van persoonlijke aard, met Nederland niet heeft verbroken en dat zulks nimmer in het voornemen van belanghebbende heeft gelegen. Aldus heeft belanghebbende in het onderhavige jaar een zodanige duurzame betrekking met Nederland gehad dat voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet belanghebbende moet worden geacht in Nederland te wonen. Al hetgeen hij heeft aangevoerd omtrent zijn verblijf op Curaçao acht het Hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

6.2.5. Ter staving van het door hem, onder 3.5 genoemde, overgelegde en in 3.5 weergegeven overzicht van verblijf op Curaçao, Nederland en overige landen, heeft belanghebbende ter zitting en in zijn pleitnota aangeboden desgewenst het dagboek van zijn echtgenote ter inzage te verstrekken en zijn/hun agenda, vliegtickets en visa over te leggen. Nu het Hof niet twijfelt aan de juistheid van dit overzicht en aannemelijk acht dat belanghebbende tevens inwoner is geweest van de Nederlandse Antillen, ziet het Hof geen aanleiding gebruik te maken van dit bewijsaanbod.

6.2.6.1. Belanghebbende heeft gesteld dat uit de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 10 oktober 1970

(nr. B70/20 263, BNB 1970/263) blijkt dat ter bepaling van de fiscale woonplaats van naar het buitenland uitgezonden werknemers van een Nederlandse onderneming grote waarde wordt gehecht aan het feit of gehuwde werknemers naar het buitenland gaan met medeneming van hun gezin. Gehuwde werknemers, van wie de gezinnen meegaan naar het buitenland, worden voor toepassing van de Wet en de Wet op de vermogensbelasting 1964 geacht Nederland metterwoon te hebben verlaten. Belanghebbende stelt dat hij, nu zijn echtgenote met hem naar Curaçao is vertrokken, er op mocht vertrouwen dat de Inspecteur het standpunt zou innemen dat hij Nederland metterwoon had verlaten.

6.2.6.2. Gelet op de tekst en de inhoud van punt 2 van voormelde resolutie heeft deze niet de strekking af te wijken van het wettelijke woonplaatsbegrip. In punt 2 van voormelde resolutie staat vermeld dat toepassing van de regeling onder andere achterwege zal blijven indien zelfstandige toetsing van het wettelijke woonplaatsbegrip tot een andere uitkomst zou leiden dan waartoe de regeling zou voeren. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel gaat niet op.

6.2.7.1. Voorts heeft belanghebbende een beroep gedaan op de zogenoemde 35%-regeling voor tijdelijk in Nederland te werk gestelde buitenlandse werknemers (Besluit van 29 mei 1995, nr. DB95/119M, BNB 1995/243; hierna: de 35%-regeling). Hij heeft daartoe aangevoerd dat deze werknemers veelal in gemeubileerde woningen of appartementen wonen, dat er in redelijkheid geen twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of zij in Nederland wonen, welke vraag bevestigend moet worden beantwoord, en dat zij kunnen kiezen voor fictieve buitenlandse belastingplicht. In de omgekeerde situatie zou er, naar belanghebbende stelt, geen twijfel over mogen bestaan dat sprake is van wonen buiten Nederland.

6.2.7.2. Het Hof vat voornoemde stellingname van belanghebbende op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. De 35%-regeling is een regeling waarin, in verband met de praktische uitvoerbaarheid, is goedgekeurd dat aan buitenlandse werknemers, die tijdelijk hier te lande werkzaam zijn en beschikken over specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is zodat deze werknemer slechts in het buitenland kan worden aangetrokken, onder bepaalde voorwaarden een belastingvrije vergoeding (35%) kan worden verstrekt voor de extra uitgaven waarvoor de buitenlandse werknemers zich in verband met hun tewerkstelling door de binnenlandse werkgever zien geplaatst. Voorts kan op gezamenlijk verzoek van de binnenlandse werkgever en de buitenlandse werknemer de buitenlandse werknemer voor de heffing van loonbelasting, inkomstenbelasting en vermogensbelasting als fictief buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt. De regeling ontleent haar bestaansrecht aan de omstandigheid dat uit het buitenland afkomstige werknemers bij hun tijdelijke verblijf hier te lande doorgaans hogere kosten van levensonderhoud hebben dan werknemers die hier vast geworteld zijn en heeft mede het karakter van een loonkostensubsidie voor binnenlandse werkgevers die vanwege schaarste op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn genoodzaakt werknemers met specifieke deskundigheid uit het buitenland aan te trekken. Een belangrijke doelstelling van de regeling is het scheppen van een mogelijkheid om gefacilieerd know-how naar Nederland aan te trekken (vgl. Hoge Raad 30 mei 2001, nr. 35 903, BNB 2001/302*).

6.2.7.3. Ook bij toepassing van de 35%-regeling zal, net als in het geval van belanghebbende, steeds aan de hand van artikel 4 van de AWR worden beoordeeld waar een belastingplichtige woont. Er is derhalve naar 's Hofs oordeel reeds daarom geen sprake van een ongelijke behandeling. Voorts kan niet worden gezegd dat het geval van belanghebbende die, gelet op de inhoud van zijn verklaring opgenomen in 3.7.9, met het oog op besparing van schenkingsrechten tijdelijk naar het buitenland is vertrokken, voldoende vergelijkbaar is met de gevallen waarop de 35%-regeling ziet.

Belastingregeling voor het Koninkrijk

6.2.8.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en eerste lid, onderdeel d, van de Rijkswet houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk van 28 oktober 1964 (hierna: de BRK) verstaat de BRK onder inwoner van een van de landen een persoon die, ingevolge de desbetreffende belastingregelingen van een van de landen, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, of enige andere soortgelijke omstandigheid.

6.2.8.2. Ingevolge het bepaalde in artikel I, tweede lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 geldt voor de toepassing van de Nederlands-Antilliaanse belastingwetgeving te dezen in hoofdzaak een zelfde criterium als is opgenomen in artikel 4 van de AWR (vgl. Hoge Raad 21 december 2001,

nr. 36 531, V-N 2002/2.5). Gelet op voormelde bepaling en de inhoud van de onder 3.3 vermelde ruling hebben de Curaçaose belastingautoriteiten belanghebbende als inwoner van Curaçao aangemerkt.

6.2.9.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de BRK wordt een natuurlijk persoon, die ingevolge de desbetreffende belastingregelingen inwoner is van beide landen, geacht inwoner te zijn van het land waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen).

6.2.9.2. Zoals in 6.2.3 is overwogen heeft belanghebbende naar 's Hofs oordeel in Nederland tenminste één duurzaam tehuis tot zijn beschikking. Het Hof zal hierna veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat het door belanghebbende en zijn echtgenote op Curaçao voor één jaar gehuurde appartement kan worden aangemerkt als een duurzaam tehuis in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de BRK. Alsdan dient te worden onderzocht met welk land belanghebbendes persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen). Naar 's Hofs oordeel zijn zowel de persoonlijke als de economische betrekkingen van belanghebbende met Nederland het nauwst. Van doorslaggevend gewicht voor dit oordeel zijn de in 6.2.3 vermelde feiten en omstandigheden.

6.2.9.3. Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbende naar 's Hofs oordeel in de periode 24 december 1996 tot 1 april 1998 ook voor de toepassing van de BRK inwoner van Nederland. Derhalve is terecht voor het gehele jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wegens binnenlandse belastingplicht aan belanghebbende opgelegd.

6.3. Ten aanzien van het tweede subsidiaire geschilpunt: vestiging recht van vruchtgebruik

6.3.1. Ingevolge artikel 20a, negende lid, onderdeel d, van de Wet, wordt voor de winst uit aanmerkelijk belang met een aandeelhouder gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot voordelen uit aandelen en diens gerechtigdheid aangemerkt als aandeel, tenzij er sprake is van een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet.

Ingevolge artikel 25, vijftiende lid, aanhef en onderdeel b, eerste volzin, van de Wet wordt onder een tijdelijke gerechtigdheid tot voordelen uit een zaak of uit een recht dat niet op zaken betrekking heeft of tot gebruik van een zaak verstaan: elke gerechtigdheid tot voordelen of gebruik die niet uitsluitend eindigt bij overlijden of waarbij de persoon van wiens leven de gerechtigdheid afhankelijk is ten tijde van het ontstaan ervan reeds de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, met dien verstande dat een eeuwigdurende gerechtigdheid niet als een tijdelijke gerechtigdheid wordt beschouwd.

6.3.2. Gelet op de tekst van artikel 25, vijftiende lid, aanhef en onderdeel b, eerste volzin, van de Wet betreft het onderhavige recht van vruchtgebruik, nu dit voor de duur van dertig jaren is gevestigd en derhalve niet uitsluitend eindigt bij overlijden, een tijdelijk recht van vruchtgebruik.

6.3.3. Ingevolge artikel 20b, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet behoort tot de reguliere voordelen hetgeen wordt genoten ter vervanging van gederfde of te derven reguliere voordelen alsmede hetgeen als zodanig wordt genoten ter zake van de vestiging van een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet, van een ander tot voordelen uit tot het vermogen van de belastingplichtige behorende aandelen of winstbewijzen. De Inspecteur heeft - hetgeen op zichzelf in het geval van binnenlandse belastingplicht van belanghebbende voor het gehele jaar 1998, naar het Hof begrijpt, overigens niet in geschil is - de door belanghebbende voor de vestiging van het tijdelijk recht van vruchtgebruik genoten vergoeding terecht en tot het juiste bedrag tot de winst uit aanmerkelijk belang gerekend.

6.4. Ten aanzien van het derde subsidiaire geschilpunt: inkomen BB

6.4.1. Belanghebbende heeft op 16 april 1998 een tweetal facturen uitgeschreven ter zake van voor BB verrichte werkzaamheden in de periode 24 december 1996 tot en

31 december 1996 en de periode 1 januari 1998 tot en met

31 maart 1998 ten bedrage van (omgerekend in Nederlandse guldens en afgerond) ƒ cc respectievelijk ƒ dd, in totaal derhalve ƒ jj. De Inspecteur heeft dit bedrag in het belastbare inkomen begrepen. Naar belanghebbende stelt, is de heffing over dit inkomen op grond van artikel 20 van de BRK (overige inkomsten), dan wel op grond van artikel 15, eerste lid, van de BRK (niet-zelfstandige arbeid) aan de Nederlandse Antillen toegewezen. De Inspecteur stelt dat de heffing over het door belanghebbende van BB ontvangen inkomen op grond van artikel 15, derde lid, van de BRK (niet-zelfstandige arbeid) aan Nederland is toegewezen, aangezien belanghebbende dit inkomen heeft genoten in zijn hoedanigheid van bestuurder.

6.4.2. Naar 's Hofs oordeel behoort het inkomen dat belanghebbende van BB heeft genoten tot de inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid en derhalve wordt de heffingsbevoegdheid over deze inkomsten geregeld door artikel 15 van de BRK. Ingevolge artikel 15, derde lid, van de BRK mogen inkomsten genoten door een inwoner van een van de landen als bestuurder of als commissaris van een lichaam dat inwoner is van een van de andere landen worden belast in dat andere land. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt het inkomen van BB in een andere hoedanigheid dan als bestuurder te hebben ontvangen. Gelet op de tekst van artikel 15, derde lid, van de BRK heeft de Inspecteur, nu belanghebbende als inwoner van Nederland dient te worden aangemerkt en het inkomen betreft van een in Nederland gevestigd lichaam, dit inkomen terecht in de heffing betrokken.

6.4.3. Voorts overweegt het Hof het volgende. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de BRK kan, voor zover te dezen van belang, het land van inwoning in het inkomen of vermogen begrijpen de bestanddelen welke ingevolge de voorgaande artikelen van afdeling I van de BRK (Belastingen naar inkomen en vermogen) mogen worden belast in een van de andere landen met dien verstande, dat op de berekende belasting een vermindering wordt toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het totaal van de bestanddelen, welke in laatstbedoeld land mogen worden belast, staat tot het totale belastbare inkomen of vermogen. Nu naar 's Hofs oordeel op grond van artikel 15, derde lid, van de BRK, de heffing over het inkomen uit BB aan Nederland is toegewezen, komt een vermindering van de Nederlandse inkomstenbelasting niet aan de orde.

6.5. Ten aanzien van het vierde subsidiaire geschilpunt: privé-gebruik auto

Gelet op hetgeen onder 3.7.1 is vermeld is het Hof van oordeel dat aan belanghebbende in het onderhavige jaar, net als in het jaar 1996, 1997 (vgl. de uitspraak van heden in zaak met Hofkenmerk BK-02/00946) en een gedeelte van het jaar 1999, de a-auto in verband met het verrichten van arbeid door het concern ter beschikking is gesteld. De enkele stelling van belanghebbende dat hem in de eerste drie maanden van het onderhavige jaar geen auto door het concern ter beschikking is gesteld is onvoldoende om anders te oordelen. Niet is gebleken dat belanghebbende de auto tijdens zijn verblijf op Curaçao aan het concern heeft teruggegeven en voorts is niet gebleken dat de auto door belanghebbende in het onderhavige jaar minder dan 1.000 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 23 maart 1983 (nr. 21 588,

V-N 1983/831, pt. 19) en 10 februari 1988 (nr. 25 284,

BNB 1988/111) heeft de Inspecteur terecht voor het gehele jaar de autokostenfictie van artikel 42, derde lid, van de Wet toegepast.

6.6. Ten aanzien van het uiterst subsidiaire geschilpunt: volgen conceptaangifte op aantal punten?

Belanghebbende heeft in de bij het beroepschrift overgelegde conceptaangifte, naast de hiervoor genoemde posten waarover het Hof thans heeft beslist, nog de volgende inkomsten en aftrekposten opgegeven:

Inkomsten:

- Rente-inkomsten (na rentevrijstelling) ƒ vv

- Dividendinkomsten (na dividendvrijstelling) ƒ 199

Totaal inkomsten ƒ ddd

Aftrekposten:

- Premies voor particuliere verzekeringen ƒ xx

- Rente van schulden ƒ yy

Totaal aftrekposten ƒ eee.

Belanghebbende stelt dat de conceptaangifte moet worden gevolgd. Het volgen van deze conceptaangifte kan echter, gelet op de wijze waarop het Hof op de onder 6.1 tot en met 6.5 genoemde geschilpunten heeft beslist, niet tot een verlaging van de aanslag leiden, aangezien de niet in de aanslag betrokken inkomsten meer bedragen dan de niet in de aanslag betrokken aftrekposten.

Verliesverrekening

6.6. In de uitspraak van heden met Hofkenmerk BK-01/01888, betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wegens binnenlandse belastingplicht voor het jaar 1996, heeft het Hof beslist dat belanghebbende in dat gehele jaar binnenlands belastingplichtig is. Over dat jaar resteert een verlies van ƒ fff. Dit te verrekenen verlies is in de uitspraak van heden met Hofkenmerk BK-02/00946, betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen wegens

binnenlandse belastingplicht voor het jaar 1997 reeds volledig verrekend, zodat thans geen te verrekenen verlies resteert.

Conclusie

6.7. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Tijnagel, Savelbergh en Van Walderveen. De beslissing is op 2 november 2004 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van Duijvendijk)

(Tijnagel)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.